Выбрать главу

‘N-nee, hoor,’ stamelde Gunthar. ‘Het is al goed, Wils. Ik... ik geloof dat ik zelf ook wel een beker bier lust uit... uit het vat bij de trap. Hoe wist je dat eigenlijk?’ vroeg hij wantrouwig aan de oude man.

‘O, hij is een magiegebruiker,’ zei de kender schouderophalend. Zonder daartoe te zijn uitgenodigd, ging hij zitten.

‘Een magiegebruiker?’ De oude man tuurde om zich heen. ‘Waar dan?’

De kender fluisterde iets en gaf de oude man een por.

‘Ik? Echt waar?’ antwoordde die. ‘Asjemenou! Dat is me ook wat. Maar weet je, nu ik erover nadenk: ik kan me inderdaad wel een spreuk herinneren. Vuurbal. Hoe ging die ook alweer?’

De oude magiër begon de vreemde woorden op te dreunen. Geschrokken sprong de kender uit zijn stoel om hem tegen te houden.

‘Nee, oude man!’ zei hij terwijl hij hem in een stoel duwde. ‘Nu niet.’

‘Nee, inderdaad, beter van niet,’ zei de oude man weemoedig. ‘Jammer, want het is een prachtige spreuk.’

‘Daar twijfel ik niet aan,’ mompelde Gunthar, die er helemaal niets van begreep. Toen schudde hij zijn hoofd en zette zijn strenge stem weer op. ‘Maar nu wil ik antwoorden. Wie zijn jullie? Wat doen jullie hier? Wils zei iets over de drakenbol...’

‘Ik ben...’ De magiër zweeg en knipperde met zijn ogen.

‘Fizban,’ zei de kender zuchtend. Hij stond op en stak beleefd zijn hand naar Gunthar uit. ‘En ik ben Tasselhof Klisvoet.’ Hij ging zitten, maar schoot meteen weer overeind. ‘O, en u ook een vrolijke Midwinteravond, heer ridder.’

‘Ja, ja.’ Afwezig knikkend schudde Gunthar hem de hand. ‘Maar wat is er nou met de drakenbol?’

‘O ja, de drakenbol!’ De verwarde uitdrukking verdween van Fizbans gezicht, en hij keek Gunthar met een schrandere, sluwe blik in zijn ogen aan. ‘Waar is de drakenbol? We zijn van ver gekomen om hem te vinden.’

‘Ik ben bang dat ik u dat niet kan vertellen,’ antwoordde Gunthar koeltjes. ‘Als hier om te beginnen al een dergelijk voorwerp was geweest.’

‘O, maar het is hier wel geweest,’ zei Fizban. ‘U hebt het gekregen uit handen van een ridder van de Roos, ene Derek Kroonwacht. En Sturm Zwaardglans vergezelde hem.’

‘Dat zijn vrienden van me,’ legde Tasselhof uit toen hij zag dat Gunthars mond openviel. ‘Sterker nog, ik heb hun geholpen de bol te vinden,’ voegde hij er bescheiden aan toe. ‘We hebben hem afgepakt van een kwade tovenaar in een paleis van ijs. Het is werkelijk een schitterend verhaal...’ Gretig ging hij op het puntje van zijn stoel zitten. ‘Wilt u het misschien horen?’

‘Nee,’ zei Gunthar, die het tweetal vol verbazing opnam. ‘En als ik dat kletspraatje al geloofde... Wacht eens even...’ Hij liet zich op zijn stoel zakken. ‘Sturm heeft wel iets gezegd over een kender. Wie maakten er nog meer deel uit van jullie groep?’

‘Flint de dwerg, Theros de smid, Gilthanas en Laurana…’

‘Dan moet het wel kloppen!’ riep Gunthar uit. Toen fronste hij. ‘Maar hij heeft het nooit gehad over een magiegebruiker...’

‘O, dat komt doordat ik dood ben,’ verklaarde Fizban, terwijl hij zijn voeten op tafel legde.

Gunthar sperde zijn ogen open, maar voordat hij iets kon zeggen, kwam Wils binnen. Met een boze blik op Tasselhof zette de bediende vóór zijn heer een aantal mokken op tafel.

‘Alstublieft, mijn heer, drie mokken. Plus die ene op de schoorsteenmantel, is vier. En ik verwacht dat er nog steeds vier staan als ik terugkom!’

Hij liep de kamer uit en deed de deur met een bons achter zich dicht.

‘Ik zal ze in de gaten houden,’ beloofde Tas plechtig. ‘Komt het zó vaak voor dat mensen uw bekers stelen?’ vroeg hij aan Gunthar.

‘Ik... nee... Dood?’ Gunthar had het gevoel dat hij de grip op de situatie dreigde te verliezen.

‘Het is een lang verhaal,’ zei Fizban. Hij dronk zijn beker inéén teug leeg en veegde met het puntje van zijn baard het schuim van zijn lippen. ‘Ah, heerlijk. Goed, waar was ik?’

