Zodra alle anderen weg waren, gaf heer Gunthar Sturm breed lachend een hand. De jonge ridder beantwoordde die handdruk warm, maar niet de glimlach. Daarvoor was de wond nog te vers.
Langzaam en zorgvuldig haalde Sturm de zwarte rozen van zijn zwaard en legde die op tafel voordat hij het weer in de schede om zijn middel stak. Hij wilde de rozen wegvegen, maar bedacht zich, pakte er een en stak die in zijn riem.
‘Ik moet u bedanken, mijn heer,’ begon Sturm met bevende stem.
‘Daar is helemaal geen reden voor, beste jongen,’ zei heer Gunthar. Huiverend keek hij om zich heen. ‘Laten we maken dat we hier wegkomen en een warm plekje gaan opzoeken. Bisschopswijn?’
De twee ridders liepen door de stenen gangen van Gunthars oeroude kasteel. Beneden hoorden ze de geluiden van de jonge ridders die vertrokken: het gekletter van hoeven op de kasseien, luide stemmen, en zelfs iemand die een strijdlied inzette.
‘Ik moet u bedanken, mijn heer,’ zei Sturm vastberaden. ‘Het risico dat u neemt is erg groot. Ik hoop dat ik u niet teleurstel...’
‘Welk risico? Onzin, mijn jongen.’ Wrijvend in zijn handen om de bloedsomloop te bevorderen leidde Gunthar Sturm naar een kleine kamer die was versierd voor het ophanden zijnde midwinteravondfeest, met in de kas gekweekte rode rozen, ijsvogelveren en piepkleine gouden kroontjes. In de haard brandde een vrolijk vuur. Op Gunthars bevel kwamen bedienden twee bekers dampende, kruidig ruikende wijn brengen. ‘Ik weet niet meer hoe vaak je vader me met zijn schild heeft afgeschermd en de vijand op afstand heeft gehouden wanneer ik gevallen was.’
‘En u hebt voor hem hetzelfde gedaan,’ zei Sturm. ‘U bent hem niets verschuldigd. Dat u persoonlijk voor me garant staat, betekent dat u eronder lijdt als ik faal. Dan worden u uw rang, uw titel en uw land afgenomen. Daar zorgt Derek wel voor,’ voegde hij er somber aan toe.
Terwijl Gunthar een grote slok wijn nam, nam hij de jongeman op die voor hem stond. Sturm nam puur uit beleefdheid een klein slokje uit de beker, die hij vasthield met een hand die zichtbaar beefde. Vriendelijk legde Gunthar zijn hand op Sturms schouder en liet hem op een stoel plaatsnemen.
‘Heb je in het verleden ooit gefaald, Sturm?’ vroeg Gunthar.
Met een felle blik in zijn bruine ogen keek Sturm op. ‘Nee, mijn heer,’ antwoordde hij. ‘Nooit. Dat zweer ik.’
‘Dan zie ik de toekomst vol vertrouwen tegemoet,’ zei heer Gunthar glimlachend. Hij hief zijn beker. ‘Op jouw geluk in de strijd, Sturm Zwaardglans.’
Sturm sloot zijn ogen. De spanning werd hem te veel. Met zijn hoofd op zijn arm barstte hij in huilen uit. Zijn lichaam schokte van de pijnlijke snikken. Gunthar legde stevig een hand op zijn schouder.
‘Ik begrijp het wel...’ zei hij, en in gedachten keerde hij terug naar een moment uit het verleden, waarop de vader van deze jongeman op dezelfde manier in huilen was uitgebarsten. Dat was de avond waarop heer Zwaardglans zijn jonge vrouw met hun zoon, een zuigeling nog maar, in ballingschap had gestuurd, een reis waarvan hij hen nooit zou zien terugkeren.
Uitgeput viel Sturm uiteindelijk in slaap, nog steeds met zijn hoofd op tafel. Gunthar bleef bij hem zitten, in beslag genomen door zijn herinneringen, en nipte van zijn wijn tot ook hij wegdommelde.
De paar dagen die nog over waren voordat het leger naar Palanthas zou varen, vlogen voorbij voor Sturm. Hij moest een wapenrusting zien te vinden, een gebruikte, want een nieuwe kon hij zich niet veroorloven. De wapenrusting van zijn vader pakte hij zorgvuldig in, aangezien hij hem niet langer mocht dragen, maar hij was vast van plan hem mee te nemen. Vervolgens moest hij bij beraadslagingen aanwezig zijn, strategische plannen bestuderen en zich gegevens over de vijand eigen maken.
De strijd om Palanthas zou een bittere worden en bepalen wie het noorden van Solamnië in handen zou krijgen. De leiders waren het eens over een strategie. Ze zouden de stadsmuren versterken met het leger van de stad zelf. De ridders op hun beurt zouden de Toren van de Hogepriester bezetten, die de pas door het Vingaardgebergte blokkeerde. Maar dat was het enige waarover ze het eens waren. De besprekingen tussen de drie leiders verliepen gespannen en de sfeer was kil.
