‘Jazeker, helemaal.’ De dwerg knikte nadrukkelijk. ‘Maar dat grote beest buiten’ — hij gebaarde in de richting van de reusachtige stenen draak — ‘is niet door mensenhanden, elfenhanden of dwergenhanden vervaardigd.’
Laurana knipperde niet-begrijpend met haar ogen.
‘En het is nog ouder,’ zei de dwerg. Zijn stem werd hees. ‘Zo oud dat dit’ — hij gebaarde naar de tombe — ‘in vergelijking bijna... modern is.’
Laurana begon het te begrijpen. Toen Flint zag dat ze haar ogen opensperde, knikte hij langzaam en plechtig.
‘Dat beeld is niet van de hand van een wezen dat op twee benen op Krynn rondloopt,’ zei hij.
‘Het moet een enorm sterk wezen zijn geweest,’ prevelde Laurana. ‘Een reusachtig wezen…’
‘Met vleugels...’
‘Met vleugels.’
Opeens zweeg Laurana. Een rilling van angst liep over haar rug toen ze iemand plechtig woorden hoorde uitspreken, woorden die ze herkende als de vreemde, ijle taal van de magie.
‘Nee!’ Ze draaide zich om en hief instinctief haar hand om zichzelf te beschermen tegen de betovering, wetend dat het zinloos was.
Bij het altaar stond Silvara rozenblaadjes in haar hand te verkruimelen en zachtjes woorden te prevelen.
Laurana vocht tegen de magische slaperigheid die haar overviel. Ze viel op haar knieën, vervloekte haar dwaasheid en klampte zich aan een stenen bankje vast om niet te vallen. Maar het hielp niet. Toen ze haar door slaap vertroebelde ogen opsloeg, zag ze Theros omvallen en Gilthanas op de grond zijgen. Achter haar snurkte de dwerg al voordat zijn hoofd tegen het bankje sloeg. Ze hoorde gekletter, het geluid van een schild dat op de grond viel. Toen was er opeens de geur van rozen.
9
De verrassende ontdekking van de kender.
Tasselhof hoorde Silvara vreemde woorden uitspreken die hij herkende als een toverspreuk. In een instinctieve reactie greep hij het schild dat op de baar lag en gaf er een ruk aan. Het zware schild viel boven op hem, kletterde galmend tegen de vloer en drukte hem plat tegen de grond. Tas ging er volledig onder schuil.
Hij bleef doodstil liggen tot hij hoorde dat Silvara klaar was. Zelfs toen wachtte hij nog een tijdje om te zien of hij soms in een kikker zou veranderen of in vlammen zou opgaan of zoiets interessants. Dat gebeurde niet, tot zijn grote teleurstelling. Hij hoorde Silvara niet eens meer. Uiteindelijk ging het hem vervelen om in het donker op de koude stenen vloer te liggen, dus kroop hij zo stilletjes als een neerdwarrelend veertje onder het grote schild vandaan.
Al zijn vrienden lagen te slapen. Dus dat was de spreuk die ze had gebruikt. Maar waar was Silvara? Was ze een of ander verschrikkelijk monster gaan halen om hen te verslinden?
Voorzichtig tilde Tas zijn hoofd op, zodat hij over de baar heen kon gluren. Tot zijn verbijstering zag hij Silvara bij de ingang van de tombe op haar hurken zitten. Ze wiegde heen en weer en kreunde zachtjes.
‘Hoe kan ik hiermee doorgaan?’ hoorde Tas haar tegen zichzelf zeggen. ‘Ik heb hen hier gebracht. Is dat niet genoeg? Nee!’ Diep ongelukkig schudde ze haar hoofd. ‘Nee, ik heb de bol weggestuurd. Ze weten niet hoe ze hem moeten gebruiken. Ik moet de eed verbreken. Het is zoals je al zei, zuster, de keus is aan mij. Maar wat is het moeilijk! Ik hou van hem...’
Snikkend en verdwaasd in zichzelf mompelend begroef Silvara haar gezicht in haar handen. Zoveel verdriet had de teerhartige kender nog nooit gezien, en hij wilde niets liever dan haar troosten. Toen besefte hij echter dat het niet zo best klonk wat ze allemaal zei over een eed die ze moest verbreken en een keus die moeilijk was.
Nee, dacht Tas, ik kan maar beter maken dat ik hier wegkom voordat ze beseft dat haar spreuk zijn uitwerking op mij heeft gemist.
Silvara blokkeerde echter de ingang van de tombe. Hij kon proberen om langs haar heen te sluipen... Tas schudde zijn hoofd. Te riskant.
Het gat! Meteen klaarde hij op. Dat wilde hij toch al wat beter bekijken. Hij kon alleen maar hopen dat de deksel er nog aflag.
