Выбрать главу

‘Dit is de Mistheemvallei,’ zei Silvara in antwoord op hun vragen. ‘Lang geleden, voor de Catastrofe, was dit een van de mooiste plekken op Krynn... Dat beweert mijn volk althans.’

‘Misschien zou het hier nog steeds mooi zijn,’ mopperde Flint, ‘als die vervloekte mist er niet was.’

‘Nee,’ zei Silvara bedroefd. ‘Zoals op zoveel plekken op deze wereld is de schoonheid van Mistheem vervlogen. Ooit leek Fort Mistheem boven op de mist te rusten, alsof het boven de wolken zweefde, ’s Ochtends werd de mist roze gekleurd door de opkomende zon, en tegen de middag trok hij op zodat de hoge torenspitsen van het fort tot mijlen in de omtrek zichtbaar waren, ’s Avonds keerde de mist weer en bedekte het fort als een deken, ’s Nachts viel het zachte licht van de rode en zilveren maan erop. Pelgrims kwamen vanuit de verste uithoeken van Krynn.’ Abrupt hield Silvara haar mond. ‘Hier slaan we vannacht ons kamp op.’

‘Wat voor pelgrims?’ vroeg Laurana terwijl ze haar reistas op de grond liet vallen.

Silvara haalde haar schouders op. ‘Weet ik niet,’ zei ze met afgewend gezicht. ‘Het is slechts een legende van mijn volk. Wie weet is het niet eens waar. Tegenwoordig komt hier in elk geval niemand meer.’

Ze liegt, dacht Laurana, maar ze zei niets. Ze was te moe om zich er druk om te maken. En zelfs Silvara’s zachte, vriendelijke stem leek onnatuurlijk luid en storend in de griezelige stilte. Zwijgend spreidden de reisgenoten hun dekens. Eveneens zwijgend aten ze wat. Lusteloos knabbelden ze aan het gedroogde fruit dat ze hadden meegenomen. Zelfs de kender was stil. De mist drukte als een loden last op hun schouders. Het enige wat ze hoorden was het gestage gedrup van water op de met dode bladeren bedekte bodem van het bos.

‘Slaap nu,’ zei Silvara zachtjes terwijl ze vlak naast Gilthanas haar deken spreidde, ‘want zodra de zilveren maan zijn hoogste punt bereikt, moeten we weer op pad.’

‘Wat maakt het uit?’ vroeg de kender gapend. ‘We kunnen hem toch niet zien.’

‘Toch moeten we dan vertrekken. Ik maak jullie wel wakker.’

‘Zodra we terug zijn uit Sancrist, na de Raad van de Wittesteen, kunnen we trouwen,’ zei Gilthanas zachtjes tegen Silvara toen ze in elkaars armen onder zijn dekens lagen.

Het meisje roerde zich in zijn armen. Hij voelde haar zachte haar langs zijn wang strijken, maar ze zei niets.

‘Maak je geen zorgen om mijn vader,’ zei Gilthanas glimlachend terwijl hij haar schitterende haar streelde, dat zelfs in het donker glansde.

‘Hij zal een tijdje streng en grimmig doen, maar ik ben de jongste broer en het kan niemand schelen wat er met mij gebeurt. Porthios zal vloeken en tieren, maar aan hem besteden we geen aandacht. We hoeven niet bij mijn volk te leven. Ik weet niet of ik me bij jouw volk zou kunnen handhaven, maar dat kan ik wel leren. Ik kan goed schieten met pijl en boog. En ik zou het fijn vinden als onze kinderen frank en vrij in de wildernis zouden kunnen opgroeien... Wat... Silvara, waarom huil je?’

Gilthanas hield haar dicht tegen zich aan terwijl ze haar gezicht tegen zijn schouder drukte en bitter snikte. ‘Stil maar, stil maar,’ fluisterde hij sussend, glimlachend in de duisternis. Wat waren vrouwen toch merkwaardige wezens. Hij vroeg zich af wat hij verkeerd had gezegd. ‘Sst, Silvara,’ prevelde hij. ‘Het komt wel goed.’ En Gilthanas viel in slaap, dromend over kinderen met zilverkleurig haar die door het groene bos renden.

‘Het is tijd. We moeten vertrekken.’

Laurana voelde een hand op haar schouder die haar zachtjes schudde. Ze schrok op uit een vage, beangstigende droom waarvan ze zich niets kon herinneren, en zag dat de wilde elf naast haar op haar knieën zat.

‘Ik ga de anderen wakker maken,’ zei Silvara, en met die woorden was ze weg.

