Een tijd lang was er sprake van een patstelling terwijl de twee wilskrachtige geesten botsten, verwikkeld in een strijd om leven en dood. Raistlin voelde hoe de kracht uit zijn lichaam wegstroomde, zijn greep verslapte en zijn handen begonnen te zweten. Hij voelde dat de handen van de bol hem weer naar voren trokken, al was het maar een heel klein stukje. Het was bijna ondraaglijk, maar Raistlin verzamelde elke druppel bloed, sprak elke zenuw aan en offerde elke spier in zijn lichaam op om de controle terug te krijgen.
Langzaam, tergend langzaam, juist op het moment dat hij dacht dat zijn hart in zijn borst zou barsten of dat zijn brein in vlammen zou opgaan, voelde Raistlin hoe de handen ophielden met trekken. Ze omklemden hem nog steeds stevig, en Raistlin klampte zich er nog altijd aan vast, maar het gevecht was over. Zijn handen en die van de drakenbol bleven verstrengeld, in wederzijds respect, zonder dat de een de ander trachtte te onderwerpen.
De extase over de overwinning, de extase van de magie stroomde door Raistlins lichaam en baande zich een weg naar buiten, zodat hij in een warme, gouden gloed werd gehuld. Zijn lichaam ontspande zich. Hij beefde, maar voelde dat de handen hem voorzichtig vasthielden, hem ondersteunden, hem kracht schonken.
Wat ben je, vroeg hij in gedachten. Goed? Kwaad?
Ik ben geen van beide. Ik ben niets. Ik ben alles. De essentie van draken, lang geleden gevangen, dat ben ik.
Hoe werk je, vroeg Raistlin. Hoe beheers je de draken?
Op jouw bevel zal ik ze tot me roepen. Ze kunnen mijn roep niet weerstaan. Ze zullen gehoorzamen.
Zullen ze zich tegen hun meesters keren? Zullen ze onder mijn bevel komen?
Dat hangt af van de kracht van de meester en de band tussen meester en draak. In sommige gevallen is die band zo sterk dat de meester de draak onder controle kan houden. Maar de meeste zullen doen wat je van ze vraagt. Ze kunnen niet anders.
Ik moet hierover nadenken, prevelde Raistlin, die zichzelf voelde verzwakken. Ik begrijp het niet...
Wees gerust. Ik zal je helpen. Nu we met elkaar verbonden zijn, kun je vaak mijn hulp inroepen. Ik ken vele geheimen die anderen al lang zijn vergeten. Ze kunnen van jou zijn.
Wat voor geheimen...? Raistlin voelde dat hij het bewustzijn dreigde te verliezen. Hij deed zijn best om de handen vast te houden, maar hij voelde ze wegglippen.
De handen hielden hem teder vast, als een moeder die haar kind ondersteunt. Rustig maar, ik laat je niet vallen. Ga slapen. Je bent vermoeid.
Vertel op! Ik moet het weten! riep Raistlin in stilte.
Alleen dit zal ik je vertellen, en dan moetje gaan rusten. In de bibliotheek van Astinus van Palanthas staan boeken, honderden boeken, die daar in de tijd voor de Verloren Strijd door de oude magiërs naartoe zijn gebracht. In de ogen van eenieder die naar deze boeken kijkt, zijn het slechts encyclopedieën van de magie, saaie geschiedenissen over magiërs die in de diepste krochten van het verleden al zijn gestorven.
Raistlin zag dat de duisternis hem besloop. Hij klampte zich vast aan de handen.
Wat bevatten de boeken in werkelijkheid, fluisterde hij.
Toen wist hij het, en samen met de wetenschap overspoelde de duisternis hem als een hoge zeegolf.
In een grot in de buurt van de wagen, verborgen in schaduw en verwarmd door hun hartstocht lagen Tika en Caramon in elkaars armen. Tika’s vochtige, rode krullen kleefden aan haar gezicht en voorhoofd, haar ogen waren gesloten en haar volle lippen vaneen geweken. Haar zachte lichaam, gehuld in een felgekleurde rok en een witte bloes met pofmouwen, drukte ze tegen Caramon aan. Hun benen waren verstrengeld, haar hand streelde zijn gezicht en haar lippen streken langs de zijne.
‘Toe, Caramon,’ fluisterde ze. ‘Dit is een marteling. We verlangen naar elkaar. Ik ben niet bang. Toe, heb me lief!’
Caramon sloot zijn ogen. Zijn gezicht glansde van het zweet. De pijn van zijn liefde was bijna ondraaglijk. Hij kon er een eind aan maken, de pijn laten verdwijnen in zoete extase. Even aarzelde hij. De geur van Tika’s haar drong in zijn neus, hij voelde haar zachte lippen tegen zijn hals. Het zou zo gemakkelijk zijn... zo geweldig...
