Выбрать главу

‘Ik hou van je, elfenheer,’ zei Silvara zachtjes. ‘Ik heb van je gehouden vanaf het moment dat ik je gewond op het strand zag liggen. Toen je me aankeek en naar me glimlachte, wist ik dat het lot dat mijn zuster ten deel was gevallen ook mij zou treffen.’ Ze zuchtte. ‘Maar dat is het risico dat we nemen als we deze vorm aannemen. We nemen onze eigen kracht mee, maar zijn tegelijkertijd vatbaar voor de zwakheden van ons gekozen lichaam. Maar is het wel een zwakheid? Lief te hebben…’

‘Silvara, ik begrijp het niet!’ riep Gilthanas uit.

‘Dat komt nog wel,’ beloofde ze zachtjes. Ze hief het hoofd.

Gilthanas nam haar in zijn armen. Ze drukte haar gezicht tegen zijn borst. Hij drukte een kus op haar prachtige, zilverkleurige haar en drukte haar met een snik tegen zich aan.

Laurana wendde zich af. Dit verdriet kon ze niet aanzien. Haar eigen tranen verdringend keek ze om zich heen, en haar blik viel op de dwerg. Ze pakte zijn drinkzak en sprenkelde wat water over zijn gezicht.

Knipperend opende Flint zijn ogen. Hij staarde even naar Laurana voordat hij zijn bevende hand naar haar uitstak.

‘Fizban!’ fluisterde de dwerg hees.

‘Ik weet het,’ zei Laurana, die zich afvroeg hoe Flint zou reageren als hij hoorde dat Tas weg was.

‘Fizban is dood!’ zei Flint. ‘Dat heeft Tas zelf gezegd. Dood gebleven onder een berg kippenveren!’ Moeizaam ging hij overeind zitten. ‘Waar is dat leeghoofd van een kender?’

‘Hij is weg, Flint,’ antwoordde Laurana. ‘Hij is met Fizban mee.’

‘Weg?’ niet-begrijpend keek de dwerg om zich heen. ‘Heb je hem laten weggaan? Met die oude man?’

‘Ik ben bang van wel

‘Heb je hem met een dode oude man laten meegaan?’

‘Ik had niet veel keus.’ Laurana glimlachte. ‘Het was zijn eigen beslissing. Hij redt zich wel.

‘Waar zijn ze naartoe?’ Flint stond op en hees zijn reistas op zijn schouders.

‘Je kunt niet achter hen aan gaan,’ zei Laurana. ‘Toe, Flint.’ Ze sloeg haar arm om de schouders van de dwerg. ‘Ik heb je nodig. Je bent Tanis’ oudste vriend en mijn raadsheer...’

‘Maar hij is zonder mij weggegaan,’ zei Flint klagerig. ‘Hoe kon hij dat nou doen? Ik heb hem niet eens zien vertrekken.’

‘Je bent flauwgevallen...’

‘Absoluut niet!’ brulde de dwerg.

‘Je... je was helemaal van de wereld,’ stamelde Laurana.

‘Ik val nooit flauw!’ verklaarde de dwerg verontwaardigd. ‘Het was zeker de dodelijke ziekte die ik op de boot heb opgelopen, die weer de kop opstak.’ Flint liet zijn reistas vallen en ging er met hangende schouders naast zitten. ‘Die stomme kender. Gaat hij ervandoor met een dode oude man.’

Theros kwam op Laurana af en nam haar terzijde. ‘Wie was die oude man?’ vroeg hij nieuwsgierig.

‘Dat is een lang verhaal.’ Laurana zuchtte. ‘En ik weet niet eens zeker of ik die vraag wel kan beantwoorden.’

‘Hij komt me bekend voor.’ Fronsend schudde Theros zijn hoofd. ‘Maar ik kan me niet herinneren waar ik hem eerder heb gezien, al doet hij me denken aan Soelaas en de Herberg van het Laatste Huis. En hij wist wie ik was...’ De smid staarde naar zijn zilveren hand. ‘Ik voelde een schok door me heen gaan toen hij naar me keek, alsof ik een boom was die door de bliksem werd geraakt.’ De grote smid huiverde, maar wierp toen een vluchtige blik op Silvara en Gilthanas. ‘En wat heeft dat te betekenen?’

‘Ik denk dat dat zo meteen eindelijk duidelijk wordt,’ zei Laurana.

‘Je had gelijk,’ zei Theros. ‘Jij vertrouwde haar niet…’

‘Maar om de verkeerde redenen,’ gaf Laurana schuldbewust toe.

Met een zucht maakte Silvara zich los uit Gilthanas’ armen. De elfenheer liet haar met tegenzin los.

‘Gilthanas,’ zei ze nadat ze bevend had ingeademd, ‘haal een toorts van de muur en houd die voor me omhoog.’

Gilthanas aarzelde. Toen volgde hij bijna boos haar aanwijzingen op.

