Выбрать главу

‘Sturm Zwaardglans,’ zei heer Gunthar toen het rumoer in de zaal wegstierf, ‘heb je de beschuldigingen gehoord die tegen je zijn geuit?’

‘Ja, mijn heer,’ antwoordde Sturm. Zijn diepe stem galmde griezelig na in de zaal. Opeens spleet in de enorme openhaard achter Gunthar een houtblok in tweeën, waardoor een golf van hitte en een regen van vonken de schoorsteen in werden gejaagd. Gunthar zweeg even terwijl bedienden naar binnen snelden om snel en efficiënt hout op het vuur te gooien. Zodra de bedienden weer weg waren, ging hij door met de rituele ondervraging.

‘Sturm Zwaardglans, heb je de beschuldigingen begrepen die tegen je zijn geuit, en begrijp je bovendien dat die beschuldigingen dermate ernstig zijn dat ze voor deze raad aanleiding kunnen vormen om je ongeschikt te verklaren voor het ridderschap?’

‘Ja...’ begon Sturm, maar zijn stem haperde. Hij kuchte en herhaalde ferm: ‘Ja, mijn heer.’

Gunthar streek zijn snor glad terwijl hij een manier probeerde te vinden om het gesprek in de juiste richting te sturen, wetend dat alles wat de jongeman tegen Derek te berde kon brengen vooral Sturm zelf zou schaden.

‘Hoe oud ben je, Zwaardglans?’ vroeg Gunthar.

Sturm knipperde met zijn ogen. Die vraag had hij niet verwacht.

‘Over de dertig, geloof ik,’ ging Gunthar peinzend verder.

‘Ja, mijn heer,’ antwoordde Sturm.

‘En afgaand van wat Derek ons heeft verteld over je wapenfeiten in het IJsmuurkasteel, een bekwaam krijger.’

‘Dat heb ik nooit ontkend, mijn heer,’ zei Derek, die overeind kwam. Er klonk een zweem van ongeduld in zijn stem door.

‘En toch beschuldig je hem van lafheid,’ snauwde Gunthar. ‘Als mijn geheugen me niet in de steek laat, verklaarde je dat hij je bevel ten strijde te trekken negeerde toen de elfen aanvielen.’

Dereks gezicht was rood. ‘Mag ik mijn heer eraan herinneren dat ik niet de beklaagde ben…’

‘Jij beschuldigt Zwaardglans van lafheid ten overstaan van de vijand,’ viel Gunthar hem in de rede. ‘Maar het is al heel lang geleden dat we de elfen tot onze vijanden rekenden.’

Derek aarzelde. De andere ridders leken slecht op hun gemak. De elfen waren lid van de Raad van de Wittesteen, maar mochten niet meestemmen. Vanwege de ontdekking van de drakenbol, zouden de elfen bij de komende raadsbijeenkomst aanwezig zijn, en het zou een slechte zaak zijn als hun ter ore kwam dat de ridders hen als vijanden beschouwden.

‘Wellicht is het woord “vijand” ietwat te sterk, mijn heer,’ zei Derek, die zich snel had hersteld. ‘Een vergissing, veroorzaakt door het feit dat ik gedwongen ben me te houden aan wat in de Maatstaf beschreven staat. Op het moment waarover ik sprak, waren de elfen weliswaar niet daadwerkelijk onze vijand, maar deden ze wel alles wat binnen hun macht lag om te voorkomen dat we met de drakenbol naar Sancrist zouden gaan. Aangezien dat mijn missie was en de elfen me trachtten tegen te houden, ben ik gedwongen hen als “vijanden” te categoriseren... volgens de Maatstaf.’

Gladjanus, dacht Gunthar met onwillekeurige bewondering.

Met een buiging om zich te verontschuldigen voor het feit dat hij had gesproken zonder toestemming, ging Derek weer zitten. Veel van de oudere ridders knikten goedkeurend.

‘Er staat ook in de Maatstaf,’ zei Sturm langzaam, ‘dat we niet onnodig mogen doden, dat we uitsluitend mogen vechten om onszelf of anderen te verdedigen. De elfen waren er niet opuit om ons te doden. We zijn geen moment werkelijk in levensgevaar geweest.’

‘Ze schoten pijlen op jullie af, man!’ Heer Alfred sloeg met zijn gehandschoende vuist op tafel.

‘Dat is waar, mijn heer,’ antwoordde Sturm, ‘maar iedereen weet dat de elfen uitstekende schutters zijn. Als ze ons hadden willen doden, zouden ze geen bomen hebben geraakt.’

‘Wat zou er volgens jou zijn gebeurd als jullie de elfen hadden aangevallen?’ vroeg Gunthar.

‘Naar mijn mening zou dat tragische gevolgen hebben gehad, mijn heer,’ zei Sturm met zachte, maar diepe stem. ‘Dan zouden er voor het eerst in vele generaties doden zijn gevallen bij een strijd tussen elfen en mensen. Ik denk dat de Drakenheren dan in hun vuistje zouden hebben gelachen.’

Verschillende jonge ridders begonnen te klappen.

