Выбрать главу

Uit de kolkende mist doemde een negen voet hoog stenen standbeeld op, een volmaakte weergave van de jonge magiër. Het klopte tot in het kleinste detail, want er was zelfs gedacht aan de cynische, verbitterde uitdrukking op zijn gezicht en zijn ogen met de zandlopervormige pupillen.

‘En daar is Caramon!’ riep Tas uit.

Een paar passen verderop stond een tweede standbeeld, van de krijger en tweelingbroer van de magiër deze keer.

‘En Tanis...’ fluisterde Laurana angstig. ‘Wat is dit voor een kwade magie?’

‘Het is geen kwade magie,’ zei Silvara, ‘tenzij je zelf het kwaad met je meebrengt. In dat geval zou je op de standbeelden de gezichten van je ergste vijanden hebben gezien. De angst en afschuw die ze bij je zouden opwekken, zouden je ervan weerhouden om naar binnen te gaan. Maar jullie zien alleen je vrienden, dus kunnen jullie veilig binnentreden.’

‘Ik zou Raistlin niet bepaald tot mijn vrienden rekenen,’ mompelde Flint.

‘Ik ook niet,’ zei Laurana. Huiverend en aarzelend liep ze langs de kille beeltenis van de magiër. Zijn gitzwarte gewaad van obsidiaan glansde in het licht van de maan. Laurana herinnerde zich levendig de nachtmerrie over Silvanesti, en ze huiverde toen ze binnentrad in wat ze nu herkende als een kring van stenen beelden, die allemaal een opvallende, welhaast beangstigende gelijkenis vertoonden met haar vrienden. In die stille stenen ring stond een kleine tempel.

Het eenvoudige rechthoekige gebouw waarvan de bovenkant in de mist verdween, stond op een achthoekige verhoging van glanzende traptreden. Ook de tempel was opgetrokken uit obsidiaan, waarop talloze druppeltjes van de eeuwige mist fonkelden, en zag eruit alsof het nog maar een paar dagen geleden was gebouwd. De scherpe, strakke lijnen van de reliëfs vertoonden geen teken van slijtage. Nog steeds trokken ridders, ieder met een drakenlans, ten strijde tegen enorme monsters. De draken krijsten geluidloos hun doodskreet, doorboord door de lange, dunne staken.

‘In deze tempel is het lichaam van Huma opgebaard,’ zei Silvara zachtjes terwijl ze hen voorging, de trap op.

Koude bronzen deuren zwaaiden open op geruisloze scharnieren zodra Silvara ze aanraakte. Onzeker bleven de reisgenoten op de trap staan die helemaal om de zuilengalerij van de tempel heen liep. Maar zoals Gilthanas al had gezegd, voelden ze geen kwade aanwezigheid. Laurana herinnerde zich nog levendig de tombe van de Koninklijke Garde in de Sla-Mori, en de doodsangst die ze hadden gevoeld voor de ondode wachters die eeuwig de wacht hielden bij hun dode koning Kith-Kanan. In deze tempel voelde ze slechts rouw en verdriet, getemperd door de wetenschap dat er een grote overwinning was behaald, dat er een strijd was gewonnen die een hoge tol had geëist, maar die eeuwige rust en vrede had gebracht.

Laurana voelde haar last lichter worden en haar hart opveren. Haar eigen rouw en verdriet leken hier minder te worden. Ze werd herinnerd aan haar eigen overwinningen en triomfen. Een voor een betraden alle reisgenoten de tombe. Achter hen vielen de bronzen deuren dicht, en het werd volledig donker.

Toen laaide er een vuur op. Silvara had een toorts in haar hand, die ze kennelijk van de muur had gehaald. Even vroeg Laurana zich af hoe ze erin was geslaagd hem aan te steken, maar die onbeduidende vraag ontglipte haar zodra ze vol ontzag de tombe bekeek.

Het vertrek was leeg, afgezien van een uit obsidiaan vervaardigde baar die in het midden stond en die werd gedragen door beelden van ridders. Het lichaam van de ridder die er had moeten liggen, was echter verdwenen. Aan de voet lag een oud schild, met ernaast een zwaard dat leek op dat van Sturm. De reisgenoten staarden zwijgend naar de oude voorwerpen. Allemaal hadden ze het gevoel dat ze de droevige sereniteit die er heerste zouden bezoedelen als ze iets zeiden, en niemand raakte de voorwerpen aan, zelfs Tasselhof niet.

‘Kon Sturm hier maar bij zijn,’ prevelde Laurana terwijl ze met tranen in haar ogen om zich heen keek. ‘Dit móét wel Huma’s laatste rustplaats zijn... en toch…’

Ze kon de groeiende onrust die haar bekroop niet verklaren. Het was geen angst, maar iets wat leek op de sfeer die ze had gevoeld toen ze in de vallei waren aangekomen: een soort ongeduld.

