Выбрать главу

3

De drakenbol. Caramons plechtige belofte.

Raistlin stond in de smalle deuropening van de wagen, zijn goudkleurige ogen gericht op het zonnige bos. Het was doodstil. Het midwinteravondfeest was achter de rug. Het platteland was stevig in de greep van de winter. Niets bewoog op het sneeuwdek dat het land bedekte. Zijn metgezellen waren weg, bezig met hun taken. Raistlin knikte grimmig. Mooi. Hij draaide zich om, liep de wagen in en maakte de houten deur stevig dicht.

De reisgenoten kampeerden hier al enkele dagen, aan de rand van Kendermeer. Hun reis was bijna ten einde. Het was een ongelooflijk succes geworden. Vanavond zouden ze, in de verhullende duisternis, op weg gaan naar Zeedrift. Ze hadden geld om een schip te huren, en dan bleef er nog genoeg over om mondvoorraad in te slaan en een week in Zeedrift te verblijven. Die middag hadden ze hun laatste voorstelling gegeven.

De jonge magiër liep tussen de rommel door naar het achterste deel van de wagen. Zijn blik bleef rusten op het glinsterende rode gewaad dat aan een spijker hing. Tika had op het punt gestaan het in de pakken, maar Raistlin had haar fel afgesnauwd. Schouderophalend had ze het laten hangen, waarop ze naar buiten was gegaan om in het bos te wandelen, wetend dat Caramon haar zoals gewoonlijk wel zou weten te vinden.

Raistlin stak zijn magere hand uit naar het gewaad; met zijn slanke vingers streelde hij weemoedig de glanzende, met lovertjes bedekte stof. Het speet hem dat dit deel van zijn leven voorbij was.

‘Ik was gelukkig,’ prevelde hij. ‘Merkwaardig. Er zijn maar weinig momenten in mijn leven geweest waarop ik dat kon beweren. Zeker niet toen ik nog jong was, en ook niet de afgelopen jaren, nadat ze mijn lichaam hadden gemarteld en me met deze ogen hadden vervloekt. Maar goed, ik heb ook nooit op geluk gerekend. Het verbleekt immers bij mijn magie. Maar toch... de afgelopen weken waren vredig. Gevuld met geluk. Ik neem aan dat ik dat niet nog eens zal meemaken. Niet als ik heb gedaan wat ik moet doen...’

Raistlin hield het gewaad nog even vast, maar smeet het toen schouderophalend in een hoek en liep verder de wagen in, naar het deel dat hij voor zijn persoonlijke gebruik met een gordijn had afgeschermd. Dat gordijn trok hij resoluut achter zich dicht.

Uitstekend. Zeker een paar uur, tot het donker werd, zou hij niet worden lastiggevallen. Tanis en Waterwind waren op jacht. Caramon zogenaamd ook, maar iedereen wist dat het slechts een smoes was, zodat hij wat tijd alleen met Tika kon doorbrengen. Goudmaan maakte eten klaar voor de reis. Niemand zou hem storen. Tevreden knikte de magier bij zichzelf.

Hij nam plaats aan het opklap tafeltje dat Caramon voor hem had gemaakt en haalde uit een diepe binnenzak van zijn gewaad een onopvallend ogende zak, de zak die de drakenbol bevatte. Zijn skeletachtige vingers beefden toen hij aan het koord trok. De zak ging open. Voorzichtig haalde Raistlin de drakenbol eruit. Hij paste makkelijk in zijn handpalm, en hij bestudeerde het voorwerp aandachtig om te zien of er iets aan was veranderd.

Nee. Nog steeds kolkte er iets groens in het midden. Nog steeds voelde hij koud aan, alsof hij een hagelsteen in zijn hand had. Glimlachend hield Raistlin de drakenbol stevig inéén hand vast terwijl hij met de andere tussen de rekwisieten rommelde die onder het tafeltje lagen. Eindelijk vond hij wat hij zocht: een primitief vervaardigde houten driepoot. Die zette Raistlin op de tafel. Hij was niet bepaald mooi. Flint zou er niets dan minachting voor over hebben gehad. Raistlin had het benodigde talent noch de voorliefde voor het bewerken van hout. Het had hem veel tijd en moeite gekost om de driepoot te vervaardigen, in het geheim, tijdens die lange dagen op de weg wanneer hij zich in de hotsende en botsende wagen had opgesloten. Nee, hij was niet bepaald mooi, maar dat kon hem niets schelen. Voor zijn doeleinden was hij goed genoeg.

Hij zette de driepoot op de tafel en legde daar de drakenbol op. De bol zo groot als een knikker zag er belachelijk uit zo, maar Raistlin leunde geduldig en afwachtend achterover. Zoals hij al had verwacht, begon de bol al snel te groeien. Maar was dat wel zo? Misschien was Raistlin juist wel aan het krimpen. Dat kon hij niet met zekerheid vaststellen. Het enige wat hij wist, was dat de bol opeens de juiste afmetingen had. Als er iets was veranderd, dan was het dat hij te klein was, te onbeduidend om zelfs maar met de bol in hetzelfde vertrek te verkeren.

