Выбрать главу

‘Waarom?’ vroeg Theros streng. ‘Wat kun je met die bol doen? Is hij kwaadaardig? Heb je die ridders hun noodlot tegemoet laten gaan?’

‘Een groot kwaad,’ prevelde Silvara. ‘Of een groot goed. Wie zal het zeggen? Zelfs ik begrijp niets van de drakenbollen. Ze zijn lang geleden vervaardigd door de allermachtigste magiegebruikers.’

‘Maar in het boek dat Tas heeft gelezen stond dat ze kunnen worden gebruikt om draken te beheersen!’ verklaarde Flint. ‘Hij heeft het door een of andere bril gelezen. “De bril van het ware zicht” noemde hij het. Hij zei dat die niet liegt...’

‘Nee,’ zei Silvara bedroefd. ‘Dat is waar. Het is maar al te waar, zoals je vrienden naar ik vrees tot hun grote spijt zullen ontdekken.’

In de greep van angst bleven de reisgenoten bij elkaar zitten, in een stilte die slechts werd verbroken door Gilthanas’ verstikte gesnik. In het licht van de toortsen dansten hun schaduwen als ondode geesten door de stille tombe. Laurana moest denken aan Huma en de zilveren draak. Ze dacht aan die verschrikkelijke laatste strijd waarin de hemel gevuld was met draken en het land baadde in vlammen en bloed.

‘Waarom heb je ons dan hiernaartoe gebracht?’ vroeg Laurana zachtjes. ‘Waarom heb je ons niet allemaal met de bol laten meegaan?’

‘Kan ik het hun vertellen? Heb ik er de kracht voor?’ fluisterde Silvara tegen een onzichtbare aanwezigheid.

Een hele tijd bleef ze doodstil zitten, met een uitdrukkingsloos gezicht en haar handen in haar schoot. Ze sloot haar ogen, boog het hoofd en bewoog geluidloos haar lippen. Vervolgens sloeg ze haar handen voor haar gezicht en bleef zo zitten. Pas na een hele tijd leek ze huiverend tot een besluit te komen.

Silvara stond op en liep naar Laurana’s reistas. Op haar knieën pakte ze langzaam en voorzichtig de kapotte houten lans uit die de reisgenoten al die hele lange, vermoeiende reis lang met zich meedroegen. Toen ze opstond, straalde haar gezicht weer die innerlijke rust uit, maar ook trots en wilskracht. Nu pas begon Laurana te geloven dat dit meisje zoiets machtigs en schitterends als een draak kon zijn. Met een trots geheven hoofd, zodat haar zilverkleurige haar glansde in het toortslicht, liep Silvara op Theros IJzerfeld af.

‘Aan Theros met de Zilveren Arm,’ zei ze, ‘schenk ik het vermogen om de drakenlans te smeden.’

Boek Drie

1

De Rode Tovenaar en zijn Wonderlijke Illusies.

Schaduwen kropen over de stoffige tafels van taveerne De Varkensfluit. De zeebries vanaf de Baai van Balifor veroorzaakte een schril gefluit wanneer die pal op de slecht passende ramen aan de voorkant van het gebouw stond, en dat kenmerkende gefluit was de oorsprong van de tweede helft van de naam. Als je je afvroeg hoe de taveerne aan de eerste helft van zijn naam was gekomen, wist je dat meteen zodra je de eigenaar zag. Willem Zoetwater, een joviale, goedhartige man, was (volgens de legende die in het stadje de ronde deed) bij zijn geboorte vervloekt toen een loslopend varken zijn wiegje omver had gelopen. Daardoor was de jonge Willem zo geschrokken dat het teken van het varken voorgoed op zijn gelaat was gedrukt.

Die ongelukkige gelijkenis had echter geen nadelige invloed gehad op Willems gemoed. Hij was zeeman geweest tot hij de herberg opende waar hij zijn hele leven al van droomde, en hij was de meest gerespecteerde en geliefde man van heel Baliforhaven. Niemand lachte hartelijker om varkensgrapjes dan Willem. Hij kon zelfs behoorlijk levensecht knorren en deed vaak een varken na ter vermaak van zijn klanten. (Al had sinds de voortijdige dood van Ap met de Houten Poot niemand het nog gewaagd om Willem ‘Knorretje’ te noemen.)

Tegenwoordig knorde Willem nog maar zelden voor zijn klanten. De sfeer in De Varkensfluit was somber. De paar oude klanten die nog kwamen zaten op een kluitje zachtjes met elkaar te praten. Baliforhaven was namelijk een bezette stad, onder de voet gelopen door het leger van de Drakenheren, wier schepen kortgeleden de Baai binnen waren gevaren en massa’s afzichtelijke drakenmannen hadden uitgespuwd.

