‘Misschien niet,’ zei Theros, ‘maar we kunnen wel een paar mijl voorsprong op hen nemen.’
‘Misschien,’ zei Derek grimmig. Hij zorgde ervoor dat zijn zwaard los in de schede zat en liep terug naar de grot.
Laurana hield Sturm tegen. ‘Het mag niet op bloedvergieten uitdraaien!’ fluisterde ze dringend, geschrokken van Dereks houding.
De ridder schudde zijn hoofd terwijl ze achter de anderen aan liepen. ‘We kunnen niet toestaan dat jouw volk ons ervan weerhoudt met de bol naar Sancrist te gaan.’
‘Dat weet ik,’ zei Laurana zachtjes. Met gebogen hoofd liep ze in verdrietig stilzwijgen de grot binnen.
Binnen een paar tellen waren de anderen klaar om te gaan. Vervolgens bleef Derek briesend van ongeduld in de opening van de grot naar Laurana staan kijken.
‘Ga maar vast,’ zei ze tegen hem, omdat ze niet wilde dat hij haar zag huilen. ‘Ik kom er zo aan.’
Derek vertrok meteen. Theros, Sturm en de anderen volgden langzamer en wierpen bezorgde blikken op haar.
‘Ga nu maar,’ zei ze gebarend. Ze had even wat tijd voor zichzelf nodig. Maar het enige waar ze aan kon denken, was Derek met zijn hand op zijn zwaard. ‘Nee!’ zei ze streng tegen zichzelf. ‘Ik weiger tegen mijn eigen landgenoten te vechten. Als het ooit zover komt, hebben de draken gewonnen. Ik zal nog eerder mijn eigen zwaard neerleggen.’
Achter zich hoorde ze iets bewegen. Met een ruk draaide ze zich om en haar hand ging in een reflex naar haar zwaard. Toen verstijfde ze.
‘Silvara?’ vroeg ze verbijsterd toen ze het meisje in de schaduw zag zitten. ‘Ik dacht dat je al weg was. Wat ben je aan het doen?’
Laurana liep snel naar de plek waar Silvara in het donker op haar knieën druk bezig was met iets op de vloer van de grot. De wilde elf stond haastig op.
‘N-niets,’ prevelde Silvara. ‘Gewoon, mijn spullen aan het pakken.’
Op de koude vloer van de grot achter Silvara dacht Laurana de drakenbol te zien liggen. Onder het kristallen oppervlak scheen een merkwaardig, kolkend licht. Maar voordat ze beter kon kijken, gooide Silvara snel haar mantel eroverheen. Het viel Laurana op dat ze datgene waarmee ze zo druk bezig was geweest met haar lichaam afschermde.
‘Kom mee, Laurana,’ zei Silvara. ‘We moeten ons haasten. Het spijt me dat ik zo traag was…’
‘Zo meteen,’ zei Laurana streng. Ze wilde langs de wilde elf heen lopen, maar Silvara greep haar vast.
‘We moeten ons haasten!’ zei ze, en er klonk een stalen vastberadenheid in haar zachte stem door. Haar greep op Laurana’s arm was pijnlijk, zelfs dwars door het dikke bont van Laurana’s mantel heen.
‘Laat me los,’ zei Laurana kil terwijl ze zonder een spoortje angst of woede in haar groene ogen naar het meisje keek. Silvara liet haar los en keek naar de grond.
Laurana liep naar het achterste deel van de ondiepe grot. Toen ze echter naar de vloer keek, kon ze daar niets bijzonders ontdekken. Er lag een hoopje twijgjes, bast en zwartgeblakerd hout, en een paar stenen, maar dat was alles. Als het een boodschap was, was die tamelijk onhandig. Met haar gelaarsde voet schopte Laurana de stenen en takjes uit elkaar. Toen draaide ze zich om en greep Silvara bij haar arm.
‘Zo,’ zei Laurana met zachte, effen stem. ‘De boodschap die je voor je vrienden wilde achterlaten zal nu niet meer zo gemakkelijk leesbaar zijn.’
Laurana was voorbereid op bijna elke reactie die het meisje kon tonen: woede, schaamte omdat ze betrapt was. Ze hield er zelfs een beetje rekening mee dat ze haar zou aanvallen. In plaats daarvan begon Silvara te beven. De ogen waarmee ze Laurana aankeek stonden smekend, bijna treurig. Ze probeerde iets te zeggen, maar dat lukte niet. Hoofdschuddend rukte ze zich los uit Laurana’s greep en rende naar buiten.
‘Schiet op, Laurana!’ riep Theros bars.
‘Ik kom eraan,’ antwoordde ze met een laatste blik op de rommel op de vloer van de grot. Ze overwoog nog even goed te gaan kijken, maar ze wist dat ze daar eigenlijk geen tijd voor had.