Eindelijk brak de dag aan waarop de schepen konden uitvaren. De ridders gingen aan boord. Hun gezinnen stonden stilletjes op de kade, met bleke gezichten, maar er vloeiden weinig tranen. De vrouwen stonden er net zo vastberaden en streng bij als hun mannen. Sommigen hadden zelfs een zwaard omgegord. Iedereen wist dat de vijand over zee zou aanvallen als de slag in het noorden verloren werd.
Gunthar stond op de kade, gehuld in zijn glanzende harnas, te praten met de ridders en afscheid te nemen van zijn zoons. Hij en Derek wisselden enkele rituele woorden, zoals voorgeschreven in de Maatstaf. Hij en heer Alfred omhelsden elkaar kort. Tot slot zocht Gunthar Sturm op. De jonge ridder, gehuld in een eenvoudig, armoedig ogend harnas, stond een eindje bij de massa vandaan.
‘Zwaardglans,’ zei Gunthar zachtjes toen hij naast hem stond, ‘ik wil je dit al een tijdje vragen, maar heb er de afgelopen dagen geen gelegenheid voor gehad. Je vertelde me dat die vrienden van je naar Sancrist zouden komen. Zijn er lieden onder hen die als getuigen voor de Raad zouden kunnen optreden?’
Sturm zweeg. In zijn verwarring kon hij in eerste instantie alleen aan Tanis denken. Die laatste paar inspannende dagen was hij met zijn gedachten vaak bij zijn goede vriend geweest. Even had hij zelfs de hoop gekoesterd dat Tanis in Sancrist zou opduiken. Die hoop was echter vervlogen. Waar Tanis ook was, hij had met zijn eigen problemen en gevaren te kampen. Er was nog iemand die hij tegen beter weten in had gehoopt terug te zien. Zonder er echt bij na te denken legde Sturm zijn hand op het Sterrenjuweel dat aan een ketting om zijn hals op zijn borst rustte. Hij kon de warmte ervan bijna voelen, en wist— zonder te weten hoe — dat Alhana weliswaar ver weg, maar altijd bij hem was. Toen...
‘Laurana!’ zei hij.
‘Een vrouw?’ Gunthar fronste zijn wenkbrauwen.
‘Ja, maar ze is de dochter van de Zonnenspreker, lid van het koninklijk huis van de Qualinesti. En dan is er nog haar broer, Gilthanas. Beiden zouden voor mij instaan.’
‘Het koninklijk huis...’ prevelde Gunthar bedachtzaam. Zijn gezicht klaarde op. ‘Dat zou perfect zijn, zeker omdat we hebben vernomen dat de Spreker persoonlijk bij de Hoge Raad aanwezig zal zijn om de drakenbol te bespreken. Als dat gebeurt, mijn jongen, dan zal ik het je op de een of andere manier laten weten, zodat je die wapenrusting weer kunt aantrekken. Dan krijg je eerherstel en zul je vrij zijn hem zonder schaamte te dragen!’
‘En zult u bevrijd zijn van uw belofte,’ zei Sturm terwijl hij de ridder dankbaar de hand schudde.
‘Ach, maak je daar nou maar geen zorgen om.’ Gunthar legde zijn hand op Sturms hoofd, zoals hij zijn hand op het hoofd van zijn eigen zoons had gelegd. Eerbiedig knielde Sturm voor hem neer. ‘Ontvang mijn zegen, Sturm Zwaardglans, de zegen van een vader die ik je geef in afwezigheid van je eigen vader. Doe je plicht jongeman, en blijf te allen tijde de zoon van je vader. Moge de geest van heer Huma met je zijn.’
‘Dank u, mijn heer,’ zei Sturm terwijl hij opstond. ‘Vaarwel.’
‘Vaarwel, Sturm,’ zei Gunthar. Nadat hij de jonge ridder nog even kort had omhelsd, draaide hij zich om en liep weg.
De ridders gingen aan boord. De dag was aangebroken, maar de zon stond niet aan de winterse hemel. Grijze wolken hingen boven de loodgrijze zee. Er klonk geen gejuich, alleen de geschreeuwde bevelen van de kapitein en de antwoorden van zijn bemanning, het gepiep van de katrollen en het geklapper van de zeilen in de wind.
Langzaam haalden de witgevleugelde schepen het anker op en zetten ze koers naar het noorden. Al snel was het laatste zeil uit het zicht verdwenen, maar nog steeds verliet niemand de kade, zelfs niet toen er een hevige regenbui losbarstte die hen bombardeerde met hagel en natte sneeuw, en het leek of er een grijs gordijn boven het koude water werd dichtgetrokken.