Op zijn tenen sloop de kender om de baar heen naar het altaar. Daar was het gapende gat, nog steeds open. Theros lag ernaast te slapen als een os, met zijn hoofd op zijn zilveren arm. Na een vluchtige blik achterom op Silvara liep Tas geruisloos naar de rand.
Het zou in elk geval een betere plek zijn om zich te verschuilen dan waar hij nu was. Er was geen trap, maar hij zag handgrepen aan de muur. Een behendige kender als hij zou probleemloos naar beneden moeten kunnen klimmen. Misschien leidde het gat wel naar buiten. Opeens hoorde Tas achter zich een geluid. Silvara, die zuchtend in beweging kwam...
Zonder er verder over na te denken liet Tas zich stilletjes in het gat zakken en begon aan de afdaling. De wanden waren glad van het vocht en het mos, en de handgrepen zaten ver uit elkaar. Gemaakt voor mensen, dacht hij gepikeerd. Niemand dacht ooit aan de kleine lieden!
Hij was zo druk bezig met andere dingen dat hij de edelstenen pas zag toen hij er bijna bovenop stond.
‘Bij de baard van Reorx!’ vloekte hij. (Hij was erg gesteld op die verwensing, die hij van Flint had overgenomen.) Zes prachtige edelstenen, elk zo groot als zijn vuist, waren in een horizontale kring in de wand van de schacht geplaatst. Ze waren bedekt met mos, maar Tas kon inéén oogopslag zien hoe kostbaar ze waren.
‘Waarom zou iemand zulke schitterende edelstenen hier neerleggen?’ vroeg hij zich hardop af. ‘Ik durf te wedden dat het een dief was. Ik kan ze wel loswrikken, dan geef ik ze terug aan de rechtmatige eigenaar.’ Hij legde zijn hand op een van de edelstenen.
Een sterke windvlaag schoot door de schacht en rukte de kender van de muur met het gemak waarmee een winterse storm een blaadje van een boom rukt. Terwijl hij viel, keek Tas omhoog, en hij zag het verlichte gat boven aan de schacht steeds kleiner worden. Even vroeg hij zich af hoe groot die hamer van Reorx eigenlijk was, maar toen kwam er een eind aan zijn val.
Even deed de wind hem over de kop tuimelen. Toen veranderde hij van richting en blies hem opzij. Dus ik ga toch niet naar de andere kant van de wereld, dacht hij teleurgesteld. Zuchtend zeilde hij door een nieuwe tunnel, waarna hij opeens opsteeg. Een krachtige wind blies hem door een schacht omhoog. Het was een ongebruikelijke ervaring, en tamelijk opwindend. Instinctief spreidde hij zijn armen om te zien of hij de zijkanten kon aanraken van wat het ook was waarin hij zich bevond. Zodra hij dat deed, merkte hij dat hij sneller steeg, zwevend op de sterke luchtstroom.
Misschien ben ik dood, dacht Tas. Ik ben dood en nu ben ik lichter dan de lucht. Hoe kan ik dat controleren? Hij liet zijn armen zakken en zocht verwoed naar zijn buidels. De kender wist het niet zeker, want hij had slechts een heel vage notie van het leven na de dood, maar hij had sterk het gevoel dat hij zijn spullen niet zou mogen meenemen. Nee, alles was er nog. Tas slaakte een zucht van verlichting, die echter overging in een moeizaam slikken toen hij besefte dat hij afremde en zelfs begon te zakken.
Hoe kan dat nou, dacht hij geschrokken, maar toen besefte hij dat hij beide armen strak langs zijn lichaam hield. Snel stak hij ze weer uit, en inderdaad, nu steeg hij weer. Ervan overtuigd dat hij niet dood was, gaf hij zich over aan de vlucht. Hij genoot ervan.
Fladderend met zijn handen draaide de kender zich op zijn rug, zodat hij kon zien waar hij naartoe ging.
Aha, ver boven hem was een lichtpuntje dat snel groter en feller werd. Nu kon hij zien dat hij in een schacht zweefde, maar deze was veel langer dan de schacht waar hij in was gevallen.
‘Wacht maar tot Flint dit hoort!’ zei hij verlangend. Toen ving hij een glimp op van zes edelstenen, net als in de andere schacht. De suizende wind nam in kracht af.
Juist op het moment dat hij besloot dat hij best kon wennen aan vliegen als een manier van leven, bereikte Tas de mond van de schacht. De luchtstroom hield hem op gelijke hoogte met de stenen vloer van een met toortsen verlicht vertrek. Tas wachtte nog even om te zien of hij verder zou vliegen, en wapperde zelfs even met zijn armen, maar er gebeurde niets. Kennelijk was zijn vlucht ten einde.