Tika’s tranen stroomden weer vrijelijk, maar deze keer voor hem, niet voor zichzelf.
‘Ik moet je vrijlaten, zodat je iemand anders kunt vinden die wél...’
‘Caramon!’ Een kreet verscheurde de zoete stilte van de middag. ‘Caramon, kom snel!’ Het was Tanis.
‘Raistlin!’ zei de grote man, en zonder nog een woord te zeggen rende hij de grot uit.
Tika bleef even staan en keek hem na. Toen probeerde ze zuchtend met haar vingers haar vochtige haar in model te brengen.
‘Wat is er?’ Caramon stormde de wagen binnen. ‘Raist?’
Tanis knikte ernstig.
‘Ik heb hem zo gevonden.’ De halfelf trok het gordijn open dat voor het kamertje van de magiër hing. Caramon duwde hem opzij.
Raistlin lag op de grond. Zijn huid was lijkbleek en zijn ademhaling oppervlakkig. Er sijpelde bloed uit zijn mond. Caramon knielde naast hem neer en tilde hem in zijn armen op.
‘Raistlin?’ fluisterde hij. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Dat is er gebeurd,’ zei Tanis grimmig, wijzend.
Caramon keek op. Zijn blik bleef rusten op de drakenbol, die nu weer zo groot was als Caramon hem in Silvanesti had gezien. Hij stond op een driepoot die Raistlin er speciaal voor had gemaakt, en de kolkende kleuren in het midden veranderden telkens weer. De adem stokte Caramon in de keel van afschuw. Vreselijke herinneringen aan Lorac schoten door zijn hoofd. Lorac die krankzinnig was geworden, Lorac die was gestorven...
‘Raist!’ kreunde hij. Hij drukte zijn broer dichter tegen zich aan.
Raistlins hoofd bewoog een beetje. Zijn oogleden trilden en hij opende zijn mond.
‘Wat is er?’ Caramon boog zich over zijn broer heen. Raistlins adem voelde koud aan tegen zijn huid. ‘Wat is er?’
‘Van mij...’ fluisterde Raistlin. ‘Spreuken... van de ouden... van mij... van mij...’ De magiër verslapte en zijn stem begaf het, maar zijn gezicht was kalm, vredig, ontspannen. Zijn ademhaling werd diep en regelmatig.
Raistlins dunne lippen vertrokken in een glimlach.
4
Gasten op midwinteravond.
Heer Gunthar moest na het vertrek van de ridders naar Palanthas een aantal dagen flink doorrijden om op tijd thuis te zijn voor de Midwinternacht. De wegen warenéén grote modderpoel. Meer dan eens gleed zijn paard weg, en Gunthar, die bijna net zoveel van zijn paard hield als van zijn zoons, liep wanneer dat nodig was. Tegen de tijd dat hij terug was bij zijn kasteel, was hij dan ook uitgeput, drijfnat en door en door koud. De stalmeester kwam naar buiten om persoonlijk de verzorging van het paard op zich te nemen.
‘Wrijf hem goed af,’ zei Gunthar terwijl hij stijfjes afsteeg. ‘Geef hem warme haver en...’ Hij ratelde een hele lijst met instructies af, en de stalmeester knikte geduldig, alsof hij nog nooit in zijn leven een paard had verzorgd. Gunthar stond al op het punt om het paard zelf naar de stal te brengen, toen zijn bejaarde bediende op hem afkwam.
‘Mijn heer.’ Wils klampte Gunthar bij de deur aan en nam hem terzijde. ‘U hebt gasten. Ze zijn een paar uur geleden gearriveerd.’
‘Wie?’ vroeg Gunthar zonder veel belangstelling, want gasten waren niets bijzonders, zeker niet rond Midwinteravond. ‘Heer Michael? Hij kon niet met ons meereizen, maar ik heb hem gevraagd om op weg naar huis even langs te komen...’
‘Een oude man, mijn heer,’ viel Wils hem in de rede, ‘en een kender.’
‘Een kender?’ vroeg Gunthar enigszins geschrokken.
‘Ik vrees van wel, mijn heer. Maar maakt u zich geen zorgen,’ voegde hij er haastig aan toe. ‘Ik heb het zilver achter slot en grendel gelegd, en uw vrouw heeft haar sieraden naar de kelder gebracht.’
‘Je zou denken dat we belegerd werden!’ snoof Gunthar. Hij stak echter sneller dan gewoonlijk de binnenplaats over.
‘Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met dat ongedierte in de buurt, mijn heer,’ mompelde Wils, terwijl hij achter hem aan draafde.
