Выбрать главу

Met name de draconen juichten haar luid toe en sloegen met hun kroezen op tafel.

Toen deed Goudmaan haar intrede, gekleed in een lichtblauwe japon. Haar zilvergouden haar golfde om haar schouders als water dat glansde in het maanlicht. Meteen werd het stil. Zonder iets te zeggen nam ze plaats in een stoel op het verhoogde platform dat Willem haastig in elkaar had getimmerd. Het publiek was zo in de ban van haar schoonheid dat niemand een kik gaf. Allemaal wachtten ze met ingehouden adem af

Waterwind ging aan haar voeten op de grond zitten. Hij zette een prachtig bewerkte houten fluit aan zijn lippen en begon te spelen. Na een paar maten viel Goudmaan in. Haar lied was eenvoudig, de melodie lieflijk en harmonieus, en hield de luisteraar in zijn ban. Het was vooral de tekst die Tanis’ aandacht trok en die hem een bezorgde blik met Caramon deed wisselen. Raistlin, die naast Tanis zat, greep zijn arm vast.

‘Hier was ik al bang voor,’ siste de magiër. ‘Dat wordt weer een rel.’

‘Misschien niet,’ zei Tanis, aandachtig toekijkend. ‘Kijk maar eens naar het publiek.’

Vrouwen legden hun hoofd op de schouder van hun man, kinderen luisterden stilletjes en aandachtig. De draconen leken betoverd, zoals wilde dieren soms door muziek gebiologeerd kunnen raken. Alleen de kobolden schuifelden schijnbaar verveeld met hun platvoeten, al hadden ze te veel ontzag voor de draconen om te durven protesteren.

Goudmaan zong over de oude goden. Ze vertelde dat de goden de Catastrofe hadden veroorzaakt om de priesterkoning van Istar en het volk van Krynn te straffen voor hun trots. Ze zong over de verschrikkingen van die nacht en de nachten die volgden. Ze hielp hen eraan herinneren dat het volk, ervan overtuigd dat ze in de steek waren gelaten, zich tot valse goden had gewend. Tot slot bracht ze hun een hoopvolle boodschap: de goden hadden hen niet in de steek gelaten. De ware goden waren er nog steeds, en wachtten slechts tot iemand bereid was naar hen te luisteren.

Na afloop van haar lied, toen de klaaglijke klanken van de fluit waren weggestorven, schudden de meeste toehoorders hun hoofd, alsof ze ontwaakten uit een plezierige droom. Als hun werd gevraagd waar het lied over ging, konden ze dat niet zeggen. De draconen haalden hun schouders op en riepen om meer bier. De kobolden schreeuwden dat ze Tika weer wilden zien dansen. Maar hier en daar zag Tanis een gezicht waarop nog steeds de verwondering zichtbaar was die er tijdens het lied op was verschenen. En het verbaasde hem niet toen een jonge vrouw met een donkere huid verlegen op Goudmaan afliep.

‘Mijn verontschuldigingen dat ik u stoor, edele vrouwe,’ hoorde Tanis de vrouw zeggen, ‘maar uw lied heeft me diep geroerd. Ik... ik wil meer weten over de oude goden en hun gebruiken.’

Goudmaan glimlachte. ‘Kom morgen naar me toe,’ antwoordde ze, ‘dan zal ik je vertellen wat ik weet.’

Zo begon het nieuws over de oude goden zich langzaam maar zeker te verspreiden. Tegen de tijd dat ze Baliforhaven verlieten, droegen de donkere vrouw, een jongeman met een zachte stem en verschillende anderen het blauwe medaillon van Mishakal, godin van de genezing. Heimelijk trokken ze eropuit om hoop te verspreiden in een land vol leed en zorgen.

Tegen het eind van de maand konden de reisgenoten een wagen, trekpaarden, rijpaarden en mondvoorraad kopen. Wat overbleef bewaarden ze om een deel van de overtocht naar Sancrist te betalen. Het plan was om nog meer geld te verdienen door op te treden in de kleine boerendorpen tussen Baliforhaven en Zeedrift.

Toen de Rode Tovenaar kort voor het Midwinteravondseizoen wegging uit Baliforhaven, werd zijn wagen uitgezwaaid door een enthousiaste mensenmassa. De wagen, waarin de kostuums, voorraden voor twee maanden en een vat bier (geleverd door Willem) waren opgeslagen, bood zo veel ruimte dat Raistlin erin kon slapen en reizen. Verder lagen er tenten met kleurige strepen in, waarin de anderen zouden overnachten.