‘Dood,’ zei Tas behulpzaam.

‘O ja. Een lang verhaal. Te lang om nu te vertellen. We moeten de bol hebben. Waar is die?’

Boos stond Gunthar op, met de bedoeling die vreemde oude man en de kender te sommeren deze kamer en zijn kasteel te verlaten. Hij wilde zijn wachters al roepen om hen te verwijderen. In plaats daarvan raakte hij echter in de ban van de blik van de oude man.

De ridders van Solamnië zijn altijd bang geweest voor magie. Hoewel ze niet hadden deelgenomen aan de vernietiging van de Torens van de Hoge Magie — omdat dat tegen de Maatstaf zou zijn geweest — speet het hun niet dat de magiegebruikers uit Palanthas waren verdreven.

‘Waarom wilt u dat weten?’ stamelde Gunthar. Een kille angst verspreidde zich door zijn lichaam toen hij voelde hoe de vreemde macht van de oude man hem omhulde. Met tegenzin ging hij weer zitten.

Fizbans ogen glinsterden. ‘Sommige dingen houd ik voor me,’ zei hij zachtjes. ‘Voor jou moet het genoeg zijn te weten dat ik op zoek ben naar de bol. Hij is gemaakt door magiegebruikers, lang geleden. Ik weet dat hij bestaat. Ik weet er heel veel over.’

Gunthar aarzelde, worstelend met zichzelf. De bol werd immers door ridders bewaakt, en als die oude man er echt iets over wist, kon het toch geen kwaad om hem te vertellen waar hij was? En trouwens, hij had het gevoel dat hij helemaal geen keus had.

Fizban pakte zijn lege beker en wilde er een slok uit nemen. Hij zat er spijtig in te staren toen Gunthar eindelijk antwoord gaf.

‘De drakenbol is bij de gnomen.’

Fizban liet zijn beker uit zijn handen vallen. Met een klap viel hij in duizend stukjes, die over de houten vloer wegschoten.

‘Zei ik het niet?’ zei Tas bedroefd, kijkend naar de scherven.

De gnomen woonden al zo lang als ze zich konden herinneren in de Laatmaarberg, en aangezien zij de enigen waren die dat belangrijk vonden, waren zij ook de enigen die het bijhielden. Ze waren er in elk geval al toen de eerste ridders in Sancrist arriveerden. Ze waren vanuit het nieuwe koninkrijk Solamnië gekomen om hun vestingen en forten te bouwen langs het meest westelijk gelegen deel van hun landsgrens. De gnomen, die altijd al wantrouwig stonden tegenover buitenstaan ders, schrokken zich wild toen er een schip aanlegde vol lange, streng kijkende, krijgshaftige mensen. Vastbesloten hun bergparadijs — want dat was het in hun ogen — geheim te houden voor de mensen, kwamen de gnomen in actie. Hun eerste gedachte was dat ze zich moesten verstoppen in de grotten, maar aangezien ze het meest technologisch ingestelde ras op Krynn waren (ze zijn beroemd om het feit dat ze de door stoom aangedreven motor en de springveer hebben uitgevonden), kregen ze al snel een beter idee. De hele berg verbergen!

Na vele maanden eindeloos geploeter door de geniaalste ingenieurs in hun midden, waren de gnomen er klaar voor. Hun plan? Ze wilden de hele berg laten verdwijnen.

Op dat punt vroeg een van de leden van het gnoomse filosofengilde of het niet waarschijnlijk was dat de ridders de berg, de hoogste op het eiland, al hadden opgemerkt. Zou de plotselinge verdwijning van een hele berg niet een zekere nieuwsgierigheid bij de mensen opwekken?

Die vraag bracht de gnomen in grote verwarring. Dagen gingen voorbij terwijl erover werd gediscussieerd. Al snel was het filosofengilde in twee kampen verdeeld: aan de ene kant zij die geloofden dat een boom die in het bos omviel zonder dat er iemand was om het te horen toch een geluid maakte, en zij die dat niet geloofden. Op dag zeven vroeg iemand wat dit precies met de oorspronkelijke vraag te maken had, waarop er onmiddellijk een comité werd ingesteld om de kwestie te onderzoeken.

Intussen besloten de ingenieurs beledigd dat ze het apparaat gewoon gingen aanzetten.

Zo brak de dag aan waarover in de annalen van Sancrist (waarvan het overgrote deel tijdens de Catastrofe verloren is gegaan) nog altijd te lezen valt: de Dag van de Rotte Eieren.

Op die dag werd een voorvader van heer Gunthar wakker, en hij vroeg zich slaperig af of zijn zoon soms weer door het dak van het kippenhok was gezakt. Dat was enkele weken eerder namelijk gebeurd. Het jongetje zat achter een haan aan.