Выбрать главу

‘We aanvaarden geen liefdadigheid,’ zei de lange man, die ook een bontmantel droeg.

‘Niet?’ vroeg de andere grote man spijtig, terwijl hij verlangend naar het gerookte vlees staarde.

‘Waterwind,’ zei de vrouw overredend. Ze legde teder haar hand op zijn arm. De halfelf leek op het punt te staan zich ook in de discussie te mengen, toen de man in het rood, die het hete water had besteld, een muntstuk van de tafel opraapte.

Hij liet het muntstuk op de rug van zijn benige, metaalachtige hand balanceren en liet het vervolgens moeiteloos over zijn knokkels dansen. Willem sperde zijn ogen open. Zijn twee vrienden aan de bar kwamen dichterbij om het beter te kunnen zien. Het muntje flitste tussen de vingers van de man in het rood door, tollend en springend. Het verdween hoog in de lucht, maar vervolgens verschenen er boven het hoofd van de magiër zes muntstukken, die om zijn kap heen draaiden. Met een gebaar liet hij ze rond Willems hoofd tollen. De zeelui keken met open mond van verwondering toe.

‘Pak er maar een, voor de moeite,’ zei de magiër op fluistertoon.

Aarzelend probeerde Willem de munten te grijpen die voor zijn ogen voorbijflitsten, maar zijn hand ging er dwars doorheen. Opeens waren alle zes de muntstukken verdwenen. Er was er nog maaréén over, en die lag in de hand van de magiër met de rode mantel.

‘Dit geef ik je ter betaling,’ zei de magiër met een sluwe glimlach, ‘maar wees voorzichtig. Het zou wel eens een gat in je zak kunnen branden.’

Willem nam het muntstuk behoedzaam met twee vingers aan en staarde er wantrouwig naar. Toen barstte het opeens in vlammen uit. Met een geschrokken kreet liet Willem het vallen en stampte erop. Zijn twee vrienden barstten in lachen uit. Toen hij het muntstuk weer opraapte, zag Willem dat het koud en volkomen onbeschadigd was.

‘Dat is het vlees wel waard!’ zei de herbergier grijnzend.

‘En een overnachting,’ voegde zijn vriend de zeeman eraan toe. Hij gooide een handvol munten op tafel.

‘Ik geloof,’ zei Raistlin zachtjes terwijl hij om zich heen keek naar de anderen, ‘dat we onze problemen hebben opgelost.’

Dat was het begin van De Rode Tovenaar en zijn Wonderlijke Illusies, een rondreizende voorstelling waar tot op de dag van vandaag nog over gesproken wordt, van Baliforhaven in het zuiden tot de Ruïnes in het noorden.

De volgende avond voerde de magiër in het rood zijn kunstjes op voor een bewonderend publiek, bestaande uit Willems vrienden. Het nieuws verspreidde zich snel. Nadat de magiër ongeveer een week lang in De Varkensfluit had opgetreden, moest zelfs Waterwind — die in eerste instantie fel tegen het idee gekant was geweest — toegeven dat Raistlins show niet alleen de oplossing zou kunnen zijn voor hun financiële moeilijkheden, maar ook voor andere, belangrijker problemen.

Het tekort aan geld was op dat moment het prangendst. De reisgenoten konden best van het land leven, zelfs in de winter, want Waterwind en Tanis waren vaardige jagers. Maar ze hadden geld nodig om de overtocht naar Sancrist te betalen. En zodra ze daarvoor het geld hadden, moesten ze vrijelijk door bezette gebieden kunnen reizen.

In zijn jeugd had Raistlin zijn aanzienlijke goocheltalent vaak gebruikt om brood op de plank te krijgen voor zichzelf en zijn broer. Hoewel zijn meester het afkeurde en zelfs dreigde de jonge magiër van school te trappen, had Raistlin behoorlijk veel succes gehad. Nu had hij dankzij zijn groeiende beheersing van de magie meer mogelijkheden dan ooit tevoren. Hij hield zijn publiek letterlijk in zijn ban met zijn trucs en illusies.

Op Raistlins bevel zeilden er schepen met witte vleugels over de bar van De Varkensfluit en vlogen vogels op uit soepterrines, terwijl draken door de ramen naar binnen tuurden en vuur spuwden naar de geschrokken gasten. In de grote finale leek de magiër — die er schitterend uitzag in de rode mantel die Tika voor hem had genaaid — in vlammen op te gaan, om korte tijd later door de voordeur weer naar binnen te wande len (onder donderend applaus) en kalm een glas witte wijn te heffen op de gezondheid van de gasten.