De inwoners van Baliforhaven — voornamelijk mensen — hadden vreselijk met zichzelf te doen. Natuurlijk hadden ze geen flauw idee van wat zich in de buitenwereld afspeelde, anders hadden ze hun handen dichtgeknepen. Er kwamen geen draken om hun stadje plat te branden. De draconen lieten de burgers over het algemeen met rust. De Drakenheren waren niet bijzonder geïnteresseerd in het oostelijke deel van het werelddeel Ansalon. Het land was hier dun bevolkt. Er waren slechts een paar verspreide nederzettingen van mensen, en Kendermeer, het vaderland van de kenders. Eén eskader draken had het hele platteland met de grond gelijk kunnen maken, maar de Drakenheren concentreerden hun troepenmacht in het noorden en het westen. Zolang de havens open bleven, hadden ze geen reden om landen als Balifor en Goedlund te vernietigen.

Hoewel er niet veel oude klanten meer naar De Varkensfluit kwamen, had Willem Zoetwater in eerste instantie goede zaken gedaan. De draconen- en koboldensoldaten van de Drakenheer kregen goed betaald, en hun enige zwakheid was sterke drank. Maar Willem was niet om het geld een taveerne begonnen. Hij hield van de gezelligheid die oude en nieuwe vrienden brachten. Het gezelschap van de soldaten van de Drakenheer stond hem helemaal niet aan. Als zij binnenkwamen, maakten zijn oude klanten zich uit de voeten. Daarom verdrievoudigde Willem voor draconen prompt de prijzen ten opzichte van de andere herbergen in het stadje. Bovendien deed hij water bij het bier, met als gevolg dat er afgezien van een paar oude vrienden bijna niemand bij hem aan de bar zat. Dat vond Willem prima.

Op de avond dat de vreemdelingen zijn taveerne binnenkwamen, zat hij met een paar van die vrienden te praten— voornamelijk zeelui met een bruine, verweerde huid en een tandeloze mond. Even staarde Willem de nieuwkomers wantrouwig aan, net als zijn vrienden. Maar zodra hij zag dat het vermoeide reizigers waren in plaats van soldaten van de Drakenheer, begroette hij hen hartelijk en bracht hen naar een tafel in de hoek.

De vreemdelingen bestelden allemaal bier, afgezien van een man in een rode mantel, die alleen maar heet water wilde. Na een gedempte discussie met betrekking tot een verweerde leren beurs en het aantal munten dat er nog in zat, vroegen ze of Willem hun ook wat brood en kaas wilde brengen.

‘Ze komen hier niet uit de buurt,’ zei Willem zachtjes tegen zijn vrienden terwijl hij bier tapte uit het speciale vat dat hij onder de bar bewaarde (niet die voor de draconen). ‘En arm als een zeeman na een week aan land, als je het mij vraagt.’

‘Vluchtelingen,’ zei zijn vriend, die de vreemdelingen schattend opnam.

‘Maar het is wel een vreemd stel bij elkaar,’ voegde de andere zeeman eraan toe. ‘Die kerel met de rode baard is een halfelf, wat ik je brom. En die grote daar heeft genoeg wapens om het tegen het hele leger van de Drakenheer op te nemen.’

‘Ik durf te wedden dat hij er al een paar aan dat zwaard van hem heeft geregen,’ bromde Willem. ‘Ze zijn ergens voor op de vlucht, denk ik. Kijk maar eens naar de man met de baard, die houdt steeds de deur in de gaten. Nou, we kunnen hen niet helpen in hun gevecht tegen de Drakenheer, maar ik kan er wel voor zorgen dat het hun aan niets ontbreekt.’ Hij ging terug naar zijn gasten.

‘Stop je geld maar weg,’ zei Willem bars terwijl hij niet alleen brood en kaas, maar ook een schaal vol koud vlees op tafel zette. Hij schoofde muntstukken opzij. ‘Jullie zitten in de penarie, dat is zo duidelijk als de varkenssnuit op mijn gezicht.’

Een van de vrouwen glimlachte naar hem. Zo’n mooie vrouw had Willem nog nooit gezien. Haar glanzende, zilvergouden haar kwam onder haar bonten kap uit en haar blauwe ogen waren als de zee op een windstille dag. Toen ze naar hem glimlachte, stroomde er een warmte als van eersteklas brandewijn door zijn lichaam. Maar een donkerharige man met een streng gezicht, die naast haar zat, schoof de muntstukken terug in de richting van de herbergier.