‘Houd hem hier maar omhoog,’ zei ze terwijl ze zijn hand leidde, tot ze baadde in het felle licht van de toorts. ‘En kijk nu naar mijn schaduw, op de muur achter me,’ zei ze met trillende stem.

Het was doodstil in de tombe, afgezien van het gesputter van de brandende toorts. Silvara’s schaduw verscheen op de koude stenen muur achter haar. De reisgenoten staarden ernaar, en even konden ze geen woord uitbrengen.

De schaduw op de muur was niet die van een jonge elfenmaagd. Het was die van een draak.

‘Jij bent een draak!’ zei Laurana ongelovig en diep geschokt. Ze legde haar hand op haar zwaard, maar Theros hield haar tegen.

‘Nee!’ zei hij opeens. ‘Ik weet het weer. Die oude man...’ Hij keek naar zijn arm. ‘Nu weet ik het weer. Hij kwam altijd in de Herberg van het Laatste Huis. Alleen droeg hij toen andere kleren. Hij was geen magiër, maar het was dezelfde man, daar durf ik mijn hand onder te verwedden. Hij vertelde de kinderen verhalen. Verhalen over goede draken. Gouden draken en...’

‘... zilveren draken,’ vulde Silvara Theros’ zin aan. Ze keek naar hem. ‘Ik ben een zilveren draak. Mijn zuster was de zilveren draak die van Huma hield en samen met hem vocht tijdens die laatste grote slag...’

‘Nee!’ Gilthanas smeet de toorts op de grond. Even bleef die flakkerend aan zijn voeten liggen, maar toen stampte hij hem boos uit. Silvara keek hem met droevige ogen aan en stak haar hand troostend naar hem uit.

Gilthanas deinsde terug voor haar aanraking en staarde haar vol ontzetting aan.

Langzaam liet Silvara haar hand zakken. Ze zuchtte zachtjes en knikte. ‘Ik begrijp het,’ prevelde ze. ‘Het spijt me.’

Gilthanas begon te beven. Toen boog hij gekweld voorover. Theros sloeg zijn sterke armen om hem heen, bracht hem naar een bankje toe en legde zijn mantel over hem heen.

‘Het gaat wel,’ mompelde Gilthanas. ‘Ik wil even alleen zijn, even nadenken. Dit is krankzinnig! Het iséén grote nachtmerrie. Een draak!’ Hij kneep zijn ogen dicht alsof hij het liefst met blindheid zou worden geslagen. ‘Een draak...’ fluisterde hij gedesillusioneerd.

Theros klopte hem zachtjes op de arm en keerde toen terug naar de anderen.

Waar zijn de andere goede draken?’ vroeg Theros. ‘De oude man zei dat het er veel waren. Zilveren draken, gouden draken...’

We zijn met veel,’ antwoordde Silvara schoorvoetend.

‘Zoals de zilveren draak die we in IJsmuur hebben gezien!’ zei Laurana. ‘Dat was een goede draak. Als jullie met zoveel zijn, sla dan de handen ineen! Help ons in de strijd tegen de kwade draken!’

‘Nee!’ riep Silvara fel. Haar blauwe ogen spoten vuur, en Laurana deinsde achteruit voor haar woede.

‘Waarom niet?’

‘Dat kan ik je niet vertellen.’ Silvara kneep nerveus haar handen tot vuisten.

‘Het heeft iets te maken met die eed,’ hield Laurana vol. ‘Of niet soms? De eed die je hebt verbroken. En die straf waar je Fizban naar vroeg...’

‘Ik kan het je niet vertellen!’ antwoordde Silvara met zachte, maar hartstochtelijke stem. ‘Wat ik heb gedaan is al erg genoeg. Maar ik moest iets doen! Ik kon het leed van onschuldige mensen niet langer aanzien. Denkend dat ik misschien kon helpen, heb ik de vorm van een elf aangenomen en gedaan wat ik kon. Ik heb hard gewerkt om te proberen de elfen te verenigen, en ik slaagde erin hen ervan te weerhouden de wapens tegen elkaar op te nemen, maar het dreigde alsnog uit de hand te lopen. Toen kwamen jullie, en besefte ik dat we in groot gevaar verkeerden, groter dan iemand van ons zich ooit had kunnen indenken. Want jullie hadden...’ Haar stem haperde.

‘De drakenbol!’ zei Laurana opeens.

‘Ja.’ Wanhopig balde Silvara haar vuisten. ‘Ik wist dat ik een beslissing moest nemen. Jullie hadden de bol, maar ook de lans. De lans en de bol, allebei binnen mijn bereik! Samen! Het was een teken, dacht ik, maar ik wist niet wat ik moest doen. Ik besloot de bol hier naartoe te brengen, waar hij voorgoed veilig zou zijn. Maar zodra we onderweg waren, besefte ik dat de ridders hem nooit hier zouden willen laten. Dat zou uitlopen op een conflict. Dus toen ik mijn kans schoon zag, heb ik hen met de bol weggestuurd.’ Ze liet haar schouders zakken. ‘Kennelijk was dat de verkeerde beslissing, maar hoe kon ik dat weten?’