‘Kippenveren!’ zei de oude man verontwaardigd. ‘Wat hebben kippenveren met mijn begrafenis te maken?’
‘We, eh... Jij, ik en Sestun. Herinner je je Sestun nog, de greppeldwerg? Nou, in Pax Tharkas was er zo’n gigantische ketting. En zo’n grote rode draak. We klampten ons vast aan de ketting en de draak spuwde er vuur op en toen brak hij en toen vielen we...’ — Tas begon op dreef te raken, want dit was een van zijn lievelingsverhalen geworden — ‘en toen wist ik dat we er geweest waren. We zouden doodvallen. Het was zeker zeventig voet naar beneden,’ — (telkens als Tas het verhaal vertelde werd die afstand groter)— ‘en jij was als eerste gevallen en ik hoorde je een spreuk opzeggen...’
‘Ja, ik ben best een goede tovenaar, moet je weten.’
‘Eh... ja,’ stamelde Tas, waarna hij snel verderging. ‘Je zei een spreuk op, vederval of zoiets. Maar goed, je zei alleen het eerste woord, “veder”, en opeens’ — de kender spreidde met een uitdrukking van ontzag op zijn gezicht zijn handen toen hij weer voor zich zag wat er was gebeurd — ‘waren er miljoenen kippenveren...’
‘En wat gebeurde er toen?’ vroeg de oude man dwingend terwijl hij Tas een por gaf.
‘O, eh... Nou, op dat punt wordt het allemaal een beetje, eh... vaag,’ zei Tas. ‘Ik hoorde een kreet en een bons. Eigenlijk meer een klets, en toen d-d-dacht ik dat jij dat was.’
‘Ik?’ schreeuwde de oude man. ‘Een klets!’ Hij keek de kender woedend aan. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven gekletst!’
‘En toen vielen Sestun en ik op de kippenveren, samen met de ketting. Ik heb gezocht, echt waar.’ Tas’ ogen vulden zich met tranen toen hij terugdacht aan zijn hartverscheurende zoektocht naar het lichaam van de oude man. ‘Maar er waren te veel veren... En buiten was een enorm tumult ontstaan omdat de draken slaags waren geraakt. Sestun en ik wisten de uitgang te bereiken, en toen kwamen we Tanis tegen, en ik wilde terug om nog een keer naar je te zoeken, maar dat mocht niet…’
‘Dus heb je me onder een berg kippenveren laten liggen?’
‘Het was echt een heel mooie herdenkingsdienst,’ stamelde Tas. ‘Goudmaan heeft een toespraak gehouden, en Elistan ook. Elistan ken je niet, maar je kent Goudmaan toch nog wel? En Tanis?’
‘Goudmaan...’ prevelde de oude man. ‘O ja. Mooi meisje. En er was een grote, streng kijkende kerel die verliefd op haar was.’
‘Waterwind!’ zei Tas opgewonden. ‘En Raistlin?’
‘Magere knul. Verdomd goede tovenaar,’ zei de oude man ernstig, ‘maar het wordt nooit wat met hem als hij niet wat aan die hoest doet.’
‘Je bent echt Fizban!’ zei Tas. Opgetogen sprong hij op de oude man af, sloeg zijn armen om hem heen en omhelsde hem stevig.
‘Al goed, al goed,’ zei Fizban gegeneerd terwijl hij Tas zachtjes op zijn rug klopte. ‘Zo kan ‘ie wel weer. Straks kreuk je mijn gewaad nog. Niet snotteren. Daar kan ik niet tegen. Zakdoekje nodig?’
‘Nee, ik heb er al een...’
‘Zo, dat is beter. Hé, krijg nou wat, volgens mij is dat mijn zakdoek. Dat zijn mijn initialen.’
‘O ja? Dan heb je hem zeker laten vallen.’
‘Nu weet ik weer wie je bent!’ zei de oude man luid. ‘Jij bent Tas-sel... Tassel-nog-iets...’
‘Tasselhof. Tasselhof Klisvoet,’ antwoordde de kender.
‘En ik ben...’ De oude man zweeg. ‘Hoe zei je ook alweer dat ik heette?’
‘Fizban.’
‘Fizban. O ja...’ De oude man keek even peinzend voor zich uit en schudde toen zijn hoofd. ‘Ik dacht werkelijk dat hij dood was...’
10
Silvara’s geheim.
‘Hoe heb je het eigenlijk overleefd?’ vroeg Tas terwijl hij wat gedroogd fruit uit een buidel haalde om met Fizban te delen.
De oude man keek weemoedig voor zich uit. ‘Ik dacht echt dat ik het niét had overleefd,’ zei hij verontschuldigend. ‘Dus het spijt me, ik heb geen flauw idee. Maar nu ik erover nadenk: sinds die tijd kan ik geen hap kip meer door mijn keel krijgen.’ Hij keek de kender sluw aan. ‘Wat doe jij hier eigenlijk?’
