Выбрать главу

Als ik hier toch ben, kan ik net zo goed even rondkijken, dacht de kender met een zucht. Hij sprong uit de luchtstroom, landde lichtvoetig op de stenen vloer en ging op verkenning uit.

Aan de muur hingen verscheidene brandende toortsen die het vertrek in een felle, witte gloed hulden. Deze ruimte was veel groter dan de graftombe. Hij stond onder aan een brede trap. De enorme stenen platen op de treden waren, net als al het andere steen in de kamer, zuiver wit, heel anders dan het zwarte steen van de tombe. De trap boog af naar rechts en leidde zo te zien naar een andere verdieping in dezelfde ruimte. Boven zich zag hij een balustrade in het verlengde van de trap, dus kennelijk was daar een soort balkon. Tas brak zijn nek bijna, zo ver rekte hij hem om alles goed te kunnen zien, en hij dacht in het licht van de toortsen op de tegenoverliggende muur felgekleurde vegen en vlekken te zien.

Wie had die toortsen eigenlijk aangestoken, vroeg hij zich af. Wat is dit voor iets? Hoort het nog bij Huma’s tombe, of ben ik de Drakenberg ingevlogen? Wie woont hier? Die toortsen zijn niet vanzelf in brand gevlogen!

Bij die gedachte pakte Tas voor de zekerheid zijn kleine dolk uit zijn tuniek. Met zijn wapen in zijn hand liep hij de brede trap op, en hij kwam inderdaad op een balkon uit. Het was een enorme ruimte, maar in het flakkerende licht kon hij er maar weinig van zien. Reusachtige pilaren ondersteunden het plafond. Vanaf het balkon liep een tweede trap naar alweer een volgende verdieping. Tas draaide zich om en leunde tegen de balustrade om de muur achter zich te kunnen bekijken.

‘Bij de baard van Reorx!’ zei hij zachtjes. ‘Moet je dat zien!’

‘Dat’ was een schilderij. Een muurschildering, om precies te zijn. Hij begon pal tegenover Tas, boven aan de trap, en liep helemaal om het balkon heen door,één en al schitterende kleur. De kender had weinig belangstelling voor kunst, maar zelfs hij kon zich niet herinneren dat hij ooit zoiets moois had gezien. Of wel? Om de een of andere reden kwam het hem bekend voor. Ja, hoe langer hij ernaar keek, hoe sterker hij het gevoel kreeg dat hij het al eens had gezien.

Tas bestudeerde de schildering terwijl hij in zijn geheugen groef. Recht tegenover hem was een afschuwelijk tafereel afgebeeld, van draken in alle soorten, maten en kleuren die het land overspoelden. Steden gingen in vlammen op, net als Tarsis. Gebouwen stortten in, mensen sloegen op de vlucht. Het was een afschuwelijk beeld, en de kender liep er snel langs.

Met zijn blik strak op de muurschildering gericht liep hij over het balkon verder. Hij had net het middelste deel bereikt toen hij een kreetje slaakte.

‘De Drakenberg! Daar staat hij, op de muur!’ fluisterde hij, maar tot zijn schrik weergalmde zijn gefluister aan alle kanten. Na een snelle blik om zich heen sloop hij naar de andere kant van het balkon. Hij boog over de balustrade heen om de schildering beter te bekijken. Het was inderdaad een afbeelding van de Drakenberg, waar hij zich nu bevond. Alleen was de berg afgebeeld alsof een reus hem met zijn zwaard precies doormidden had gehakt.

‘Prachtig!’ verzuchtte de kender, die dol was op kaarten. ‘Natuurlijk,’ zei hij, ‘het is een plattegrond. En daar ben ik nu. Ik ben in de berg terechtgekomen.’ Hij keek nog eens om zich heen, en opeens snapte hij het. ‘Ik bevind me in de keel van de draak. Daarom heeft dit vertrek zo’n merkwaardige vorm.’ Hij draaide zich weer om naar de plattegrond. ‘Dat is de muurschildering en dat is het balkon waar ik op sta. En de zuilen...’ Langzaam draaide hij helemaal om zijn as. ‘Ja, dat is de brede trap.’ Opnieuw bekeek hij de plattegrond. ‘Hij leidt helemaal naar de kop! En daar is de schacht waar ik door omhoog ben gekomen. Een soort windkamer. Maar wie heeft dit gebouwd... en waarom?’

Tasselhof liep verder over het balkon, in de hoop dat hij in de muurschildering een aanwijzing zou vinden. Rechts van de galerij was nog een gevecht afgebeeld, maar dit vervulde hem niet met afschuw. Er waren rode, zwarte, blauwe en witte draken die vuur en ijs spuwden, maar er waren andere draken die tegen ze vochten, zilveren en gouden draken...

