Uren verstreken. In de raadszaal klonk het gedempte geluid van drie stemmen, soms hard, dan weer zacht, en vaak boos. De meeste andere ridders hadden de zaal verlaten, aangezien alleen de drie Hoofden van de Raad het oordeel konden uitspreken. De overige ridders waren in verschillende kampen verdeeld.
De jonge ridders spraken openlijk over Sturms nobele houding en zijn moedige daden, die zelfs Derek niet kon ontkennen. Sturm had gelijk dat hij niet tegen de elfen had willen vechten. De ridders van Solamnië hadden al hun vrienden hard nodig tegenwoordig. Waarom zou je dan nodeloos aanvallen, enzovoorts. De oudere ridders hadden daar slechts één antwoord op: de Maatstaf. Derek had Sturm een bevel gegeven. Die had geweigerd het op te volgen. Volgens de Maatstaf was dat onvergeeflijk. Het grootste deel van de middag woedden de ruzies voort.
Toen, kort voor de avond, rinkelde er een zilveren belletje.
‘Zwaardglans,’ zei een van de ridders.
Sturm keek op. ‘Is het zover?’
De ridder knikte.
Sturm boog even het hoofd om Paladijn om moed te vragen. Toen stond hij op. Hij en zijn begeleiders wachtten tot de andere ridders weer in de zaal hadden plaatsgenomen. Sturm wist dat ze, zodra ze binnen kwamen, het oordeel zouden vernemen.
Uiteindelijk openden de twee ridders de deur en gebaarden dat Sturm naar binnen kon. Hij liep de zaal binnen, gevolgd door zijn begeleiders. Meteen ging Sturms blik naar de tafel waarachter heer Gunthar zat.
Op die tafel lag het zwaard van zijn vader, het zwaard dat volgens de legende oorspronkelijk van Berthel Zwaardglans was geweest, en dat pas zou breken als zijn meester brak. Sturms blik bleef rusten op het zwaard. Hij boog het hoofd om zijn tranen te verbergen.
Om het blad was het traditionele symbool van schuld gewikkeld: zwarte rozen.
‘Laat de man Sturm Zwaardglans naar voren komen,’ riep heer Gunthar.
‘De man Sturm Zwaardglans’, niet ‘de ridder’, dacht Sturm wanhopig. Toen dacht hij aan Derek en hief hij snel, trots zijn kin terwijl hij zijn tranen weg knipperde. Zoals hij op het slagveld zijn pijn zou verbergen voor de vijand, zo wilde hij hem nu voor Derek verbergen. Met zijn hoofd uitdagend geheven en zijn blik uitsluitend op heer Gunthar gericht liep de in ongenade gevallen schildknaap naar de drie hoofden van de Orde toe om het oordeel aan te horen.
‘Sturm Zwaardglans, we hebben je schuldig bevonden. We zijn klaar om ons oordeel uit te spreken. Ben jij klaar om het aan te horen?’
‘Ja, mijn heer,’ zei Sturm gespannen.
Gunthar trok aan zijn snor, een teken dat de mannen die onder hem hadden gediend goed kenden. Heer Gunthar trok altijd aan zijn snor vlak voordat hij zich in het strijdgewoel mengde.
‘Sturm Zwaardglans, wij hebben geoordeeld datje vanaf dit moment niet langer gerechtigd bent de wapenrusting en symbolen van een ridder van Solamnië te dragen.’
Sturm slikte moeizaam. ‘Ja, mijn heer.’
‘En dat je vanaf dit moment geen recht hebt op soldij uit de geldkisten van de ridders, en geen bezittingen of geschenken van hen in ontvangst mag nemen...’
De ridders in de zaal schoven rusteloos heen en weer. Dit sloeg nergens op. Al sinds de Catastrofe had niemand soldij van de Orde ontvangen. Er stond iets te gebeuren. Ze konden voelen dat er storm op komst was.
‘Ten slotte...’ Heer Gunthar zweeg. Spelend met de zwarte rozen die het antieke zwaard sierden, boog hij naar voren. Hij richtte zijn schrandere ogen op zijn publiek om hun aandacht op zich te vestigen en de spanning op te bouwen. Tegen de tijd dat hij sprak, leek het of zelfs het haardvuur achter hem niet meer durfde te knetteren.
