Ook Gilthanas keek Silvara met een verbijsterd, bezorgd gezicht aan. Theros stond er grimmig en streng bij en wierp Laurana een blik toe, alsof hij haar twijfels begon te begrijpen. Ze konden zich echter niet verroeren. Ze waren volledig in Silvara’s ban, maar wat had ze nu eigenlijk met hen gedaan? Het enige wat ze konden doen was naar de wilde elf staren toen die kalm naar de plek liep waar Laurana in haar vermoeidheid haar reistas op de grond had laten vallen. Ze bukte en wikkelde het versplinterde stuk hout uit zijn doek. Toen hief ze hem omhoog.
Zonlicht weerkaatste op Silvara’s haar, net als eerder op het schild van Sturm. ‘De drakenlans blijft bij mij,’ zei ze. Toen liet ze snel haar blik over de roerloze groep gaan en voegde eraan toe: ‘En jullie ook.’
7
Duistere reis.
Achter hen schoof de sneeuw bulderend over de flank van de berg. Grote, witte plakken tuimelden in de pas, blokkeerden die en wisten de sporen van hun aanwezigheid uit. De echo’s van de magische donder die Gilthanas had opgeroepen galmden nog na, of misschien was het gewoon het gerommel van de stenen die langs de helling naar beneden stuiterden. Dat wisten ze niet zeker.
Met Silvara voorop liepen de reisgenoten langzaam en voorzichtig over de paden naar het oosten. Waar mogelijk vermeden ze de sneeuw en liepen ze op de kale stenen. Ook liepen ze in elkaars voetstappen, zodat de achtervolgende elfen niet precies konden vaststellen met hoeveel ze waren. Ze waren zelfs zo voorzichtig dat Laurana zich zorgen begon te maken.
‘Vergeet niet dat we wel willen dat ze ons vinden,’ zei ze tegen Silvara toen ze door een met rotsen bezaaide, nauwe doorgang liepen.
‘Maak je geen zorgen. Ze zullen ons moeiteloos kunnen volgen,’ antwoordde Silvara.
‘Hoe weet je dat zo zeker?’ wilde Laurana vragen, maar toen gleed ze uit en kwam op handen en knieën terecht. Gilthanas hielp haar overeind. Met een grimas van pijn staarde ze Silvara zwijgend aan. Geen van hen, zelfs Theros niet, vertrouwde de plotselinge verandering die de wilde elf had ondergaan sinds de ridders waren vertrokken. Ze hadden echter geen keus; ze moesten haar wel volgen.
‘Omdat ze weten waar we naartoe gaan,’ antwoordde Silvara. ‘Het was slim van je dat je doorhad dat ik in de grot een boodschap voor hen had achtergelaten. Gelukkig heb je hem niet gevonden. Onder de takken die jij uit elkaar hebt geschopt — erg vriendelijk van je, overigens had ik een eenvoudige kaart getekend. Als ze die vinden, zullen ze denken dat ik hem heb gebruikt om jullie te laten zien waar we naartoe gaan. Dankzij jou ziet het er nu extra realistisch uit, Laurana.’ Haar stem klonk uitdagend, tot haar blik die van Gilthanas kruiste.
De elfenheer wendde zich met een somber gezicht van haar af. Silvara’s zelfverzekerde toon verdween als sneeuw voor de zon en haar stem kreeg een smekende klank. ‘Ik heb het met een reden gedaan, met een goede reden. Zodra ik die sporen in de sneeuw zag, wist ik dat we ons moesten opsplitsen. Jullie moeten me geloven!’
‘En de drakenbol? Wat deed je daarmee?’ vroeg Laurana op hoge toon.
‘N-niets,’ stamelde Silvara. ‘Je moet me vertrouwen!’
‘Ik zou niet weten waarom,’ verklaarde Laurana kil.
‘Ik heb jullie niets gedaan...’ begon Silvara.
‘Tenzij je de ridders en de drakenbol in een dodelijke val hebt laten lopen!’ riep Laurana uit.
‘Nee!’ zei Silvara handenwringend. ‘Dat heb ik niet gedaan. Geloof me, ze zullen veilig zijn. Dat is vanaf het begin mijn plan geweest. Met de drakenbol mag niets gebeuren. Bovenal mag hij niet in handen van de elfen vallen. Daarom heb ik de ridders ermee weggestuurd. Daarom heb ik jullie helpen ontsnappen.’ Ze keek om zich heen en leek als een dier de lucht op te snuiven. ‘Kom, we zijn al veel te lang blijven staan.’
‘Ik weet niet of we wel met je mee moeten gaan,’ zei Gilthanas bruusk. ‘Wat weet je over de drakenbol?’