Tanis aanschouwde het vreemde tafereel dat ze met z’n allen vormden. Hij schudde zijn hoofd. Ze hadden al veel meegemaakt, maar in zijn beleving was dit wel het meest bizar. Hij keek naar Raistlin, gezeten naast zijn broer, die de wagen mende. Het met rode lovertjes afgezette gewaad van de magiër schitterde als een vlam in het felle licht van de winterzon. Met zijn schouders opgetrokken tegen de wind keek Raistlin strak voor zich uit, gehuld in mysterie. Het publiek vond het prachtig. Caramon droeg een kostuum van berenbont (een geschenk van Willem) en had de berenkop over zijn hoofd getrokken, zodat het leek of een beer de wagen mende. De kinderen juichten toen hij woest naar hen brulde.

Ze waren al bijna het stadje uit toen ze door een draconencommandant staande werden gehouden. Met zijn hart in zijn keel reed Tanis naar voren, zijn hand al op het gevest van zijn zwaard. Maar de commandant wilde alleen even navragen of ze ook langs Bloedwacht zouden reizen, waar draconen gelegerd waren. De dracoon had een vriend over de show verteld en de soldaten keken er erg naar uit. Tanis, die stilletjes zwoer dat hij geen voet in dat plaatsje zou zetten, beloofde plechtig dat ze hun opwachting zouden maken.

Eindelijk bereikten ze de stadspoort. Daar stapten ze van hun paard om hun vriend Willem gedag te zeggen. De herbergier omhelsde hen een voor een, beginnend met Tika en eindigend met Tika. Ook Raistlin wilde hij omhelzen, maar de magiër sperde zijn goudkleurige ogen zo angstaanjagend ver open toen Willem op hem afliep, dat de herbergier snel achteruitdeinsde.

De reisgenoten klommen weer op hun paarden. Raistlin en Caramon gingen terug naar de wagen. Het publiek juichte en smeekte hun terug te komen voor het Eggefeest in de lente. De wachters openden de poort en wensten hun een veilige reis. Zodra de reisgenoten buiten de stad waren, werd de poort achter hen dichtgedaan.

Er stond een kille wind. De grijze wolken spuwden af en toe wat sneeuw uit. De weg, waarvan hun was verzekerd dat hij veel werd gebruikt, strekte zich somber en verlaten voor hen uit. Raistlin begon te rillen en te hoesten. Na een tijdje besloot hij in de wagen te gaan liggen. De anderen trokken hun kap over hun hoofd en wikkelden hun bontmantel steviger om zich heen.

Caramon, die de paarden over de modderige weg met de diepe karrensporen stuurde, maakte een ongewoon bedachtzame indruk.

‘Weet je, Tanis,’ zei hij ernstig boven het gerinkel van de belletjes uit die Tika aan de manen van de paarden had bevestigd, ‘ik kan je niet zeggen hoe dankbaar ik ben dat onze vrienden ons nu niet kunnen zien. Kun je je voorstellen wat Flint zou zeggen? Die oude mopperkont van een dwerg zou me er tot in lengte van dagen aan blijven herinneren. En stel je Sturm eens voor!’ De grote man schudde zijn hoofd, want die gedachte kon hij niet eens onder woorden brengen.

Ja, verzuchtte Tanis in gedachten. Ik kan me voorstellen hoe Sturm zou reageren. Mijn vriend, ik heb nooit beseft hoezeer ik op jou vertrouwde, op je moed en je nobele geest. Leef je nog, mijn vriend? Ben je veilig in Sancrist aangekomen? Ben je nu daadwerkelijk de ridder die je in wezen altijd al bent geweest? Zullen we elkaar weerzien, of zijn we voorbestemd om elkaar in dit leven niet meer tegen te komen, zoals Raistlin heeft voorspeld?

De groep reed verder. Het werd donkerder en de storm werd heviger. Waterwind liet zich terugzakken om naast Goudmaan te kunnen rijden. Tika bond haar paard achter aan de wagen en kroop naar voren om naast Caramon te gaan zitten. In de wagen was Raistlin in slaap gevallen.

Tanis reed in zijn eentje, het hoofd gebogen, ver weg met zijn gedachten.

2

Het Ridderoordeel.

‘En tot slot,’ zei Derek zachtjes en afgemeten, ‘beschuldig ik Sturm Zwaardglans van lafheid ten overstaan van de vijand.’

Een zacht geroezemoes verspreidde zich door de groep ridders die in het kasteel van heer Gunthar bijeen was gekomen. Drie ridders, gezeten aan de tafel van massief eikenhout die vooraan in de zaal stond, staken de hoofden bij elkaar om op gedempte toon met elkaar te overleggen.