Heer Alfred keek hen boos aan, gepikeerd over die ernstige overtreding van de gedragsregels, zoals die waren vastgelegd in de Maatstaf. ‘Heer Gunthar, mag ik u eraan herinneren dat heer Derek Kroonwacht niet de beklaagde is in dezen? Hij heeft in het strijdperk zijn moed keer op keer bewezen. Ik denk dat we blind kunnen vertrouwen op zijn inschatting met betrekking tot de vraag of iets een vijandelijke actie is of niet. Sturm Zwaardglans, beweer jij dat de beschuldigingen die heer Derek Kroonwacht tegen je heeft geuit ongegrond zijn?’

Sturm likte zijn droge, gebarsten lippen. ‘Mijn heer,’ begon hij, ‘ik beweer niet dat de ridder heeft gelogen. Ik zeg echter wel dat hij een verkeerd beeld van me heeft geschetst.’

‘Met welk doel?’ vroeg heer Michael.

Sturm aarzelde. ‘Daar geef ik liever geen antwoord op, mijn heer,’ zei hij zo zachtjes dat veel ridders op de achterste rij hem niet konden verstaan, en ze Gunthar vroegen de vraag te herhalen. Dat deed hij, en hij kreeg hetzelfde antwoord, maar nu luider.

‘Op grond waarvan weiger je die vraag te beantwoorden, Zwaardglans?’ vroeg heer Gunthar streng.

‘Omdat het, volgens de Maatstaf, de eer van de Ridderorde raakt,’ antwoordde Sturm.

Heer Gunthar trok een ernstig gezicht. ‘Dat is een zware beschuldiging. Besef je dat je niemand hebt die hem kan staven?’

‘Jazeker, mijn heer,’ antwoordde Sturm, ‘en dat is dan ook de reden dat ik liever geen antwoord geef.’

‘En als ik je beveel te antwoorden?’

‘Dat verandert de zaak uiteraard.’

‘Spreek dan, Sturm Zwaardglans. Dit is een uitzonderlijke situatie, en ik zie niet in hoe we een eerlijk oordeel kunnen vellen als we niet alles weten. Waarom denk je dat heer Derek Kroonwacht een verkeerd beeld van je heeft geschetst?’

Sturms gezicht werd vuurrood. Wringend in zijn handen sloeg hij zijn ogen op om de drie ridders die over hem zouden oordelen recht aan te kijken. Hij had al verloren, dat wist hij. Hij zou nooit ridder worden, nooit het doel bereiken dat belangrijker voor hem was dan het leven zelf. Het zou al erg genoeg zijn geweest als het door zijn eigen toedoen was mislukt, maar zó te verliezen deed extra pijn. Daarom zei hij wat hij wilde zeggen, al wist hij dat Derek daardoor de rest van zijn leven zijn aartsvijand zou blijven.

‘Ik geloof dat heer Derek Kroonwacht een verkeerd beeld van me heeft geschetst in een poging zijn eigen ambities te verwezenlijken, mijnheer.’

Er brak een groot tumult uit. Derek was overeind geschoten. Zijn vrienden moesten hem met geweld tegenhouden, anders zou hij Sturm midden in de Raadszaal zijn aangevallen. Gunthar bonkte met het gevest van het zwaard om orde te eisen, en uiteindelijk werd het weer rustig, maar niet voordat Derek Sturm had uitgedaagd tot een ereduel.

Gunthar staarde de ridder kil aan. ‘U weet net zo goed als ik, heer Derek, dat ereduels verboden zijn ten tijde van oorlog. Kalmeer of ik laat u uit de zaal verwijderen.’

Hijgend en met rode vlekken van woede in zijn gezicht liet Derek zich weer op zijn stoel zakken.

Gunthar wachtte nog even tot de rust helemaal was weergekeerd voordat hij verderging. ‘Is er nog iets wat je ter verdediging zou willen aanvoeren, Sturm Zwaardglans?’

‘Nee, mijn heer,’ zei Sturm.

‘Dan mag je je terugtrekken terwijl er over de kwestie wordt overlegd.’

Sturm stond op en maakte een buiging voor de heren, waarna hij zich omdraaide en voor de andere ridders boog. Vervolgens verliet hij de zaal, begeleid door twee ridders die hem naar een wachtkamer brachten. Daar lieten de twee ridders Sturm, op niet onvriendelijke wijze, alleen met zijn gedachten. Bij de deur gingen ze zachtjes staan praten over zaken die niets met het Ridderoordeel te maken hadden.

Sturm ging helemaal achter in de kamer op een bankje zitten. Hij leek kalm en beheerst, maar dat was slechts uiterlijke schijn. Het laatste wat hij wilde, was dat deze ridders zouden beseffen wat een chaos het was in zijn hoofd. Het was hopeloos, daarvan was hij overtuigd. Dat had Gunthars gekwelde gezicht afdoende duidelijk gemaakt. Maar wat zou zijn straf zijn? Ballingschap, nadat hem zijn land, geld en bezittingen waren afgenomen? Sturm glimlachte verbitterd. Hij had niets wat ze hem nog konden afpakken. En hij was al zo lang weg geweest uit Solamnië dat ballingschap weinig aan zijn leven zou veranderen. De dood? Daar zou hij bijna blij mee zijn. Alles was beter dan dit hopeloze bestaan, deze doffe, knagende pijn.