‘Ik weet het weer!’ riep Tasselhof. Schreeuwend als een wildeman begon de kender op en neer te springen. ‘Ik weet het weer! Ik weet het weer! Het was in Pax Tharkas. Fizban heeft het me laten zien. Er zijn ook goede draken op de wereld. Zij zullen ons helpen vechten tegen de slechte draken! We hoeven ze alleen maar te vinden. En daar heb je de drakenlansen!’

‘Potverdorie!’ snauwde iemand ergens onder de kender. ‘Je kunt hier niet eens rustig een dutje doen. Wat is dat allemaal voor kabaal? Je maakt genoeg herrie om de doden te doen ontwaken!’

Geschrokken draaide Tasselhof zich om, met zijn dolk in de aanslag. Hij had durven zweren dat hij alleen was. Maar nee. In een donker hoekje buiten het bereik van het toortslicht stond een stenen bank waarop een donkere, gemantelde figuur had gelegen die nu rechtop ging zitten. Hij schudde met zijn hoofd, rekte zich uit, stond op en liep snel de trap op, op de kender af. Tas had niet kunnen ontsnappen al had hij het gewild, en in feite was hij bijzonder nieuwsgierig. Hij deed zijn mond al open om het vreemde wezen te vragen wat hij was en waarom hij de keel van de Drakenberg had uitgekozen om een dutje in te doen, toen de figuur de lichtkring binnenstapte. Het was een oude man. Het was...

Tasselhofs dolk viel kletterend op de vloer. Slapjes liet hij zich tegen de balustrade vallen. Voor de eerste, laatste en enige keer in zijn leven was Tasselhof Klisvoet sprakeloos.

‘F-F-F...’ Er kwam geen woord over zijn lippen, alleen wat gekras.

‘Nou, wat is er? Zeg op!’ snauwde de oude man, die dreigend boven hem uittorende. ‘Daarnet maakte je nog kabaal voor tien. Wat is er aan de hand? Is je soms iets in het verkeerde keelgat geschoten?’

‘F-F-F...’ stotterde Tas zwakjes.

‘Ach, arme jongen. Je stottert nogal, hè? Spraakgebrek. Triest, triest. Hier...’ De oude man rommelde in zijn gewaad en maakte de ene zak na de andere open terwijl Tasselhof bevend naar hem staarde.

‘Aha,’ zei de oude man. Hij haalde een muntje tevoorschijn, drukte het in de gevoelloze hand van de kender en vouwde diens kleine, verstijfde vingers eroverheen. ‘En nu wegwezen. Ga maar een priester zoeken...’

‘Fizban!’ wist Tasselhof eindelijk uit te brengen.

‘Waar?’ De oude man draaide zich met een ruk om, hief zijn staf en staarde angstig in de duisternis. Toen leek er een gedachte bij hem op te komen. Hij draaide zich weer om en vroeg op luide fluistertoon aan Tas: ‘Zeg eens, weet je zeker dat je die Fizban hebt gezien? Die is toch dood?’

‘Ik dacht in elk geval van wel...’ zei Tas ellendig.

‘Dan moet hij niet zo lopen ronddolen en mensen aan het schrikken maken!’ verklaarde de oude man boos. ‘Ik zal eens een hartig woordje met hem spreken. Hé, jij daar!’ riep hij streng.

Tas stak zijn bevende hand uit en trok de oude man aan zijn gewaad. ‘Ik... ik weet het niet helemaal zeker, m-maar ik geloof dat jij Fizban bent.’

‘Nee, echt?’ vroeg de oude man verbijsterd. ‘Ik voelde me vanochtend wel een beetje ziekjes, maar ik had geen idee dat het zo erg was.’ Hij liet zijn schouders hangen. ‘Dus ik ben dood. Kapoeres. De pijp uit. Ik heb de kraaienmars geblazen.’ Wankel liep hij naar een bankje en plofte erop neer. ‘Was het een mooie begrafenis?’ vroeg hij. ‘Waren er veel mensen? Zijn er eenentwintig saluutschoten afgevuurd? Dat heb ik altijd gewild, eenentwintig saluutschoten bij mijn begrafenis.’

‘Ik, eh...’ stamelde Tas, die zich afvroeg wat een saluutschot was. ‘Nou, het was eerder een... herdenkingsdienst, zou je kunnen zeggen. Zie je, we konden je... eh... Hoe zal ik het eens uitdrukken?’

‘Stoffelijke overschot?’ opperde de oude man behulpzaam.

‘Eh... stoffelijke overschot... niet vinden.’ Tas bloosde. ‘We hebben wel gezocht, maar het stikte van de kippenveren... en er was een zwarte elf... en volgens Tanis mochten we van geluk spreken dat we er levend vanaf waren gekomen...’