Выбрать главу

Zowel Tas als Fizban knipperde niet-begrijpend met zijn ogen.

‘Ach, kom nou maar gewoon...’ zei de gnoom ongeduldig.

Voordat ze precies wisten wat er gebeurde, werden ze door de nog steeds pratende gnoom naar binnen geduwd, waardoor er allerlei bellen en fluitjes afgingen.

‘Kamer van Onderzoek?’ vroeg Tas op gedempte toon aan Fizban terwijl ze zich achter Gnosh aan haastten. ‘Wat betekent dat? Ze hebben hem toch zeker niet toegetakeld?’

‘Dat denk ik niet,’ mompelde Fizban, die zo diep fronste dat zijn borstelige witte wenkbrauwen een dreigende V vormden boven zijn neus. ‘Gunthar heeft een paar ridders meegestuurd om hem te bewaken, weet je nog?’

‘Waar maak je je dan zo’n zorgen om?’ vroeg Tas.

‘De drakenbollen zijn vreemde voorwerpen. Ontzettend machtig. Ik ben bang,’ zei Fizban meer in zichzelf dan tegen Tas, ‘dat ze hem misschien proberen te gebruiken.’

‘Maar in het boek dat ik in Tarsis heb gelezen stond dat je met de bol draken kon beheersen,’ fluisterde Tas. ‘Dat is toch goed? Ik bedoel, de bollen zijn toch niet kwaadaardig?’

‘Kwaadaardig? Nee hoor, dat zeker niet.’ Fizban schudde zijn hoofd. ‘Daarin schuilt nu juist het gevaar. Ze zijn niet goed of kwaad, ze zijn helemaal niets. Of misschien kan ik beter zeggen: ze zijn alles.’

Tas begreep dat hij waarschijnlijk nooit een duidelijk antwoord zou krijgen van Fizban, die met zijn gedachten heel ergens anders was. Op zoek naar afleiding richtte de kender zijn aandacht op hun gastheer.

‘Wat betekent je naam eigenlijk?’ vroeg Tas.

Gnosh glimlachte gelukzalig. ‘In den Beginne Schiepen de Goden de Gnomen, en een van de Eerste die ze Schiepen Heette Gnosh, en dit Zijn de Belangwekkendste Gebeurtenissen die zich in zijn Leven Voordeden: Hij Huwde Marioninillis...’

Tas kreeg een bang vermoeden. ‘Wacht even,’ viel hij de gnoom in de rede. ‘Hoe lang is je naam eigenlijk?’

‘Zo lang dat hij zo’n dik boek in de bibliotheek vult,’ zei Gnosh trots, met zijn handen een heel stuk uit elkaar, ‘want ik kom uit een heel oude familie, zoals je zult merken als je me laat uit...’

‘Nee, laat maar,’ zei Tas snel. Omdat hij niet uitkeek waar hij liep, struikelde hij over een touw. Gnosh hielp hem overeind. Toen hij omhoogkeek, zag Tas dat daar een enorme kluwen touwen hing, die allemaal met elkaar verbonden waren en zich naar alle kanten verspreidden. Hij vroeg zich af waar ze naartoe leidden. ‘Een andere keer misschien.’

‘Maar sommige stukken zijn heel interessant,’ zei Gnosh terwijl ze naar een enorme stalen deur liepen, ‘en daar kan ik wel meteen mee verdergaan, als je wilt, bijvoorbeeld het deel waarin mijn betovergrootmoeder Gnosh het koken van water uitvindt...’

‘Dat zou ik heel graag eens willen horen.’ Tas slikte moeizaam. ‘Maar ja, geen tijd...’

‘Ja, dat is ook zo,’ zei Gnosh, ‘en trouwens, we zijn al bij de ingang naar de hoofdzaal, dus als jullie me even willen excuseren...’

Al pratend trok hij aan een koord boven zijn hoofd. Er klonk gefluit. Twee bellen rinkelden en een gong galmde. Met een enorme stoomwolk die hen bijna alle drie ter plekke kookte, begon de dubbele stalen deur in het binnenste van de berg open te schuiven. Bijna meteen bleven de deuren steken, en in een mum van tijd krioelde het van de gnomen die schreeuwden, wezen en ruziemaakten over de vraag wiens schuld het was.

In zijn achterhoofd had Tasselhof al lopen bedenken wat hij zou gaan doen als dit avontuur achter de rug was en alle draken waren gedood (de kender probeerde positief te blijven). Het eerste wat hij had willen doen, was in Pax Tharkas een paar maanden bij zijn vriend Sestun de greppeldwerg logeren. De greppeldwergen leidden een interessant leven, en Tas wist dat hij zich daar prima zou vermaken, zolang hij maar niet met hen mee hoefde te eten.

Zodra Tas echter de Laatmaarberg betrad, besloot hij dat hij eerst hier terug zou keren om een tijdje bij de gnomen te wonen. Zoiets geweldigs had de kender zijn hele leven nog niet gezien. Vol verwondering bleef hij staan.