Silvara stak nog meer toortsen aan die aan de muur hingen, en de reisgenoten liepen nieuwsgierig rond door de tombe. Die was niet groot. De baar stond in het midden en tegen de muren stonden stenen bankjes, waarschijnlijk bedoeld als zitplaats voor de rouwenden terwijl ze de laatste eer bewezen. Helemaal achterin stond een klein stenen altaar. In het oppervlak ervan waren de symbolen van de ridderordes uitgesneden: de kroon, de roos, de ijsvogel. Er lagen gedroogde rozenblaadjes en kruiden, en de zoete geur ervan hing zelfs na al die eeuwen nog steeds in de lucht. Onder het altaar, verzonken in de stenen vloer, zat een grote ijzeren plaat.

Terwijl Laurana nieuwsgierig naar die plaat stond te kijken, kwam Theros naast haar staan.

‘Wat zou dat zijn, denk je?’ vroeg ze. ‘Een put?’

‘Laten we eens kijken,’ bromde de smid. Hij bukte, pakte de ring die aan de plaat bevestigd was met zijn zilveren hand vast en trok eraan. In eerste instantie gebeurde er niets. Vervolgens vouwde Theros zijn andere hand ook om de ring en trok er uit alle macht aan. Met een geluid als een kreun kwam de ijzeren plaat los, en met een geschraap en gepiep dat de rillingen over je rug deed lopen schoof hij over de vloer.

‘Wat heb je gedaan?’ Silvara, die droevig naar de baar had staan kijken, draaide zich met een ruk naar hen om.

Theros ging verbaasd rechtop staan toen hij hoorde hoe schril haar stem klonk. Onwillekeurig deinsde Laurana achteruit, bij het gat in de vloer vandaan. Beiden staarden ze naar Silvara.

‘Kom daar niet bij in de buurt!’ waarschuwde de wilde elf met bevende stem. ‘Blijf op afstand! Het is gevaarlijk!’

Laurana herstelde zich snel. ‘Hoe weet je dat?’ vroeg ze koeltjes. ‘Hier is al eeuwen niemand meer geweest, ofwel soms?’

‘Nee,’ zei Silvara. Ze beet op haar lip. ‘Ik... ik weet het vanwege de... legenden van mijn volk…’

Zonder acht te slaan op het meisje liep Laurana naar de rand van het gat en tuurde erin. Het was stikdonker. Zelfs toen ze de toorts erbij hield die Flint voor haar van de muur had gehaald, kon ze niets zien. Er kwam een vage, muffe lucht uit het gat, maar dat was alles.

‘Ik denk niet dat het een put is,’ zei Tas, die dicht bij Laurana ging staan om goed te kunnen kijken.

‘Blijf erbij vandaan, toe!’ smeekte Silvara.

‘Ze heeft gelijk, kleine dief.’ Theros greep Tas vast en trok hem bij het gat vandaan. ‘Als je daarin valt, kom je misschien wel helemaal aan de andere kant van de wereld uit.’

‘Echt waar?’ vroeg Tasselhof ademloos. ‘Zou ik echt helemaal naar de andere kant vallen, Theros? Ik vraag me af hoe dat zou zijn. Zouden daar ook mensen zijn? Zoals wij?’

‘Geen kenders, hopelijk,’ mopperde Flint. ‘Anders zijn ze inmiddels allemaal aan verregaande stupiditeit gestorven. En trouwens, iedereen weet dat de wereld op het aambeeld van Reorx rust. Als je naar de andere kant valt, kom je terecht tussen zijn hamerslagen en de wereld die nog wordt gesmeed. Mensen aan de andere kant, wat een kolder!’ Snuivend keek hij toe terwijl Theros vruchteloos probeerde de plaat op zijn plek te schuiven. Tasselhof stond er nog steeds nieuwsgierig naar te staren. Uiteindelijk was Theros gedwongen het op te geven, maar hij keek de kender net zo lang boos aan tot die met een zucht naar de stenen baar slenterde om daar verlangend naar het schild en het zwaard te gaan staan staren.

Flint trok aan Laurana’s mouw. Ze was heel ergens anders met haar gedachten, dus vroeg ze afwezig: ‘Wat is er?’

‘Ik weet iets van steenbewerking,’ zei de dwerg zachtjes, ‘en er is hier iets heel merkwaardigs aan de hand.’ Hij zweeg even en keek naar Laurana, bang dat ze hem zou uitlachen. Maar ze luisterde aandachtig naar hem. ‘De tombe en de standbeelden eromheen zijn het werk van mensen. Ze zijn oud...’

‘Oud genoeg om de tombe van Huma te zijn?’ vief Laurana hem in de rede.