Выбрать главу

Eindelijk bereikten ze de pas. Laurana liet zich in de sneeuw zakken. Het kon haar niet meer schelen wat er met haar gebeurde. De anderen volgden haar voorbeeld, allemaal behalve Silvara, die naar beneden stond te staren.

Waar haalt ze de kracht vandaan, dacht Laurana door een donker waas van pijn. Ze was echter te uitgeput om daar diep over na te denken. Op dat moment was ze zelfs zo moe dat het haar niets kon schelen of de elfen haar zouden vinden.

Silvara draaide zich naar hen om. ‘We moeten ons opsplitsen,’ zei ze beslist.

Laurana staarde haar niet-begrijpend aan.

‘Nee,’ begon Gilthanas, die zonder veel succes trachtte overeind te komen.

‘Luister naar me!’ zei Silvara dringend. Ze liet zich op haar knieën zakken. ‘De elfen zijn te dichtbij. Ze zullen ons zeker te pakken krijgen, en dan hebben we maar twee mogelijkheden: vechten of ons overgeven.’

‘Vechten,’ mompelde Derek woest.

‘Er is een betere manier,’ siste Silvara. ‘Jij, ridder, moet in je eentje de drakenbol naar Sancrist brengen. Wij zullen de achtervolgers achter ons aanlokken.’

Even zei niemand iets, maar staarden ze allemaal naar Silvara terwijl ze die nieuwe mogelijkheid overdachten. Derek keek met een glans in zijn ogen op. Laurana wierp Sturm een geschrokken blik toe.

‘Ik vind niet dat een dergelijke verantwoordelijkheid op de schouders vanéén persoon zou moeten rusten,’ zei Sturm. Hij ademde nog steeds met horten en stoten. ‘Er moet minstens nog één iemand met Derek mee.’

‘En daarmee bedoel je jezelf zeker, Zwaardglans?’ vroeg Derek boos.

‘Ja, natuurlijk moet Sturm mee,’ zei Laurana. ‘Hij is de meest logische keuze.’

‘Ik kan een route door de bergen voor jullie uittekenen,’ zei Silvara gretig. ‘Het is niet zo moeilijk. De buitenpost van de ridders is hier slechts twee dagreizen vandaan.’

‘Maar we kunnen niet vliegen,’ wierp Sturm tegen. ‘Wat doen we met onze sporen? De elfen zien toch zeker meteen dat we ons hebben opgesplitst?’

‘Een lawine,’ opperde Silvara. ‘Toen Theros die stenen achter ons naar beneden gooide, kwam ik op het idee.’ Ze keek omhoog. Iedereen volgde haar blik. Besneeuwde bergtoppen torenden hoog boven hen uit, en de sneeuw hing tot over de randen.

‘Ik kan met mijn magie wel een lawine veroorzaken,’ zei Gilthanas langzaam. ‘Zo kunnen we al onze sporen uitwissen.’

‘Niet helemaal,’ verbeterde Silvara hem. ‘We moeten ervoor zorgen dat die van ons weer terug te vinden zijn, al moet het er natuurlijk niet te dik bovenop liggen. We willen immers dat ze achter ons aan komen.’

‘Maar waar gaan we dan naartoe?’ vroeg Laurana. ‘Ik ben niet van plan om doelloos door de wildernis te zwerven.’

‘Ik... ik weet een goede plek.’ Silvara’s stem klonk zwakjes, en ze keek naar de grond. ‘Een geheime plek die alleen bij mijn volk bekend is. Daar zal ik jullie naartoe brengen.’ Ze sloeg haar handen ineen. ‘Toe, we moeten opschieten. We hebben niet veel tijd meer.’

‘Ik breng de bol naar Sancrist,’ zei Derek, ‘en ik ga alleen. Sturm moet met jullie mee. Jullie hebben een krijger nodig.’

‘We hebben krijgers genoeg,’ zei Laurana. ‘Theros, mijn broer, de dwerg. Zelf heb ik ook al eens gevochten.’

‘Ik ook,’ piepte Tasselhof.

‘De kender ook,’ voegde Laurana er grimmig aan toe. ‘En trouwens, het zal niet op bloedvergieten uitdraaien.’ Ze zag Sturms ongeruste gezicht en vroeg zich af wat er in hem omging. Haar stem verzachtte. ‘De beslissing is uiteraard aan Sturm zelf. Hij moet doen wat hij het beste acht, maar ik vind dat hij met Derek mee zou moeten gaan.’

‘Daar ben ik het mee eens,’ bromde Flint. ‘Wij zijn immers niet degenen die in gevaar zullen verkeren. Zonder de drakenbol zijn we veiliger, want daar zijn de elfen immers op uit.’

‘Ja,’ zei Silvara zachtjes, instemmend. ‘Zonder de bol zullen wij veiliger zijn. Jullie lopen veel meer gevaar.’

‘Dan is het voor mij duidelijk,’ zei Sturm. ‘Ik ga met Derek mee.’

‘En als ik je beveel achter te blijven?’ vroeg Derek op hoge toon.