Vermoeider dan wanneer ze niet had geslapen, pakte Laurana werktuiglijk haar spullen in en wachtte rillend in de duisternis op de anderen. Naast zich hoorde ze de dwerg kreunen. De vochtige lucht bezorgde hem veel pijn in zijn gewrichten. De reis was Flint zwaar gevallen, besefte Laurana. Hoe oud was hij inmiddels, honderdvijftig? Een respectabele leeftijd voor een dwerg. Tijdens zijn ziekte op zee was zijn gezicht bleker geworden. Zijn lippen, die onder zijn baard maar net te zien waren, hadden een blauwe tint, en nu en dan drukte hij zijn hand tegen zijn borst. Hij hield echter stug vol dat hem niks mankeerde en hield hen op het pad goed bij.

‘Klaar voor de start!’ riep Tas. Zijn schrille stem galmde griezelig door de mist, en hij had sterk het gevoel dat hij iets had verstoord. ‘Het spijt me,’ zei hij ineenkrimpend. ‘Jemig,’ mompelde hij tegen Flint, ‘het lijkt wel of we in een tempel zijn.’

‘Mond houden en lopen!’ snauwde de dwerg.

Er vlamde een toorts op. De reisgenoten schrokken van het onverwachte, verblindende licht in Silvara’s handen.

‘We hebben licht nodig,’ zei ze voordat iemand tegenwerpingen kon maken. ‘Maak je geen zorgen. De vallei waarin we ons bevinden is verzegeld. Lang geleden waren er twee ingangen. De ene leidde naar het land van de mensen, waar de ridders hun buitenpost hadden. De andere leidde naar het land van de ogers in het oosten. Beide passen zijn tijdens de Catastrofe verloren gegaan. We hoeven niet bang te zijn. Ik heb jullie hiernaartoe gebracht langs een weg die alleen ik ken.’

‘En je volk,’ hielp Laurana haar op barse toon herinneren.

‘Ja, mijn volk...’ zei Silvara, en tot Laurana’s verbazing trok ze bleek weg.

‘Waar breng je ons naartoe?’ drong Laurana aan.

‘Dat zie je vanzelf. We zijn er binnen een uur.’

De reisgenoten keken elkaar aan en richtten toen hun vragende blikken op Laurana.

Verdorie, dacht ze. ‘Verwacht van mij geen antwoorden!’ zei ze boos. ‘Wat willen jullie dan doen? Hier blijven, verdwaald in de mist...’

‘Ik zal jullie niet verraden,’ mompelde Silvara moedeloos. ‘Toe, vertrouw me nog heel even.’

‘Loop maar,’ zei Laurana vermoeid. ‘We komen wel achter je aan.’

De mist leek zich nog dichter om hen heen samen te pakken, tot het licht van Silvara’s toorts het enige was wat de duisternis nog op afstand hield.

Ze hadden geen idee in welke richting ze trokken. Het landschap was onveranderlijk. Ze liepen door hoog gras. Er waren geen bomen.

Nu en dan doemde er een groot rotsblok op uit de duisternis, maar daar bleef het bij. Van nachtvogels of andere dieren was geen spoor te bekennen. Wel hing er een sfeer van ongeduld en onrust die steeds sterker werd, tot ze het allemaal voelden. Ze liepen zo snel mogelijk, maar bleven te allen tijde binnen de lichtkring van de toorts.

Zonder enige waarschuwing bleef Silvara staan.

‘We zijn er,’ zei ze en ze hief de toorts boven haar hoofd. Het licht sneed door de mist, en ze zagen allemaal iets schaduwachtigs. In eerste instantie doemde het zo spookachtig uit de mist op dat de reisgenoten het niet konden plaatsen.

Silvara ging dichterbij staan. Nieuwsgierig maar angstig volgden ze haar.

De stilte van de nacht werd verbroken door een geborrel als van kokend water in een enorme ketel. De mist werd dichter en het werd warm en benauwd.

‘Warmwaterbronnen!’ zei Theros toen het opeens tot hem doordrong. ‘Natuurlijk, dat verklaart de constante mist. En die donkere vorm...’

‘Is de brug die eroverheen loopt,’ antwoordde Silvara. Ze liet het toortslicht schijnen op wat ze nu herkenden als een glinsterende stenen brug boven het water dat onder hen borrelde en warme stoomwolken veroorzaakte.

‘Moeten we daaroverheen?’ riep Flint vol ontsteltenis uit terwijl hij keek naar het zwarte, kolkende water. ‘Moeten we over…’

‘Dit is de Overgangsbrug,’ zei Silvara.

Het antwoord van de dwerg bestond uit een moeizaam slikken.

De Overgangsbrug was een lange, gladde boog van zuiver wit marmer. Aan weerszijden waren reliëfs aangebracht van ridders die in een lange rij over het borrelende water liepen. De brug verhief zich zo ver dat ze door de kolkende mist het hoogste punt niet konden zien. En hij was oud, zo oud dat Flint, die eerbiedig zijn hand op de verweerde steen legde, de bouwstijl niet herkende. Het was geen werk van elfen, dwergen of mensen. Wie was verantwoordelijk voor dit schitterende staaltje vakmanschap?