Выбрать главу

‘Welnu,’ riep Gnosh, die Tas dichter naar zich toe trok zodat die kon genieten van een uitstekend uitzicht, ‘nog even en dan geeft de chef het teken... Ja, daar gaat hij al...’

De chef trok aan een van de touwen.

‘Wat gebeurt er nu?’ vroeg Tas.

‘Er gaat een bel af op Skimbosh, eh... de vijftiende verdieping, zodat ze daar weten dat ze iemand kunnen verwachten...’

‘En als de bel niet gaat?’ vroeg Fizban op hoge toon.

‘Dan gaat er een tweede bel, ten teken dat de eerste bel niet...’

‘En wat gebeurt er hierbeneden als de bel niet gaat?’

‘Niets. DatishetprobleemvanSkimboshnietvanjou...’

‘Het is wel degelijk mijn probleem als ze niet weten dat ik eraan kom!’ schreeuwde Fizban. ‘Of is het de bedoeling dat ik gewoon bij hen binnen kom vallen, als een soort verrassing?’

‘Ah,’ zei Gnosh trots. ‘Zie je...’

‘Ik stap uit,’ verklaarde Fizban.

‘Nee, wacht,’ zei Gnosh, die uit bezorgdheid steeds sneller ging praten, ‘ze zijn al klaar...’

‘Wie is er klaar?’ vroeg Fizban geïrriteerd.

‘Skimbosh! Met het net omjetevangen, snapje.

‘Net!’ Fizban werd lijkbleek. ‘Dat is de druppel!’ Hij slingerde een been over de rand.

Maar voordat hij kon uitstappen, trok de chef al aan de eerste hendel. Het knarsende geluid begon weer, en de katapult draaide om zijn bevestigingspunt. Door de plotselinge beweging viel Fizban achterover, waardoor zijn hoed over zijn ogen zakte.

‘Wat gebeurt er?’ riep Tas.

‘Ze brengen hem in positie,’ schreeuwde Gnosh, ‘de lengtegraad en breedtegraad zijn van tevoren berekend, en de katapult wordt nu in de juiste positie gebracht om de passagier…’

‘En het net?’ riep Tas.

‘De magiër vliegt omhoog naar Skimbosh — het is volkomen veilig, dat kan ik je verzekeren, uit studies is zelfs gebleken dat vliegen veiliger is dan lopen — en zodra hij op het hoogste punt van zijn vluchtbaan is, op het moment dat de neerwaartse beweging wordt ingezet, werpt Skimbosh een net onder hem uit en vangt hem zó op’ — Gnosh deed het voor door met zijn hand een grijpbeweging te maken, alsof hij een vlieg ving — ‘zodat ze hem binnen kunnen halen...’

‘Daar is vast ongelooflijk goede timing voor nodig!’

‘De timing is ingenieus, want het hangt allemaal af van een bepaalde haak die we hebben ontwikkeld, alleen...’ — Gnosh tuitte bedachtzaam zijn lippen en fronste zijn wenkbrauwen — ‘klopt er de laatste tijd iets niet helemaal met de timing, maar er is een comité...’

De gnoom haalde de hendel over, en Fizban zeilde met een schrille kreet door de lucht.

‘O hemeltje,’ zei Gnosh, hem nastarend, ‘het lijkt erop...’

‘Wat? Wat is er?’ riep Tas, die zijn uiterste best deed om het te kunnen zien.

‘Het net is weer te vroeg opengegaan,’— Gnosh schudde zijn hoofd — ‘en dat is alleen op Skimbosh al de tweede keer vandaag enditzalabsoluuttertafelwordengebrachtbijdevolgende-bijeenkomstvanhetnetgilde...’

Met open mond staarde Tas naar Fizban, die aangedreven door de enorme kracht van de katapult door de lucht suisde, en opeens zag de kender wat Gnosh bedoelde. Het net op de vijftiende verdieping, dat open had moeten gaan nadat de magiër voorbij was gevlogen zodat het hem kon opvangen op het moment dat hij weer dreigde te vallen, ging open voordat de magiër de vijftiende verdieping had bereikt. Fizban sloeg tegen het net, bleef even als een plat geslagen spin met zijn armen en benen gespreid hangen, en viel toen naar beneden.

Meteen klonken er overal bellen en gongs.

‘Laat me raden,’ zei Tas ellendig. ‘Dat is het alarm dat aangeeft dat het net niet heeft gewerkt.’

‘Inderdaad, maar het is niet zo alarmerend als het lijkt (grapje),’ gniffelde Gnosh, ‘want het alarm stelt een apparaat in werking dat het net op de dertiende verdieping bedient, net op tijd om... oeps, een tikje aan de late kant, nou ja, het net op de twaalfde verdieping is er ook nog...’