‘Je hebt niets over me te zeggen,’ zei Sturm met een duistere blik in zijn bruine ogen. ‘Of ben je soms vergeten dat ik geen ridder ben?’

Er viel een diepe, pijnlijke stilte. Derek keek Sturm indringend aan. ‘Nee,’ zei hij, ‘en als het aan mij ligt, word je ook nooit ridder!’

Sturm kromp ineen alsof Derek hem een klap in het gezicht had gegeven. Toen slaakte hij een diepe zucht en stond op.

Derek was zijn spullen al aan het verzamelen. Sturm deed het rustig aan. Heel weloverwogen tilde hij zijn rol dekens op. Laurana hees zichzelf overeind en liep op Sturm af.

‘Hier,’ zei ze terwijl ze iets uit haar reistas pakte. ‘Jullie zullen eten nodig hebben...’

‘Je kunt ook met ons meegaan,’ zei Sturm zachtjes terwijl zij de mondvoorraad verdeelde. ‘Tanis weet dat we naar Sancrist gaan. Als hij kan, zal hij er zelf ook naartoe komen.’

Laurana’s ogen lichtten op. ‘Je hebt gelijk,’ zei ze. ‘Misschien is dat inderdaad een goed idee...’ Maar haar blik dwaalde af naar Silvara, die nog steeds de drakenbol, gewikkeld in haar mantel, met zich meedroeg. De wilde elf had haar ogen gesloten, bijna alsof ze in gedachten met een onzichtbare geest sprak. Zuchtend schudde Laurana haar hoofd. ‘Nee, ik moet bij haar blijven, Sturm,’ zei ze zachtjes. ‘Er klopt iets niet. Ik begrijp niet...’ Ze maakte haar zin niet af, niet in staat haar gedachten onder woorden te brengen. ‘Hoe zit het met Derek?’ vroeg ze. ‘Waarom wil hij met alle geweld alleen gaan? Het klopt wat de dwerg zegt over het gevaar. Als de elfen jullie gevangennemen zonder dat wij erbij zijn, zullen ze niet aarzelen om jullie te doden.’

Sturms gezicht was vertrokken van verbittering. ‘Moet je dat nog vragen? Heer Derek Kroonwacht die na een lange, afschuwelijk gevaarlijke reis alleen terugkeert met de felbegeerde drakenbol...’ Sturm haalde zijn schouders op.

‘Maar er staat ontzettend veel op het spel,’ zei Laurana verontwaardigd.

‘Daar heb je gelijk in, Laurana,’ antwoordde Sturm bars. ‘Er staat van alles op het spel. Meer dan je beseft, onder meer het leiderschap over de ridders van Solamnië. Ik kan het nu niet uitleggen…’

‘Schiet op, Zwaardglans, als je nog mee wilt tenminste,’ grauwde Derek.

Sturm nam het voedsel van Laurana aan en stopte het in zijn reistas. ‘Vaarwel, Laurana,’ zei hij. Hij maakte een buiging voor haar met de bescheiden hoffelijkheid die alles kenmerkte wat hij deed.

‘Vaarwel, Sturm, mijn vriend,’ fluisterde ze terwijl ze haar armen om hem heen sloeg.

Hij beantwoordde haar omhelzing en drukte een tedere kus op haar voorhoofd.

‘We zullen de bol ter bestudering aan de wijze mannen geven. Binnenkort komt de Raad van de Wittesteen bij elkaar,’ zei hij. ‘De elfen zullen daarvoor worden uitgenodigd, aangezien ze een adviserende taak hebben. Je moet zo snel mogelijk naar Sancrist komen, Laurana. Je aanwezigheid zal hard nodig zijn.’

‘Ik zal er zijn, als de goden het willen,’ zei Laurana. Ze keek naar Silvara, die Derek de drakenbol overhandigde. Een uitdrukking van onuitsprekelijke opluchting flitste over Silvara’s gezicht toen Derek zich omdraaide.

Sturm nam afscheid en liep toen snel achter Derek aan door de sneeuw. De reisgenoten zagen een lichtflits toen het zonlicht op zijn schild viel.

Opeens deed Laurana een stap naar voren. ‘Wacht!’ riep ze. ‘We moeten hen tegenhouden. Ze moeten de drakenlans ook meenemen.’

‘Nee!’ riep Silvara. Ze zette het op een rennen om Laurana de pas af te snijden.

Boos wilde Laurana het meisje uit de weg duwen, maar zodra ze het gezicht van de wilde elf zag, verstijfde ze.

‘Waar ben je mee bezig, Silvara?’ vroeg Laurana. ‘Waarom heb je hen weggestuurd? Waarom wilde je de groep zo graag in tweeën splitsen? Waarom geef je hun wel de bol, maar niet de lans mee.

Silvara gaf geen antwoord. Ze haalde simpelweg haar schouders op en staarde Laurana aan met ogen zo blauw als de hemel. Laurana voelde haar wilskracht wegsijpelen onder invloed van die intens blauwe ogen. Op angstaanjagende wijze werd ze aan Raistlin herinnerd.