Выбрать главу

Zonder acht te slaan op het gestaar van de anderen liep Fizban door de tombe langs de baar en de bewusteloze dwerg naar Silvara toe. Achter hem klauterde Tasselhof juist uit het gat.

‘Kijk eens wie ik heb gevonden!’ zei de kender trots. ‘Fizban! En ik heb gevlogen, Laurana. Ik sprong in het gat en toen vloog ik zomaar omhoog. En daarboven is een muurschildering met gouden draken, en toen ging Fizban rechtop zitten, en hij ging tegen me tekeer, en... ik moet toegeven dat ik me even heel erg vreemd voelde. Mijn stem deed het niet meer, en... Wat is er met Flint gebeurd?’

‘Sst, Tas,’ zei Laurana zwakjes, nog steeds met haar blik op Fizban gericht. Die had zich op zijn knieën laten zakken en schudde de wilde elf heen en weer.

‘Silvara, wat heb je gedaan?’ vroeg Fizban streng. Op dat moment dacht Laurana dat ze zich misschien vergist had. Dit moest een andere oude man zijn, gekleed in het oude gewaad van de magiër. Deze machtige man met het strenge gezicht leek in elk geval in niets op de verwarde oude magiër uit haar herinnering. Maar nee, dat gezicht zou ze overal herkennen, om over die hoed nog maar te zwijgen!

Terwijl ze naar het tweetal keek, had Laurana de indruk dat ze werden omhuld door een grote, ontzagwekkende kracht. Ze voelde een enorm verlangen om weg te rennen en te blijven lopen tot haar benen haar niet meer konden dragen. Maar ze kon zich niet verroeren. Ze kon slechts staren.

‘Wat heb je gedaan, Silvara?’ drong Fizban aan. ‘Je hebt je eed verbroken!’

‘Nee!’ kreunde het meisje, kronkelend aan de voeten van de oude magiër. ‘Nee. Nog niet...’

‘Je loopt op de aarde rond in een ander lichaam en bemoeit je met de zaken van mensen en elfen. Dat is al erg genoeg. Maar je hebt hen ook nog eens hier naartoe gebracht.’

Silvara’s betraande gezicht was vertrokken van smart. Laurana voelde de tranen ongehinderd over haar eigen gezicht stromen.

‘Goed dan!’ riep Silvara opstandig uit. ‘Ik heb mijn eed verbroken, of dat was ik in elk geval van plan. Ik heb hen hier naartoe gebracht. Ik moest wel! Ik heb de ellende en het lijden met eigen ogen aanschouwd. En trouwens,’— haar stem werd een fluistering en haar ogen kregen een niets ziende blik— ‘ze hadden een bol…’

‘Ja,’ zei Fizban zachtjes. ‘Een drakenbol. Meegenomen uit het IJsmuurkasteel. Hij is in jouw bezit gekomen. Wat heb je ermee gedaan, Silvara? Waar is hij nu?’

‘Ik heb hem weggestuurd...’ antwoordde Silvara nauwelijks verstaanbaar.

Fizban leek ter plekke ouder te worden. Zijn gezicht stond vermoeid. Met een diepe zucht leunde hij zwaar op zijn staf. ‘Waar heb je hem naartoe gestuurd, Silvara? Waar is de drakenbol nu?’

‘S-Sturm heeft hem,’ mengde Laurana zich angstig in het gesprek. ‘Hij is ermee naar Sancrist gegaan. Wat betekent dat? Is Sturm in gevaar?’

‘Wie?’ Fizban tuurde over zijn schouder. ‘O, hallo, lief kind.’ Hij glimlachte stralend naar haar. ‘Wat leuk om je weer eens te zien. Hoe is het met je vader?’

‘Mijn vader...’ Verward schudde Laurana haar hoofd. ‘Luister, oude man, mijn vader is even niet belangrijk. Wie…’

‘En je broer is er ook.’ Fizban stak zijn hand uit naar Gilthanas. ‘Goed je te zien, jongen. En jou, beste man.’ Hij maakte een buiging voor de verbijsterde Theros. ‘Een zilveren arm, hm? Wel, wel,’— hij wierp een steelse blik op Silvara — ‘wat een toeval. Theros IJzerfeld, nietwaar? Ik heb veel over je gehoord. En mijn naam is...’ De oude man zweeg en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Mijn naam is...’

‘Fizban,’ vulde Tasselhof behulpzaam aan.

‘Fizban.’ De oude man knikte glimlachend.

Laurana dacht dat ze de oude tovenaar een waarschuwende blik op Silvara zag werpen. Het meisje boog haar hoofd, alsof er een geluidloos, geheim teken tussen hen was uitgewisseld.

