Выбрать главу

Toen zag hij dat er geen balustrades waren, niets dan de marmeren brug zelf, en die was glad en vochtig van de stoom die aanéén stuk door uit het warme, borrelende water opsteeg.

‘Daar kunnen we niet overheen,’ zei Laurana met bevende stem. ‘En nu kunnen we geen kant op...’

‘We kunnen er wel overheen,’ zei Silvara, ‘want we zijn ontboden.’

‘Ontboden?’ herhaalde Laurana geërgerd. ‘Door wie? En waar moeten we naartoe?’

‘Wacht maar af,’ zei Silvara kortaf.

Ze wachtten. Iets anders konden ze toch niet doen. Allemaal staarden ze in het licht van de toorts om zich heen, maar het enige wat ze zagen was de stoom die uit het water opsteeg, en het enige wat ze hoorden was het gorgelen van de bronnen.

‘Dit is de tijd van Solinari,’ zei Silvara opeens, en met een grote armzwaai wierp ze haar toorts in het water.

De duisternis slokte hen op. Onwillekeurig gingen ze dichter bij elkaar staan. Samen met het licht leek ook Silvara te zijn verdwenen. Gilthanas riep haar, maar ze gaf geen antwoord.

Toen leek de mist in glanzend zilver te veranderen. Ze konden weer iets zien, en nu zagen ze Silvara’s donkere silhouet in de mist. Ze stond aan de voet van de brug omhoog te staren naar de hemel. Langzaam stak ze haar handen op, en langzaam week de mist uiteen, als twee handen met lange, sierlijke vingers. Aan de met sterren bezaaide hemel stond de zilveren maan, vol en stralend.

Silvara sprak vreemde woorden, en het maanlicht hulde haar in zijn schijnsel. Het scheen op het borrelende water en deed het sprankelen als dansend zilver. Het scheen op de marmeren brug en blies de ridders die eeuwig het water overstaken leven in.

Het kwam echter niet door die prachtige taferelen dat de reisgenoten elkaar met bevende handen vastpakten en elkaar omhelsden. Het kwam niet door het maanlicht op het water dat Flint keer op keer de naam van Reorx uitsprak in het eerbiedigste gebed dat ooit over zijn lippen was gekomen, of dat Laurana haar hoofd tegen de schouder van haar broer legde, terwijl haar blik werd vertroebeld door tranen, of dat Gilthanas haar stevig vasthield, overweldigd door angst, ontzag en eerbied.

Hoog boven hen, zo hoog dat hij met zijn kop de maan uit de lucht had kunnen stoten, zweefde een beeld van een draak, uit de flank van een berg gehouwen. In het licht van de maan had het een zilveren glans.

‘Waar zijn we?’ vroeg Laurana zachtjes. ‘Wat is dit voor een plek?’

‘Zodra je de Overgangsbrug bent overgestoken, sta je voor het monument van de Zilveren Draak,’ antwoordde Silvara al even zachtjes. ‘Die bewaakt de graftombe van Huma, ridder van Solamnië.’

8

De graftombe van Huma.

In het licht van Solinari glansde de Overgangsbrug over de borrelende bronnen van de Mistheemvallei als een zilveren ketting van zuivere parels.

‘Vrees niet,’ zei Silvara opnieuw. ‘De oversteek is alleen moeilijk voor hen die met kwade bedoelingen de graftombe willen betreden.’

De reisgenoten lieten zich echter niet zo gemakkelijk overtuigen. Angstig beklommen ze de paar treden die hen naar de brug zelf brachten. Van daaruit stapten ze aarzelend op de marmeren boog die zich voor hen omhoog welfde, vochtig glanzend door de stoom uit de bronnen. Silvara stak als eerste over, met lichte, soepele tred. De anderen liepen een stuk voorzichtiger achter haar aan en bleven zo goed mogelijk op het midden van de brug.

Aan de andere kant van de brug torende het monument van de Draak hoog boven hen uit. Ze wisten dat ze moesten opletten waar ze liepen, maar hun blik werd telkens weer getrokken door dat beeld. Keer op keer waren ze gedwongen te blijven staan om er vol ontzag naar te staren, terwijl onder hen de warmwaterbronnen borrelden en stoomden.

‘Ik durf te wedden dat dat water heet genoeg is om vlees in te koken,’ zei Tasselhof. Plat op zijn buik tuurde hij over de rand van het hoogste punt van de boogbrug.

‘Ik w-wed dat ik j-jou er ook in k-kan k-koken,’ stamelde de doodsbange dwerg, die op handen en voeten over de brug kroop.

