‘Deze keer ga jij maar met hem naar de vijver,’ zei Gunthars voorvader tegen zijn vrouw voordat hij zich omdraaide en de dekens over zijn hoofd trok.
‘Kan niet,’ antwoordde zijn vrouw doezelig. ‘De schoorsteen rookt.’
Opeens waren ze allebei klaarwakker, want ze beseften dat de rook die het huis vulde niet afkomstig was uit de schoorsteen en de goddeloze stank niet uit het kippenhok.
Samen met alle andere bewoners van de nieuwe kolonie rende het stel naar buiten, hoestend en kokhalzend van de stank die met de minuut erger werd. Ze konden echter niets zien. Het hele land ging schuil onder een deken van dikke gele rook die stonk naar eieren die al drie dagen in de zon lagen.
Binnen een paar uur was iedereen in de kolonie doodziek van de stank. Ze pakten dekens en kleren in en trokken naar het strand. Dankbaar ademden ze de frisse, zilte zeelucht in, en vroegen zich af of ze ooit nog naar huis zouden kunnen.
Terwijl ze over dat vraagstuk praatten en bezorgd afwachtten of de gele wolk aan de horizon misschien zou optrekken, zagen de kolonisten tot hun grote schrik een leger van wankelende, kleine, bruine wezentjes uit de rook opdoemen, die vervolgens bijna levenloos aan hun voeten ter aarde stortten.
De vriendelijke mensen van Solamnië schoten de arme gnomen direct te hulp, en zo ontmoetten de twee rassen die Sancrist bevolkten elkaar.
De ontmoeting tussen gnomen en ridders verliep gemoedelijk. Het Solamnische volk had het grootste ontzag voor vier dingen: individuele eer, de Erecode, de Maatstaf en technologie. Ze waren enorm onder de indruk van de arbeidsbesparende apparaten die de gnomen inmiddels al hadden uitgevonden, waaronder de katrol, de drijfas, de schroef en het tandwiel.
Tijdens die eerste ontmoeting kreeg de Laatmaarberg tevens zijn naam.
Al snel ontdekten de ridders dat de gnomen met hun korte, gedrongen lijf weliswaar verwant leken te zijn aan de dwergen, maar dat daar alle overeenkomsten ophielden. De gnomen waren een mager volkje met een bruine huid en helwit haar, erg nerveus en kort aangebonden. Ze praatten zo snel dat de ridders in eerste instantie dachten dat ze een vreemde taal spraken. Het bleek echter gewoon Gemeenschaps te zijn, maar dan razendsnel. De reden daarvoor werd duidelijk toen een oudste de fout maakte de gnomen te vragen hoe hun berg heette.
Vrij vertaald kwam het neer op: Een Grote, Hoge, Brede Berg Opgebouwd uit Verschillende Rotslagen, waarvan we de Volgende Inmiddels Hebben Geïdentificeerd: Graniet, Obsidiaan en Kwarts, Plus Sporen van Andere Steensoorten waar we Nog aan Werken, Voorzien van een Eigen Intern Verwarmingssysteem dat we aan het Bestuderen Zijn in de Hoop het op een Dag te Kunnen Nabouwen en dat de Steen Verhit tot Temperaturen waarbij het Wordt Omgezet in Vloeistof en Gassen die nu en dan aan de Oppervlakte Komen en dan langs de Flanken van de Grote, Hoge, Brede Berg naar Beneden Stromen...
‘Laat maar,’ zei de oudste haastig.
Laatmaar! De gnomen waren diep onder de indruk. Dat deze mensen zoiets gigantisch en wonderbaarlijks konden terugbrengen tot zoiets simpels ging hun verstand te boven. Vanaf die dag werd de berg dan ook Laatmaar genoemd, tot grenzeloze opluchting van het gnoomse cartografengilde.
Sindsdien hadden de ridders van Sancrist en de gnomen in harmonie samengeleefd. Als de ridders een vraag van technische aard hadden die een oplossing behoefde, gingen ze ermee naar de gnomen, die een gestage stroom nieuwe uitvindingen leverden.
Toen de drakenbol arriveerde, moesten de ridders weten hoe het ding werkte. Daarom gaven ze hem in bewaring bij de gnomen, en ze stuurden twee jonge ridders mee om hem te bewaken. De gedachte dat de bol misschien wel een magisch voorwerp was, kwam geen moment bij hen op.
5
Gnoomslingers.
‘Onthoud goed: geen enkele gnoom, dood dan wel levend, heeft ooit in zijn leven een zin afgemaakt. Je komt nergens tenzij je hen af en toe onderbreekt. Dat vinden ze niet onbeschoft. Ze rekenen er zelfs op.’
De oude magiër zelf werd onderbroken door de verschijning van een gnoom gekleed in een lang bruin gewaad, die op hen afkwam lopen en een respectvolle buiging maakte.