Maar voordat Laurana wijs kon worden uit haar over elkaar buitelende gedachten, wendde Fizban zich weer tot haar. ‘Nu vraag je je zeker af, Laurana, wie Silvara is. Het is aan haar jullie dat te vertellen, want ik moet nu weg. Ik heb een lange reis voor de boeg.’

‘Moet ik het vertellen?’ vroeg Silvara zachtjes. Ze zat nog steeds op haar knieën, en terwijl ze sprak, keek ze steels naar Gilthanas. Fizban volgde haar blik. Zodra hij het aangeslagen gezicht van de elfenheer zag, verzachtten zijn trekken. Toen schudde hij droevig zijn hoofd.

Silvara stak in een smekend gebaar haar handen naar hem uit. Fizban liep op haar af, pakte haar handen vast en hielp haar overeind, waarop ze haar armen om hem heen sloeg. Hij hield haar dicht tegen zich aan.

‘Nee, Silvara,’ zei hij op vriendelijke, tedere toon. ‘Je hoeft het hun niet te vertellen. Je hebt dezelfde keus als je zuster indertijd. Je kunt er ook voor zorgen dat ze vergeten dat ze hier ooit zijn geweest.’

Opeens was het diepe blauw van haar ogen de enige kleur die Silvara nog in haar gezicht had. ‘Maar dat zou betekenen...’

‘Ja, Silvara,’ antwoordde Fizban. ‘Dat is aan jou.’ Hij gaf het meisje een kus op haar voorhoofd. ‘Vaarwel, mijn kind.’

Hij draaide zich om naar de anderen. ‘Dag, dag. Leuk jullie weer eens te hebben gezien. Ik ben een beetje gepikeerd over die kippenveren, maar... ik neem het jullie niet kwalijk.’ Hij bleef even ongeduldig staan wachten en keek toen boos naar Tasselhof. ‘Ga je mee of niet? Ik heb niet de hele nacht de tijd.’

‘Mee? Met jou?’ riep Tas uit. Met een bons liet hij Flints hoofd op de stenen vloer vallen, en hij stond op. ‘Natuurlijk, ik ga even mijn reistas pakken...’ Toen zweeg hij en keek naar de bewusteloze dwerg. ‘Flint...’

‘Met hem komt het wel goed,’ beloofde Fizban. ‘Je zult niet lang van je vrienden gescheiden zijn. We zien ze...’ — Hij fronste en mompelde wat bij zichzelf. ‘Zeven dagen, plus drie,één onthouden, hoeveel is zeven keer vier? Nou ja, zo rond Hongertijd. Dan wordt de raadsvergadering gehouden. Kom mee nu. Ik heb werk te doen. Je vrienden zijn in goede handen. Silvara zal voor hen zorgen, nietwaar, lieve kind?’ Hij draaide zich om naar de wilde elf.

‘Ik zal het hun vertellen,’ beloofde ze bedroefd, met haar blik op Gilthanas gericht.

De elfenheer staarde haar en Fizban met een bleek gezicht aan. Angst verspreidde zich door zijn ziel.

Silvara slaakte een zucht. ‘Je hebt gelijk. Ik heb de eed allang verbroken. Ik moet afmaken waar ik aan begonnen ben.’

‘Als jij dat het beste acht.’ Fizban streek Silvara even over haar zilverkleurige haar. Toen draaide hij zich om.

‘Zal ik gestraft worden?’ vroeg ze, juist op het moment dat de oude man de duisternis instapte.

Fizban bleef staan. Hoofdschuddend keek hij achterom. ‘Sommigen zouden zeggen dat je nu al wordt gestraft, Silvara,’ zei hij zachtjes. ‘Maar wat je doet, doe je uit liefde. Je hebt zelf je keuze bepaald, en daarmee ook je straf.’

De oude man verdween in de duisternis. Tasselhof rende achter hem aan. Zijn buidels dansten om hem heen. ‘Dag, Laurana! Dag, Theros! Zorg goed voor Flint!’

In de stilte die volgde, hoorde Laurana de stem van de oude man.

‘Hoe luidde die naam ook alweer? Fizbol, Flitsbel…’

‘Fizban!’ antwoordde Tas schril.

‘Fizban... Fizban...’ prevelde de oude man.

Alle ogen waren op Silvara gericht.

Ze was nu kalm en straalde innerlijke rust uit. Hoewel haar gezicht intens verdrietig stond, was het niet het gekwelde, bittere verdriet dat ze eerder hadden gezien. Dit was een soort rouw, de stille, berustende droefheid van iemand die nergens spijt van heeft. Ze liep op Gilthanas af, pakte zijn handen vast en keek hem zo liefdevol aan dat de elfenheer zich gezegend voelde, al wist hij dat ze op het punt stond hem vaarwel te zeggen.

‘Ik raak je kwijt, Silvara,’ prevelde hij met haperende stem. ‘Ik zie het in je ogen. Maar ik begrijp niet waarom! Je houdt van me...’