‘Doe iets!’ gilde Tas.

‘Maak je niet zo druk,’ zei Gnosh boos, ‘dan zal ik mijnverhaalafmakenoverhetlaatstenood-systeemendatis, o, daargaatieal...’

Tas keek vol verwondering toe hoe de bodem wegviel uit zes gigantische vaten die op de derde verdieping aan de muur hingen, zodat er duizenden sponzen midden in de grot op de grond vielen. Kennelijk werd dat gedaan voor het geval alle netten op alle verdiepingen het begaven. Gelukkig werkte het net op de negende verdieping weclass="underline" het spreidde zich net op tijd uit onder de vallende magiër. Toen vouwde het zich om hem heen en sleurde hem mee naar het balkon, waar de gnomen, zodra ze hem hoorden vloeken en tieren, er niet erg happig op leken om hem eruit te laten.

‘Dusnuisallesweerinordeenbenjijaandebeurt,’ zei Gnosh.

‘Eén vraagje nog!’ riep Tas naar Gnosh terwijl hij op de stoel plaatsnam. ‘Wat gebeurt er als het noodsysteem met de sponzen faalt?’

‘Ingenieus,’ zei Gnosh opgewekt, ‘want zie je, als de sponzen een beetje te laat naar beneden komen, gaat het alarm af en laten we een enorm vat met water in het midden leeglopen, en aangezien er tegen die tijd toch al sponzen liggen, is de rommel zó opgeruimd.

De chef haalde de hendel over.

Tas verwachtte allerlei fascinerende dingen te zien in de Kamer van Onderzoek, maar tot zijn verbazing was die vrijwel leeg. Hij werd verlicht door een gat dat in de berg was geboord en dat het zonlicht binnenliet. (Deze eenvoudige, maar ingenieuze oplossing was aangedragen door een dwerg die op bezoek was geweest. Hij noemde het een ‘raam’. De gnomen waren er mateloos trots op.) Er stonden drie tafels, maar verder bijna niets. Op de middelste tafel, waar allemaal gnomen omheen stonden, lagen de drakenbol en de hoopak van Tas.

De drakenbol had zijn oorspronkelijke grootte terug, merkte Tas belangstellend op. Hij zag er nog precies hetzelfde uit: een rond kristal met een melkachtige, gekleurde mist die in het midden rond kolkte. Een jonge ridder van Solamnië met een intens verveeld gezicht stond er vlakbij op wacht. Zijn verveelde uitdrukking verdween echter als sneeuw voor de zon zodra hij de vreemdelingen zag aankomen.

‘Niksaandehand,’ zei Gnosh sussend tegen hem, ‘dit zijn de twee over wie heer Gunthar het in zijn bericht had...’ Al pratend leidde hij zijn gasten naar de middelste tafel. Met schitterende ogen nam de gnoom de bol op. ‘Een drakenbol,’ prevelde hij gelukzalig, ‘na al die jaren...’

‘Hoezo, na al die jaren?’ snauwde Fizban, die op enige afstand van de tafel was blijven staan.

‘Zie je,’ legde Gnosh uit, ‘iedere gnoom krijgt bij zijn geboorte een levensqueeste mee, en vanaf dat moment is het zijn enige doel in het leven om die te vervullen, en het bestuderen van een drakenbol is al mijn levensqueeste sinds…’

‘Maar de drakenbollen zijn eeuwenlang spoorloos geweest,’ zei Tas ongelovig. ‘Niemand wist dat ze bestonden. Hoe kan dat dan je levensqueeste zijn?’

‘O, we wisten dat ze bestonden,’ antwoordde Gnosh, ‘want het was de levensqueeste van mijn grootvader, en daarna die van mijn vader, en allebei zijn ze gestorven zonder ooit een drakenbol te hebben gezien, en ik vreesde al dat mij hetzelfde lot wachtte, maar nu is er eindelijk een opgedoken, zodat ik de plaats van mijn familie in het hiernamaals kan veiligstellen...’

‘Dus je kunt niet naar het, eh... hiernamaals tenzij je je levensqueeste hebt vervuld?’ vroeg Tas. ‘Maar je vader en je grootvader...’

‘Hebben het waarschijnlijk bijzonder zwaar,’ zei Gnosh met een verdrietig gezicht, ‘waar ze ook zijn... Lieve help!’

De drakenbol had een opmerkelijke verandering ondergaan. Allerlei veranderlijke kleuren buitelden over elkaar heen, alsof hij hoogst geagiteerd was.

Onder het mompelen van vreemde woorden liep Fizban naar de bol toe en legde zijn handen erop. Meteen werd die zwart. Fizban keek om zich heen met een gezicht dat zo streng en angstaanjagend stond dat zelfs Tas achteruitdeinsde. De ridder, daarentegen, sprong op Fizban af.