Binnen een week had De Varkensfluit meer klandizie dan Willem het hele jaar daarvoor had gehad. En het mooiste was nog, vond hij, dat zijn vrienden hun problemen even konden vergeten. Al snel arriveerden echter ook de eerste ongewenste gasten. In eerste instantie maakte het hem boos dat draconen en kobolden zich tussen het publiek mengden, maar Tanis suste hem en Willem stond hun schoorvoetend toe te blijven kijken.

Zelf was Tanis eigenlijk blij ze te zien. Wat de halfelf betrof was het een meevaller, die hun tweede probleem oploste. Als de soldaten van de Drakenheer genoten van de voorstelling en anderen erover vertelden, konden de reisgenoten ongehinderd rondreizen.

Ze hadden Willem om raad gevraagd, en het resultaat was dat ze naar Zeedrift zouden reizen, een stad ten noorden van Baliforhaven, aan de Bloedzee van Istar. Daar hoopten ze een schip te vinden. Niemand in Baliforhaven zou bereid zijn hen mee te nemen, legde Willem uit. Alle plaatselijke scheepseigenaren waren in dienst van (of hun vaartuigen waren in beslag genomen door) de Drakenheren. Maar Zeedrift stond bekend als een toevluchtsoord voor hen die meer in geld dan in politiek geïnteresseerd waren.

De reisgenoten bleven een hele maand in De Varkensfluit. Willem verschafte hun gratis logies en ontbijt, en liet hen zelfs al het geld houden dat ze verdienden. Hoewel Waterwind bezwaar maakte tegen zijn gulheid, hield Willem stug vol dat hij allang blij was dat zijn oude klanten waren terug gekomen.

Gedurende die maand verfijnde Raistlin zijn show, die aanvankelijk voornamelijk uit illusies bestond, en breidde hem uit. De magiër werd echter snel moe, waarop Tika aanbood een dans op te voeren, zodat hij tussen de twee helften van de show kon uitrusten. Raistlin had zijn twijfels, maar Tika naaide voor zichzelf een kostuum dat zo verleidelijk was dat Caramon in eerste instantie mordicus tegen het plan was. Tika lachte hem echter in zijn gezicht uit. Haar dans was een succes en leverde aanmerkelijk meer geld op. Meteen voegde Raistlin haar aan de show toe.

Zodra hij merkte dat het publiek genoot van die entr’acte, bedacht Raistlin er nog meer. Een fel blozende Caramon werd overgehaald om sterke staaltjes uit te halen. Het hoogtepunt was het moment waarop hij de forsgebouwde Willem metéén hand boven zijn hoofd tilde. Tanis verbaasde het publiek met zijn elfse vermogen om te ‘zien’ in het donker. Zelfs Raistlin schrok echter toen Goudmaan op een dag naar hem toe kwam, toen hij het geld zat te tellen dat ze de vorige avond met hun voorstelling hadden opgehaald.

‘Ik wil vanavond graag zingen in de show,’ zei ze.

Ongelovig keek Raistlin op. Zijn blik schoot naar Waterwind. De lange Vlakteman knikte met tegenzin.

‘Je hebt een indrukwekkende stem,’ zei Raistlin terwijl hij het geld in een buidel liet glijden en het koord stevig dichttrok. ‘Dat weet ik nog maar al te goed. Het laatste lied dat ik je in de Herberg van het Laatste Huis heb horen zingen, vormde de aanleiding tot een rel.’

Goudmaan bloosde toen ze dacht aan het noodlottige lied dat ertoe had geleid dat ze zich bij de groep aansloot. Met een boos gezicht legde Waterwind zijn hand op haar schouder.

‘Kom mee,’ zei hij bruusk, met een boze blik op Raistlin. ‘Ik zei toch al...’

Maar Goudmaan schudde koppig haar hoofd en hief in een bekend, gebiedend gebaar haar kin. ‘Ik ga zingen,’ zei ze koeltjes, ‘en Waterwind zal me begeleiden. Ik heb een lied geschreven.’

‘Goed dan,’ snauwde de magiër terwijl hij de geldbuidel wegstopte in zijn gewaad. ‘We proberen het vanavond uit.’

Het was die avond druk in De Varkensfluit. Het publiek was divers: kleine kinderen met hun ouders, zeelui, draconen, kobolden en zelfs een paar kenders, zodat iedereen zijn bezittingen scherp in de gaten hield. Willem en twee bedienden liepen druk rond met eten en drinken. Toen begon de voorstelling.

Het publiek klapte om Raistlins tollende muntstukken, lachte toen er een illusionair varken op de bar danste, en schoot geschrokken overeind toen een reusachtige trol dwars door een raam heen naar binnen kwam denderen. Met een buiging trok de magiër zich terug om uit te rusten. Tika kwam op.