‘Sturm Zwaardglans. Geachte aanwezigen. Nooit eerder is een dergelijke zaak voor de Raad gebracht. Dat is op zichzelf niet zo vreemd als het misschien lijkt, want dit zijn duistere en ongewone tijden. Voor ons staat een jonge schildknaap — en laten we niet vergeten dat Sturm Zwaardglans naar alle maatstaven van de Orde nog een jongeman is — een jonge schildknaap die bekendstaat om zijn moed en bekwaamheid in het strijdperk. Zelfs zijn beschuldiger geeft dat toe. Een jonge schildknaap die ervan wordt beschuldigd bevelen te hebben genegeerd en lafheid te hebben getoond ten overstaan van de vijand. De jonge schildknaap ontkent de beschuldigingen niet, maar beweert dat er een verkeerd beeld van hem is geschetst.
Volgens de Maatstaf moeten we eerst en vooral op het woord van een beproefd ridder als Derek Kroonwacht vertrouwen, en niet op dat van een man die zijn schild nog niet heeft verdiend. Maar in de Maatstaf staat ook dat zo’n man het recht heeft getuigen op te roepen die hem kunnen steunen. Als gevolg van de ongewone omstandigheden veroorzaakt door deze duistere tijden, is Sturm Zwaardglans niet in staat dergelijke getuigen op te roepen. Ook Derek Kroonwacht kon geen getuigen oproepen die zijn verklaring konden staven. Daarom hebben we besloten tot de volgende, ietwat ongebruikelijke maatregel.’
Verward en bezorgd keek Sturm Gunthar aan. Wat gebeurde hier? Hij wierp een vluchtige blik op de andere twee ridders. Heer Alfred deed geen moeite om zijn woede te verhullen. De maatregel waar Gunthar het over had was kennelijk zwaar bevochten.
‘Deze Raad heeft besloten,’ ging Gunthar verder, ‘dat de jongeman Sturm Zwaardglans zal worden toegelaten tot de laagste orde der ridders, namelijk de orde van de Kroon... waarbij ik persoonlijk voor hem garant sta...’
Er klonk een collectieve kreet van verbazing.
‘En dat hij verder zal worden aangesteld als derde bevelhebber van het leger dat over korte tijd naar Palanthas zal uitvaren. Zoals voorgeschreven door de Maatstaf dient er van iedere orde een afgezant in het Opperbevel aanwezig te zijn. Derek Kroonwacht zal de rol van opperbevelhebber vervullen, namens de orde van de Roos. Heer Alfred Mar-Kenin zal optreden als vertegenwoordiger van de orde van het Zwaard, en Sturm Zwaardglans wordt bevelhebber namens de orde van de Kroon, waarbij ik opnieuw persoonlijk voor hem garant sta.’
Omringd door verbijsterde stilte voelde Sturm de tranen over zijn wangen biggelen, maar nu hoefde hij ze niet meer te verbergen. Achter zich hoorde hij iemand met rinkelend zwaard opstaan. Woedend beende Derek de zaal uit, gevolgd door de overige ridders uit zijn kamp. Er werd hier en daar echter ook gejuicht. Door zijn tranen heen zag Sturm dat ongeveer de helft van de ridders die in de zaal waren achtergebleven, met name de jongere ridders die hij in de strijd zou aanvoeren, enthousiast klapten. Desondanks welde er een felle pijn op uit het diepst van zijn ziel. Hij had een persoonlijke overwinning behaald, maar hij was ontzet door wat er van de ridderorde was geworden: door machtswellustelingen verdeeld in kampen. Wat hij hier zag, was niet meer dan een bleke schim van de ooit zo gerespecteerde broederschap.
‘Gefeliciteerd, Zwaardglans,’ zei heer Alfred stijfjes. ‘Ik hoop dat je beseft wat heer Gunthar voor je heeft gedaan.’
‘Dat begrijp ik zeker, mijn heer,’ zei Sturm met een buiging, ‘en ik zweer op het zwaard van mijn vader’ — hij legde zijn hand erop — ‘dat ik zijn vertrouwen niet zal beschamen.’
‘Dat is je geraden, jongeman,’ antwoordde heer Alfred, waarop hij vertrok. De jongere heer, Michael, liep zonder een woord tegen Sturm te zeggen achter hem aan.
De andere jonge ridders kwamen echter naar voren om Sturm enthousiast te feliciteren. Ze dronken wijn op zijn gezondheid en zouden er een uitbundig drinkgelag van hebben gemaakt als Gunthar hen niet had weggestuurd.