‘Moet je kijken, Flint! Let op, ik heb een stuk vlees in mijn tas. Ik pak een touwtje en dan laten we het in het water zakken...’

‘Loop door!’ brulde Flint.

Met een zucht maakte Tas zijn buidel dicht. ‘Er valt met jou ook geen lol te beleven,’ klaagde hij, en hij liet zich op zijn achterwerk aan de andere kant van de brug afglijden.

Voor de rest van de reisgenoten was het een angstaanjagende oversteek, en allemaal slaakten ze een diepe zucht van verlichting toen ze aan de andere kant van de brug eindelijk weer vaste grond onder de voeten hadden.

Niemand had tijdens de oversteek iets tegen Silvara gezegd, want ze werden te zeer in beslag genomen door de noodzaak om levend aan de overkant te komen. Zodra ze er echter waren, begon Laurana meteen vragen te stellen.

‘Waarom heb je ons hiernaartoe gebracht?’

‘Vertrouw je me nu nog steeds niet?’ vroeg Silvara bedroefd.

Laurana aarzelde. Haar blik werd opnieuw getrokken door de enorme stenen draak, die een kroon van sterren leek te dragen. De stenen bek was opengesperd in een geluidloze kreet, en er lag een felle blik in de stenen ogen. De vleugels waren uit de flank van de berg gehouwen. Een klauw zo dik als de stammen van honderd vall enbomen was naar voren uitgestoken.

‘Je stuurt de drakenbol weg en brengt ons dan naar een monument dat is opgedragen aan een draak,’ zei Laurana na een tijdje met bevende stem. ‘Wat moet ik dan denken? En je beweert dat dit de graftombe van Huma is. We weten niet eens of Huma wel echt heeft geleefd of gewoon een legende is. Kun je bewijzen dat dit zijn laatste rustplaats is? Ligt zijn lichaam hier?’

‘N-nee,’ stamelde Silvara. ‘Zijn lichaam is verdwenen, net als…’

‘Net als wat?’

‘Net als de lans die hij droeg, de Drakenlans die hij heeft gebruikt om de Draak van Alle en Geen Kleuren te doden.’ Zuchtend boog Silvara het hoofd. ‘Kom binnen,’ smeekte ze, ‘en rust goed uit vannacht. Morgen zal alles duidelijk worden, dat beloof ik.’

‘Ik vind niet...’ begon Laurana.

We gaan naar binnen!’ zei Gilthanas ferm. ‘Je gedraagt je als een verwend kind, Laurana. Waarom zou Silvara ons bewust in gevaar brengen? Als hier nog een draak leefde, zou iedereen op Ergoth dat toch zeker weten. Dan kon hij lang geleden iedereen op dit eiland al gedood hebben. Ik voel geen kwade aanwezigheid hier, alleen een diepe, oeroude vrede. En het is een volmaakte schuilplaats. Binnenkort zullen de elfen het bericht ontvangen dat de bol veilig in Sancrist is aangekomen. Dan zullen ze hun zoektocht staken en kunnen we weggaan. Dat klopt toch, Silvara? Daarom heb je ons toch hiernaartoe gebracht?’

‘Ja,’ zei Silvara zachtjes. ‘D-dat was mijn plan. Kom nu snel, nu de zilveren maan nog schijnt, want alleen dan kunnen we naar binnen.’

Met Silvara’s hand in de zijne liep Gilthanas de glanzend zilveren mist in. Tas huppelde met dansende buidels voor hen uit. Flint en Theros volgden iets langzamer, en Laurana nog trager. Haar angsten waren niet weggenomen door Gilthanas’ nonchalante uitleg en Silvara’s schoorvoetende instemming. Ze kon echter nergens anders naartoe, en ze moest toegeven dat ze bijzonder nieuwsgierig was.

Het gras aan de andere kant van de brug was vlak en lag plat door de vochtige stoomwolken, maar de grond begon te rijzen toen ze het lijf van de uit de bergwand gehakte draak bereikten. Opeens bereikte Tasselhofs stem hen vanuit de mist, want hij was ver voor de groep uit gerend.

‘Raistlin!’ hoorden ze hem verstikt uitroepen. ‘Hij is in een reus veranderd!’

‘De kender is gek geworden,’ zei Flint met een somber soort tevredenheid. ‘Ik heb het altijd al gedacht...’

De reisgenoten renden op Tasselhof af, die wijzend op en neer stond te springen. Happend naar adem bleven ze naast hem staan.

‘Bij de baard van Reorx,’ verzuchtte Flint vol ontzag. ‘Het is inderdaad Raistlin!’