‘Wat zijn het eigenlijk voor lieden? Bedelaars? Waarom heb je hen binnengelaten?’ vroeg Gunthar, die geïrriteerd begon te raken, op hoge toon. Het enige wat hij wilde was een beker bisschopswijn, warme kleren en een schoudermassage van zijn vrouw. ‘Geef hun geld en iets te eten en stuur hen weer weg. Uiteraard nadat je de kender hebt gefouilleerd.’
‘Dat was ik ook van plan, mijn heer,’ zei Wils koppig. ‘Maar er is iets met die twee... met name met die oude man. Hij is van lotje getikt, als je ‘t mij vraagt, maar hij is ook erg slim. Hij weet iets, misschien wel meer dan goed voor hem is... en voor ons.’
‘Hoe bedoel je?’
Het tweetal had zojuist de enorme houten deur geopend die toegang gaf tot het woongedeelte van het kasteel zelf. Gunthar bleef staan en keek Wils aandachtig aan, want hij wist hoe oplettend zijn bediende was, en daar had hij het grootste respect voor. Wild blikte hij om zich heen voordat hij naar zijn heer toe boog.
‘De oude man zei dat ik tegen u moest zeggen dat hij belangrijk nieuws had over de drakenbol, mijn heer.’
‘De drakenbol!’ mompelde Gunthar. De bol was geheim, dat dacht hij tenminste. De ridders wisten ervan, uiteraard. Had Derek er ook met anderen over gesproken? Was dit weer zo’n strategische zet van hem?
‘Je hebt wijs gehandeld, Wils, zoals altijd,’ zei Gunthar uiteindelijk. ‘Waar zijn ze?’
‘Ik heb ze in uw oorlogskamer ondergebracht, mijn heer, omdat ik dacht dat ze daar weinig onheil konden aanrichten.’
‘Ik ga me omkleden voordat ik kouvat, en dan ga ik meteen naar hen toe. Heb je hen goed verzorgd achtergelaten?’
‘Ja, mijn heer,’ antwoordde Wils. Hij liep haastig achter Gunthar aan, die verder was gelopen. ‘Warme wijn, wat brood en vlees. Al verwacht ik dat de kender inmiddels de borden al achterover heeft gedrukt...’
Gunthar en Wils bleven even voor de deur van de oorlogskamer staan om het gesprek tussen de bezoekers af te luisteren.
‘Zet dat ding terug!’ beval de een streng.
‘Nee. Het is van mij. Kijk maar, het zat in mijn tas.’
‘Ha! Omdat je het daar nog geen vijf minuten geleden in hebt gestopt, ja!’
‘Dat heb je dan verkeerd gezien,’ wierp de ander op gekwetste toon tegen. ‘Hij is van mij. Kijk maar, mijn naam staat er zelfs in gegraveerd...’
‘ “Voor Gunthar, mijn geliefde echtgenoot, ter ere van de Dag van het Levenslicht,” ‘ las deéén voor.
Het bleef even stil in de kamer. Wils werd lijkbleek. Toen hoorden ze de schrille stem weer, gedweeër deze keer. ‘Het moet in mijn tas gevallen zijn, Fizban. Zo is het gegaan! Kijk, mijn tas stond precies onder die tafel. Wat een geluk! Als het op de grond was gevallen, was het stuk geweest...’
Met een grimmig gezicht duwde heer Gunthar de deur open.
‘Vrolijke midwinteravond, heren,’ zei hij. Wils kwam achter hem aan naar binnen en keek snel om zich heen.
De twee vreemdelingen draaiden zich met een ruk om. De oude man had een aardewerken beker in zijn hand. Met een snoekduik rukte Wils hem de beker uit de handen, en met een verontwaardigde blik op de kender zette hij hem op de schoorsteenmantel, buiten diens bereik.
‘Verder nog iets van uw dienst, mijn heer?’ vroeg Wils met een betekenisvolle, boze blik op de kender. ‘Zal ik hier blijven om een oogje in het zeil te houden?’
Gunthar wilde iets zeggen, maar de oude man maakte een achteloos handgebaar en zei: ‘Ja, graag, mijn beste. Breng ons nog wat bier. En niet dat bocht uit het vat voor de bedienden, graag!’ De oude man keek Wils streng aan. ‘Tap maar uit het vat in het donkere hoekje bij de keldertrap. Je weet wel, dat vat dat onder de spinnenwebben zit.’
Met open mond staarde Wils hem aan.
‘Nou, schiet eens op. Sta daar niet te gapen als een vis op het droge. Hij is een beetje traag van begrip, hè?’ vroeg de oude man aan Gunthar.