Misschien ben ik veel te wantrouwig tegenover dat meisje, en ten onrechte, dacht Laurana zuchtend terwijl ze de grot uit rende. Halverwege het pad bleef ze zo plotseling staan dat Theros, die achteraan liep, tegen haar op botste. Hij pakte haar arm vast om te voorkomen dat ze zou vallen.
‘Gaat het wel?’ vroeg hij.
‘J-ja,’ antwoordde Laurana, die hem maar half had gehoord.
‘Je ziet bleek. Heb je iets gezien?’
‘Nee, het gaat wel,’ zei Laurana haastig, en ze klom verder de rotsachtige helling op, uitglijdend over de sneeuw. Wat een dwaas was ze geweest! Wat een dwazen waren ze allemaal geweest! Voor haar geestesoog zag ze opnieuw Silvara overeind komen en haar mantel over de drakenbol gooien. De drakenbol, waarin een vreemd licht brandde.
Ze wilde Silvara net iets vragen over de bol, toen alle gedachten uit haar hoofd werden verdreven. Een pijl zoefde door de lucht en drong vlak bij Dereks hoofd in een boom.
‘Elfen! Zwaardglans, val aan!’ riep de ridder terwijl hij zijn zwaard trok.
‘Nee!’ Laurana rende op hem af en greep zijn zwaardarm. ‘We zullen niet vechten! Er mogen geen doden vallen!’
‘Je bent gek!’ schreeuwde Derek. Boos duwde hij Laurana van zich af, zodat ze tegen Sturm aan viel.
Er vloog nog een pijl langs.
‘Ze heeft gelijk!’ zei Silvara, die haastig op haar schreden terugkeerde, smekend. ‘We kunnen niet tegen ze vechten. We moeten de pas zien te bereiken. Daar kunnen we ze tegenhouden.’
Een pijl die de meeste snelheid al kwijt was, raakte de maliënkolder die Derek over zijn leren tuniek droeg. Geërgerd veegde hij hem weg.
‘Ze proberen ons niet te doden,’ voegde Laurana eraan toe. ‘Als dat het geval was, was je nu al dood geweest. We moeten vluchten. Hier kunnen we toch niet vechten.’ Ze gebaarde naar het dichte bos. ‘De pas kunnen we veel beter verdedigen.’
‘Steek je zwaard weg, Derek,’ zei Sturm, die nu zelf zijn wapen trok. ‘Anders zul je eerst langs mij heen moeten.’
‘Je bent een lafaard, Zwaardglans!’ schreeuwde Derek met een stem die beefde van woede. ‘Je slaat op de vlucht voor de vijand!’
‘Nee,’ antwoordde Sturm koeltjes. ‘Ik sla op de vlucht voor mijn vrienden.’ De ridder hield zijn zwaard in de aanslag. ‘Lopen, Kroonwacht, of ik zorg ervoor dat de elfen te laat zijn om je gevangen te kunnen nemen.’
Weer vloog er een pijl langs, die zich vlak bij Derek in een boom boorde. Met rode vlekken van woede in zijn gezicht stak de ridder zijn zwaard in de schede, draaide zich om en liep stampvoetend de helling op, maar niet voordat hij Sturm zo’n intens vijandige blik had toegeworpen dat Laurana er de rillingen van kreeg.
‘Sturm...’ begon ze, maar hij greep haar bij de elleboog en trok haar zo snel met zich mee dat ze niet de kans kreeg haar zin af te maken. Ze klommen snel. Achter zich hoorde ze Theros door de sneeuw ploeteren. Nu en dan bleef hij even staan om een grote steen naar beneden te gooien. Al snel klonk het of de halve berg langs het steile pad omlaag viel en hield de pijlenregen op.
‘Het is maar tijdelijk,’ hijgde de smid toen hij Sturm en Laurana had ingehaald. ‘Ze zullen zich er niet lang door laten tegenhouden.’
Laurana kon geen antwoord geven. Haar longen brandden. Blauwe en gouden sterretjes spatten voor haar ogen uiteen. Ze was niet de enige die het zwaar had. Sturms adem raspte in zijn keel. De hand waarmee hij haar arm vasthield was slapjes en beefde. Zelfs de sterke smid hijgde als een molenpaard. Achter een rotsblok troffen ze de dwerg op zijn knieën aan, en Tasselhof die vergeefs probeerde hem overeind te trekken.
‘Moet... rusten...’ hijgde Laurana. Haar keel deed pijn. Ze wilde gaan zitten, maar sterke handen grepen haar vast.
‘Nee!’ zei Silvara dringend. ‘Niet hier. Een paar passen nog. Kom op! Doorlopen!’
De wilde elf trok Laurana met zich mee. Vagelijk was ze zich ervan bewust dat Sturm Flint overeind hielp en dat de dwerg vloekte en steunde. Met z’n tweeën sleurden Sturm en Theros de dwerg over het pad. Tasselhof strompelde achter hen aan, te moe om iets te zeggen.