Gnosh wierp hem een vluchtige blik toe. ‘Indrukwekkend, hè?’ vroeg hij.

‘Dat is niet het eerste woord dat bij me opkomt,’ mompelde Fizban. Ze stonden in het middelste gedeelte van de gnomenstad. Die was in ettelijke verdiepingen gebouwd langs de wanden van een oude vulkaanschacht van honderden ellen breed en vele mijlen hoog. Tas staarde omhoog. .. en nog verder omhoog... en nog verder omhoog.

‘Hoeveel verdiepingen zijn er?’ vroeg de kender, die bijna achteroverviel in zijn pogingen alles te zien.

‘Vijfendertig en...’

‘Vijfendertig!’ herhaalde Tas vol ontzag. ‘Ik zou niet graag op de vijfendertigste verdieping willen wonen. Hoeveel trappen moet je dan op?’

Gnosh snoof minachtend. ‘Primitieve technieken die we al eeuwen niet meer gebruiken.’ Hij gebaarde. ‘Kijkmaareensnaardetechnischewonderendiewenugebrui...’

‘Ik zie het,’ zei Tas, die op de begane grond om zich heen keek. ‘Jullie zijn goed op de oorlog voorbereid. Ik heb nog nooit zoveel katapulten bij elkaar gezien...’

De kender zweeg. Er klonk een fluit, gevolgd door een zwiepend geluid toen een katapult werd afgeschoten, en voor Tas’ ogen zeilde er een gnoom door de lucht. Het waren geen oorlogsmachines waar Tas naar stond te kijken, maar apparaten die de plaats van trappen hadden ingenomen.

De vloer van de grot was gevuld met katapulten, in alle soorten en maten die ooit door een gnoom waren bedacht. Er waren slingerkatapulten, kruisboogkatapulten, katapulten met een verende arm van wilgenhout, door stoom aangedreven katapulten (die nog in een experimenteel stadium verkeerden; er werd nog gewerkt aan de watertemperatuur).

Rondom de katapulten, over de katapulten heen, onder de katapulten door en door de katapulten heen waren ongelooflijk veel touwen gespannen, waarmee een krankzinnige verzameling tandwielen, raderen en katrollen kon worden bediend, die allemaal draaiden, piepten en kraakten. Uit de vloer, de machines zelf en de wanden staken enorme hendels waar ontelbare gnomen aan duwden of trokken, en soms allebei tegelijk.

‘Die Kamer van Onderzoek,’ begon Fizban op wanhopige toon, ‘die bevindt zich zeker niet op de begane grond, hè?’

Gnosh schudde zijn hoofd. ‘Kamer van Onderzoek op vijftiende verdieping...’

De oude magiër slaakte een hartverscheurende zucht.

Opeens klonk er een afschuwelijk geknars, dat de rillingen over Tas’ rug deed lopen.

‘Ah, ze zijn klaar voor ons. Kom mee,’ zei Gnosh.

Tas huppelde opgetogen achter hem aan toen hij op een reusachtige katapult afliep. Een gnoom gebaarde geërgerd naar hen, wijzend op de lange rij gnomen die op hun beurt stonden te wachten. Tas sprong op de stoel van de enorme slingerkatapult en keek gretig omhoog. Boven zich, in de schacht, zag hij gnomen vanaf verschillende balkons naar hem omlaag turen, allemaal omringd door grote apparaten, fluiten, touwen en enorme, vormeloze dingen die als vleermuizen aan de wanden hingen. Gnosh, die naast hem stond, gaf hem een standje.

‘Ouderen gaan voor, jongeman, dusmaakdatjeuitdiestoelkomtenlaat’ — hij sleurde Tas met opmerkelijk gemak uit de katapult — ‘demagiegebruikereerstgaan...’

‘Hm... Dat hoeft niet, hoor,’ zei Fizban afwerend terwijl hij achteruit deinsde, tegen een stapel touwen op. ‘Ik... ik meen me een spreuk te herinneren die me z o naar boven kan brengen. Levitatie. Hoe g-ging die ook alweer? Geef me even een paar tellen.’

‘Jij had toch haast?’ vroeg Gnosh streng. Hij keek Fizban boos aan. De gnomen die in de rij stonden, begonnen te schelden, te duwen, te trekken en te porren.

‘O, goed dan,’ grauwde de oude magiër, en met Gnosh’ hulp klom hij op de katapult.

De gnoom die verantwoordelijk was voor de hendel waarmee de katapult kon worden afgeschoten, riep iets wat klonk als: ‘Welkev’dieping?’

Gnosh wees omhoog en riep terug: ‘Skimbosh!’

De chef liep naar de eerste van vijf hendels toe. Een buitensporig aantal touwen strekte zich naar boven uit, waar ze in het niets leken te verdwijnen. Fizban zat diep ongelukkig op zijn stoel en deed nog steeds zijn best om op die spreuk te komen.