‘Vraag me dat niet!’ Opeens klonk Silvara’s stem diep en vol droefenis. Uit de blauwe ogen waarmee ze Gilthanas aankeek sprak zo veel liefde dat hij het niet kon verdragen. Hij schudde zijn hoofd om haar blik te kunnen ontwijken. Silvara pakte hem bij zijn arm. ‘Toe, shalori, mijn liefste, vertrouw me. Weet je nog waar we bij de poel over hebben gepraat? Je zei dat je tegen de wensen van je volk bent ingegaan en jezelf tot een verschoppeling hebt gemaakt omdat je diep in je hart gelooft dat je er goed aan doet. Ik zei dat ik het begreep omdat ik dezelfde beslissing heb moeten nemen. Geloofde je me soms niet?’
Even bleef Gilthanas met gebogen hoofd staan. ‘Ik geloofde je,’ zei hij zachtjes. Hij trok haar naar zich toe en drukte een kus op haar zilverkleurige haar. ‘We gaan met je mee. Kom, Laurana.’ Met hun armen om elkaar heen sjokte het tweetal door de sneeuw.
Laurana keek de anderen uitdrukkingsloos aan. Ze ontweken haar blik. Alleen Theros kwam naar haar toe.
‘Ik leef al bijna vijftig jaar op deze wereld, jongedame,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik weet dat dat niet lang is voor een elf. Maar wij mensen benutten onze jaren ten volle, we laten ze niet zomaar voorbijgaan. En ik kan jeéén ding vertellen: een oprechtere liefde dan die van dat meisje voor jouw broer heb ik nog nooit mogen aanschouwen. En hij houdt van haar. Het kwaad is niet tot een dergelijke liefde in staat. Alleen al vanwege die liefde zou ik hen volgen tot in het hol van een draak.’
De smid liep achter het tweetal aan.
‘Ook ik zou hen volgen tot in het hol van een draak, zeker als die bereid zou zijn mijn bevroren tenen te verwarmen.’ Flint stampte op de grond. ‘Kom, we gaan.’ Hij greep Tas vast en sleurde hem mee, achter de smid aan.
Als enige bleef Laurana staan. Dat ook zij zou volgen, stond vast. Ze had geen keus. Ze wilde Theros geloven. Ooit zou ze hebben geloofd dat de wereld zo in elkaar zat. Maar nu wist ze dat veel dingen waarin ze had geloofd niet klopten. Waarom de liefde dan wel?
Het enige wat ze voor haar geestesoog zag, waren de kolkende kleuren van de drakenbol.
De reisgenoten reisden naar het oosten, in de richting van de sombere, vallende duisternis. Zodra ze de hoge bergpas achter zich hadden gelaten, werd ademhalen makkelijker. De bevroren rotsen maakten plaats voor stakerige dennen, en al snel bevonden ze zich midden in een bos. Vol zelfvertrouwen leidde Silvara hen uiteindelijk naar een in mist gehulde vallei.
De wilde elf leek het niet meer belangrijk te vinden om hun sporen te verbergen. Het enige waar ze nu nog om gaf, was snelheid. Ze spoorde de groep aan alsof ze het wilde winnen van de zon. Toen de avond viel, lieten ze zich in de door bomen begrensde duisternis op de grond vallen, te moe om zelfs maar te eten. Silvara gunde hun pijnlijke lichamen echter maar een paar uurtjes rusteloze slaap. Zodra de rode en zilveren maan opkwamen, bijna vol nu, moesten ze weer verder.
Als iemand vermoeid vroeg waarom ze zoveel haast had, antwoordde ze slechts: ‘Ze zijn dichtbij. Ze zijn heel dichtbij.’
Allemaal namen ze aan dat ze het over de elfen had, al had Laurana allang niet meer het gevoel dat ze door donkere gestalten werden achtervolgd.
De dag brak aan, maar het licht werd tegengehouden door een mist zo dik dat Tasselhof het gevoel had dat hij er probleemloos een handvol van in zijn zak zou kunnen stoppen. De reisgenoten liepen dicht bij elkaar en moesten zelfs elkaars hand vasthouden om te voorkomen dat ze elkaar zouden kwijtraken. Het werd langzaam maar zeker warmer. Ze deden hun natte, zware mantels uit terwijl ze over een pad strompelden dat onder hun voeten uit het niets leek te ontstaan. Silvara liep voor hen uit. De zachte glans van haar zilverkleurige haar was hun enige baken.
Eindelijk werd de grond onder hun voeten vlak, hielden de bomen op en liepen ze over gras dat door de winter bruin was geworden. Geen van allen konden ze ver kijken in de grijze mist, maar ze hadden de indruk dat ze over een grote open plek liepen.