De magiër schudde zijn hoofd. Hij moest de bol de baas blijven, wist hij, en meteen besefte hij wat een subtiele trucjes de bol gebruikte om zijn overwicht te ondermijnen. Het zou niet lang duren of die trucjes zouden niet langer subtiel zijn. Raistlin voelde zijn keel samenknijpen. Zijn zwakke longen vervloekend hoestte hij en hapte beverig naar lucht. Zodra de hoestbui voorbij was, dwong hij zichzelf rustig en ontspannen te blijven ademen.

Ontspannen, dacht hij. Ik moet me ontspannen. Ik ben niet bang. Ik ben sterk. Kijk maar eens wat ik allemaal heb gedaan! In stilte riep hij de bol toe: kijk naar de macht die ik heb vergaard. Kijk wat ik in het Duisterwold heb gedaan, en in Silvanesti. Ik ben sterk. Ik heb geen angst.

De kleuren in de bol bewogen langzaam. Er kwam geen antwoord.

Even sloot de magiër zijn ogen. Zodra hij zichzelf weer in de hand had, richtte hij met een zucht zijn blik op de bol. Het moment naderde.

De drakenbol had nu zijn oorspronkelijke grootte terug. Hij kon bijna zien hoe Loracs weggeteerde handen hem omvatten. De jonge magier huiverde onwillekeurig. Nee! Hou op! hield hij zichzelf vastberaden voor, en meteen bande hij het beeld uit zijn gedachten.

Opnieuw probeerde hij zich bewust te ontspannen en regelmatig te ademen, met zijn goudkleurige ogen nog steeds op de bol gericht. Uiteindelijk stak hij langzaam zijn metaalkleurige vingers ernaar uit. Na een korte aarzeling legde Raistlin zijn beide handen op het koude kristal van de drakenbol en sprak de oeroude woorden.

‘Ast bilak moiparalan/Suh akvlar tantangusar.’ Hoe wist hij wat hij moest zeggen? Hoe wist hij welke oude spreuk ervoor zou zorgen dat de bol hem zou begrijpen en zich van zijn aanwezigheid bewust werd? Dat kon hij niet zeggen. Het enige wat hij met zekerheid kon zeggen, was dat hij het op de een of andere manier diep van binnen al had geweten. Was het de stem die in Silvanesti tegen hem had gesproken? Misschien. Het deed er niet toe.Opnieuw zei hij de woorden hardop. ‘Ast bilak moiparalan/Suh akvlar tantangusar?

Langzaam ging het zwevende groen ten onder in een veelheid van kolkende, verschuivende kleuren die hem duizelig maakten als hij er te ingespannen naar keek. Het kristal onder zijn handen was zo koud dat het pijn deed om het aan te raken. Er verscheen een schrikbeeld voor Raistlins geestesoog: als hij zijn handen wegtrok, zou zijn huid op de bol achterblijven, stevig vast gevroren. Met zijn kiezen op elkaar geklemd negeerde hij de pijn en hij fluisterde opnieuw de woorden.

De kleuren hielden op met kolken. In het midden was nu een gloeiend lichtpuntje te zien, dat zwart noch wit was, dat alle kleuren had, maar tegelijk ook geen. Moeizaam probeerde Raistlin het verstikkende slijm weg te slikken dat in zijn keel omhoogkwam.

Uit het licht doemden twee handen op. Hij voelde een wanhopige aandrang om de bol los te laten, maar voordat hij in beweging kon komen, grepen de twee handen de zijne stevig vast. De bol verdween. Het kamertje verdween. Om zich heen zag Raistlin helemaal niets. Geen licht, geen duisternis, niets. Niets dan die twee handen die de zijne vasthielden. Uit pure doodsangst concentreerde Raistlin zich op die handen.

Waren ze van een mens? Een elf? Oud? Jong? Hij wist het niet. De vingers waren lang en slank, maar hun greep was als de greep van de dood. Als hij losliet, zou hij in dat niets vallen en daar blijven zweven tot hij werd opgeslokt door de barmhartige duisternis. Terwijl hij zich met een kracht geboren uit angst aan die handen vastklampte, besefte Raistlin dat ze hem langzaam naar zich toe trokken, dat ze hem meetrokken naar... naar...

Raistlin kwam tot bezinning, zo plotseling alsof iemand een emmer koud water in zijn gezicht had gegooid. Nee, zei hij tegen de geest die hij achter de handen kon voelen. Daar ga ik niet naartoe! Hij was bang dat die reddende handen hem zouden loslaten, maar hij was nog veel banger om ergens naartoe te worden gesleurd waar hij niet wilde zijn. Hij zou niet loslaten. Ik zal de controle houden, zei hij woest tegen de geest die de handen beheerste. Hij verstevigde zijn eigen greep, verzamelde al zijn kracht en trok de handen naar zich toe.