Caramon zuchtte. Vastberaden pakte hij Tika bij haar polsen, trok haar handen van zijn gezicht en duwde haar van zich af.
‘Nee,’ zei hij met een stem die verstikt was van hartstocht. Hij rolde om en stond op. ‘Nee,’ herhaalde hij. ‘Het spijt me. Het was niet mijn bedoeling om... om het zo ver te laten komen.’
‘Maar het was wél mijn bedoeling!’ riep Tika uit. ‘Ik ben niet bang. Niet meer.’
Nee, dacht hij terwijl hij zijn handen tegen zijn bonzende hoofd drukte. Ik voel je trillen onder mijn handen als een verstrikt konijntje. Tika wilde het koord van haar witte bloes aanhalen, maar omdat ze door haar tranen heen niet kon zien wat ze deed, rukte ze er uit frustratie zo fel aan dat het knapte.
‘Kijk nou wat je gedaan hebt!’ Ze smeet het afgeknapte stuk zijden koord door de grot. ‘Nu heb ik mijn bloes kapotgemaakt! Nu moet ik hem weer maken. En iedereen zal natuurlijk weten wat er is gebeurd. Of ze zullen denken dat ze het weten. Ik... ik... Ach, wat maakt het ook uit!’ Huilend van frustratie sloeg Tika haar handen voor haar gezicht en wiegde heen en weer.
‘Het kan me niet schelen wat ze denken!’ zei Caramon zo luid dat zijn stem door de hele grot galmde. Hij troostte haar niet, want hij wist dat hij aan zijn hartstocht zou toegeven als hij haar nu weer aanraakte. ‘En trouwens, ze denken helemaal niets. Het zijn onze vrienden. Ze geven om ons...’
‘Dat weet ik wel!’ riep Tika snikkend. ‘Het komt door Raistlin, hè? Hij vindt mij niet goed genoeg. Hij haat me!’
‘Dat mag je niet zeggen, Tika,’ zei Caramon op ferme toon. ‘Al was dat zo en was hij tien keer zo sterk als nu, dan nog zou het er niet toe doen. Het kan me niet schelen wat andere mensen zeggen of denken. Onze vrienden willen dat we gelukkig zijn. Ze begrijpen niet waarom we... waarom we nog geen... eh... geliefden zijn. Tanis heeft me zelfs recht in mijn gezicht een dwaas genoemd...’
‘Hij heeft gelijk.’ Tika’s stem werd gedempt door het gordijn van vochtig haar voor haar gezicht.
‘Misschien, maar misschien ook niet.’
Iets in Caramons stem zorgde ervoor dat het meisje ophield met huilen. Ze keek naar hem op toen hij zich naar haar omdraaide.
‘Jij weet niet wat er in de Torens van de Hoge Magie met Raist is gebeurd. Dat weet niemand van jullie, en dat zullen jullie ook nooit weten. Maar ik wel. Ik was erbij. Ik heb het gezien. Ze hebben me gedwongen ernaar te kijken.’ Huiverend sloeg Caramon zijn handen voor zijn gezicht. Tika hield zich doodstil. Toen haalde hij diep adem en keek haar weer aan. ‘Ze zeiden: “Zijn kracht zal de wereld redden.” Maar welke kracht? Zijn inwendige kracht? Ik ben zijn uitwendige kracht. Ik... ik begreep het niet helemaal, maar in de droom zei Raist tegen me dat weéén en dezelfde persoon waren, maar vervloekt door de goden en opgesloten in twee verschillende lichamen. We hebben elkaar nodig. Nu in elk geval nog wel.’ Het gezicht van de grote man betrok. ‘Misschien zal dat op een dag veranderen. Misschien zal hij op een dag de uitwendige kracht vinden...’
Caramon zweeg. Tika slikte en veegde haar gezicht af. ‘Ik...’ begon ze, maar Caramon viel haar in de rede.
‘Wacht even,’ zei hij. ‘Laat me uitpraten. Ik hou van je, Tika, zo oprecht als een man in deze wereld een vrouw kan liefhebben. Ik wil de liefde met je bedrijven. Als we niet bij deze stomme oorlog betrokken waren, maakte ik je vandaag nog tot de mijne. Nu meteen. Maar dat kan ik niet. Want als ik dat deed, zou ik een verbintenis met je aangaan waaraan ik mijn leven zou willen wijden. Dan moet jij in alles op de eerste plaats komen. Je verdient niets minder. Maar een dergelijke verbintenis kan ik niet aangaan, Tika. Mijn band met mijn broer gaat voor.’