Tasselhof bestudeerde de gnoom met belangstellende opwinding. Hij had nog nooit een gnoom gezien, hoewel oude legenden over de Gray gem van Gargath erop wezen dat de twee rassen verre verwanten waren. De jonge gnoom had in elk geval iets kenderachtigs met zijn slanke handen, gretige gezicht en scherpe, heldere ogen die alles probeerden te zien. Daar hield de gelijkenis echter op. Van de zorgeloosheid van de gemiddelde kender was niets te bekennen. De gnoom was nerveus, ernstig en zakelijk.
‘Tasselhof Klisvoet,’ zei de kender beleefd terwijl hij zijn hand uitstak. De gnoom pakte zijn hand vast en tuurde er belangstellend naar, maar toen hij er niets interessants aan kon ontdekken, schudde hij hem slapjes. ‘En dit...’ Tas wilde Fizban voorstellen, maar zweeg toen de gnoom kalmpjes de hoopak van de kender vastpakte.
‘Aha...’ zei de gnoom met glanzende ogen terwijl hij het wapen in beide handen nam. ‘Haaleenlidvanhet Wapengilde...’
De wachter die bij de ingang van de grote berg stond, wachtte niet tot de gnoom was uitgepraat. Hij trok aan een hendel boven zijn hoofd, waarop er een luid gekrijs klonk. Ervan overtuigd dat er een draak achter hem was geland, draaide Tas zich met een ruk om, klaar om zich te verdedigen.
‘Fluit,’ zei Fizban. ‘Wen er maar vast aan.’
‘Fluit?’ herhaalde Tas geïntrigeerd. ‘Zo een heb ik nog nooit gehoord. Er komt rook uit! Hoe werkt dat d... Hé! Kom hier! Geef me mijn hoopak terug!’ riep hij toen zijn staf door drie gretige gnomen razendsnel de gang in werd gedragen.
‘Kamervanonderzoek,’ zei de gnoom, ‘opSkimbosh...’
‘Hè?’
‘Kamer van Onderzoek,’ vertaalde Fizban. ‘De rest kon ik niet verstaan. Je moet echt langzamer praten,’ zei hij terwijl hij met zijn staf naar de gnoom schudde.
De gnoom knikte, maar zijn heldere ogen waren strak op Fizbans staf gericht. Hij had echter al snel gezien dat het slechts een eenvoudige, enigszins versleten houten staf was. Toen richtte hij zijn aandacht weer op de magiër en de kender.
‘Buitenstaanders,’ zei hij. ‘Ikzalprobereneraantedenken... Ik zal proberen eraan te denken, dus maak je geen zorgen,’— nu sprak hij langzaam en duidelijk — ‘want er zal niets met je wapen gebeuren. We willen er alleen maar een tekening van maken.’
‘O ja?’ viel Tas hem gevleid in de rede. ‘Ik kan wel voor je demonstreren hoe hij werkt, als je wilt.’
De ogen van de gnoom lichtten op. ‘Datzouheel...’
‘Maar goed,’ onderbrak de kender hem opnieuw, erg in zijn sas met het feit dat hij het praten met een gnoom zo snel onder de knie had, ‘hoe heet je?’
Fizban maakte een snel gebaar, maar te laat.
‘Gnoshoshallamarioninillisyylphanitdisdisslishxdie...’
Hij stopte even om adem te halen.
‘Heet je echt zo?’ vroeg Tas verbijsterd.
De gnoom blies zijn adem uit. ‘Ja,’ snauwde hij een beetje in verlegenheid gebracht. ‘Dat is mijn voornaam, en als je me nu laat uitspreken...’
‘Wacht!’ riep Fizban weer. ‘Hoe noemen je vrienden je?’
De gnoom ademde weer diep in. ‘Gnoshoshallamarioninillis.’
‘Hoe noemen de ridders je?’
‘O.’ De gnoom leek nogal teleurgesteld. ‘Gnosh, als je...’
‘Dank je,’ snauwde Fizban. ‘Gnosh, we hebben nogal haast. Vanwege de oorlog die gaande is en zo. Zoals heer Gunthar in zijn bericht al meldde, moeten we die drakenbol zien.’
De kleine, donkere ogen van Gnosh glinsterden. Hij wrong nerveus in zijn handen. ‘Natuurlijk mag u de drakenbol zien, aangezien heer Gunthar dat heeft gevraagd, maar mag ik vragen wat u met de bol van plan bent, afgezien van uw nieuwsgierigheid…’
‘Ik ben een magiegebruiker...’ begon Fizban.
‘Magiegebruiker!’ zei de gnoom, die in zijn opwinding vergat langzaam te praten. ‘Kommaarmeteenmeenaarde Kamervanonderzoekaangeziendedrakenbolisvervaardigd-doormagiegebruikers…’