‘Ik ben met een stel vrienden van me meegekomen. De anderen zwerven nog ergens rond, als ze tenminste nog leven.’ Hij snufte.
‘Ze leven nog. Maak je geen zorgen.’ Fizban gaf hem een klopje op zijn schouder.
‘Denk je echt?’ Tas klaarde meteen op. ‘Maar goed, we zijn hier dus samen met Silvara…’
‘Silvara!’ De oude man sprong zo plotseling overeind dat zijn witte haar wild golfde. De vage uitdrukking op zijn gezicht verdween als sneeuw voor de zon.
‘Waar is ze?’ vroeg de oude man streng. ‘En je vrienden, waar zijn die?’
‘B-beneden,’ stamelde Tas, geschrokken van de plotselinge verandering die de oude man had ondergaan. ‘Silvara heeft een betovering over hen uitgesproken.’
‘O ja, is dat zo?’ mopperde de oude man. ‘Dat zullen we nog wel eens zien. Kom mee.’ Hij liep over het balkon weg, zo snel dat Tas moest rennen om hem bij te houden.
‘Waar waren ze, zei je?’ vroeg de oude man, die boven aan de trap bleef staan. ‘En wees precies,’ snauwde hij.
‘Eh... de tombe! Huma’s tombe. Ik denk tenminste dat het Huma’s tombe is. Dat zei Silvara namelijk.’
‘Hm. Nou, dan hoeven we in elk geval niet te lopen.’
Hij liep de trap af naar het gat waardoor Tas omhoog was gekomen en stapte er middenin. Moeizaam slikkend volgde Tas zijn voorbeeld, waarbij hij zich stevig aan het gewaad van de oude man vasthield. Ze zweefden boven niets dan duisternis en voelden koele lucht langs zich heen omhoogstromen.
‘Naar beneden,’ beval Fizban.
Ze gingen omhoog, richting het plafond van de bovenste galerij. De haren rezen Tas te berge.
‘Naar beneden, zei ik!’ riep de oude man woedend, terwijl hij dreigend met zijn staf naar het gat zwaaide.
Er klonk een slurpend geluid, waarop ze allebei zo snel het gat in werden gezogen dat Fizbans hoed van zijn hoofd vloog. Hij lijkt precies op de hoed die hij in het hol van de rode draak is kwijtgeraakt, dacht Tas. Die was ook zo krom en vormeloos, en leek ook een eigen wil te hebben. Fizban graaide er wild naar, maar greep mis. De hoed kwam echter op een afstandje van een voet of vijftig rustig achter hen aan.
Gefascineerd staarde Tas in de diepte, en hij wilde een vraag stellen, maar Fizban legde hem het zwijgen op. Met zijn staf stevig in zijn hand begon de oude magiër in zichzelf te mompelen, terwijl hij een merkwaardig teken in de lucht maakte.
Laurana opende haar ogen. Ze lag op een koud stenen bankje naar een zwart, glinsterend plafond te staren. Even had ze geen idee waar ze was, maar toen keerden haar herinneringen terug. Silvara!
Snel kwam ze overeind en blikte ze om zich heen. Flint zat kreunend in zijn nek te wrijven. Theros keek verward en met knipperende ogen om zich heen. Gilthanas was al overeind gekomen en stond achter in de tombe van Huma te staren naar iets bij de deur. Toen Laurana op hem afliep, draaide hij zich om. Met zijn vinger tegen zijn lippen knikte hij in de richting van de deur.
Daar zat Silvara met haar hoofd op haar armen bitter te snikken.
Laurana aarzelde. De boze woorden die op haar lippen lagen, stierven een stille dood. Dit was zeker niet wat ze had verwacht. Wat had ze dan wel verwacht, vroeg ze zich af. Dat ze nooit meer wakker zou worden, hoogstwaarschijnlijk. Er moest een verklaring zijn. Ze deed een stap naar voren.
‘Silvara...’ begon ze.
Het meisje sprong overeind. Haar betraande gezicht was bleek van schrik.
‘Waarom zijn jullie wakker? Hoe hebben jullie mijn betovering van je afgeschud?’ zei ze ontzet, met haar rug tegen de muur.
‘Dat doet er niet toe,’ zei Laurana, ook al had ze geen idee waarom ze wakker was geworden. ‘Leg eens uit…’
‘Dat was ik,’ verkondigde iemand met diepe stem. Laurana en de anderen draaiden zich om, en zagen een oude man met een witte baard en een muisgrijs gewaad plechtig opstijgen uit het gat in de grond.
‘Fizban!’ fluisterde Laurana vol ongeloof.
Er klonk een metaalachtige bons. Flint was van zijn stokje gegaan, maar niemand wierp zelfs maar een blik in zijn richting. In plaats daarvan stonden ze vol ontzag naar de oude magiër te staren. Toen wierp Silvara zich met een schrille kreet plat op de koude stenen vloer, bevend en jammerend.