‘Eruit!’ donderde de magiër. ‘Allemaal!’
‘Ik heb het bevel gekregen om onder geen beding weg te gaan en ik ben niet...’ De ridder wilde zijn zwaard trekken, maar Fizban fluisterde enkele woorden en de ridder zeeg op de vloer.
Meteen maakten de gnomen zich uit de voeten, met uitzondering van Gnosh, die handenwringend en met een van twijfel vertrokken gezicht bleef staan.
‘Kom mee, Gnosh!’ spoorde Tas hem aan. ‘Zo heb ik hem nog nooit meegemaakt. We kunnen maar beter doen wat hij zegt. Zo niet, dan verandert hij ons misschien wel in greppeldwergen of zoiets smerigs!’
Jammerend liet Gnosh zich door Tas de zaal uit leiden, onafgebroken achteromkijkend naar de drakenbol. De deur klapte dicht.
‘Mijn levensqueeste...’ kreunde de gnoom.
‘Het komt vast wel goed,’ zei Tas, al was hij daar allerminst zeker van. De uitdrukking op Fizbans gezicht stond hem helemaal niet aan. Sterker nog, hij leek niet eens meer op Fizban. Hij leek op het soort persoon dat Tas helemaal niet wilde kennen.
Een ijskoude angst sloeg Tas om het hart, en hij had een knoop in zijn maag. De gnomen mopperden onderling en wierpen hem dreigende blikken toe. Tas slikte in een poging de bittere smaak uit zijn mond te krijgen. Toen nam hij Gnosh terzijde.
‘Gnosh, ben je iets te weten gekomen toen je de bol bestudeerde?’ vroeg hij zachtjes.
‘Nou,’ antwoordde Gnosh bedachtzaam, ‘ik heb wel ontdekt dat er iets in zit. Daar lijkt het tenminste op, want ik kon er uren, echt uren naar staren zonder dat ik iets zag, en net op het moment dat ik het wilde opgeven, zag ik opeens woorden uit de mist opdoemen...’
‘Woorden?’ onderbrak Tas hem gretig. ‘Wat stond er dan?’
Gnosh schudde zijn hoofd. ‘Dat weet ik niet,’ zei hij ernstig, ‘want ik kon het niet lezen. Niemand kon het lezen, zelfs een lid van het gilde voor vreemde talen niet...’
‘Magie, waarschijnlijk,’ prevelde Tas in zichzelf.
‘Ja,’ zei Gnosh ellendig, ‘tot die conclusie was ik ook al gekomen...’
De deur vloog open alsof er iets was ontploft.
Doodsbang draaide Gnosh zich om. Fizban stond in de deuropening met een zwart zakje in de ene hand en zijn staf en Tasselhofs hoopak in de andere. Gnosh schoot langs hem heen.
‘De bol!’ krijste hij, zo van streek dat hij zowaar een zin afmaakte. ‘Jij hebt hem gepakt!’
‘Ja, Gnosh,’ zei Fizban.
De magiër klonk moe, en toen Tas hem eens wat beter bekeek, zag hij dat de oude man op het randje van uitputting balanceerde. Zijn huid was grauw en zijn ogen vielen bijna dicht. Hij leunde zwaar op zijn staf. ‘Kom mee, jongen,’ zei hij tegen de gnoom. ‘En maak je geen zorgen. Je levensqueeste zal vervuld worden. Maar nu moet de bol naar de Raad van de Wittesteen worden gebracht.’
‘Met jou mee,’ herhaalde Gnosh verbijsterd, ‘naar de Raad...’ — opgewonden sloeg hij zijn handen ineen — ‘waar misschien wel van me wordt verlangd dat ik verslag uitbreng, denk je niet...’
‘Daar twijfel ik geen moment aan,’ antwoordde Fizban.
‘Ik kom eraan, geef me alleen even de tijd mijn spullen te pakken, waar zijn mijn papieren...’
Gnosh stoof ervandoor. Fizban draaide zich met een ruk om naar de gnomen die hem van achteren beslopen en gretig hun handen naar zijn staf uitstaken. Hij keek hen zo ongelooflijk dreigend aan dat ze achteruitdeinsden en in de Kamer van Onderzoek verdwenen.
‘Wat ben je te weten gekomen?’ vroeg Tas. Aarzelend liep hij op de oude magiër af, die leek te worden omringd door duisternis. ‘De gnomen hebben er toch niets mee uitgehaald?’
‘Nee, nee.’ Fizban zuchtte. ‘Gelukkig voor hen niet. Want hij is nog steeds actief en erg machtig. Veel zal afhangen van de beslissingen van een paar lieden, misschien zelfs het lot van de gehele wereld.’
‘Hoe bedoel je? Zal de Raad dan geen beslissing nemen?’
‘Je begrijpt het niet, mijn jongen,’ zei Fizban vriendelijk. ‘Wacht, ik moet even uitrusten.’ Met zijn rug tegen de muur ging de magiër op de grond zitten. Hoofdschuddend ging hij verder. ‘Ik heb me uit alle macht op de drakenbol geconcentreerd, Tas. O, niet om de draken te sturen,’ voegde hij eraan toe toen hij zag dat de kender grote ogen opzette. ‘Ik heb in de toekomst gekeken.’
‘Wat heb je gezien?’ vroeg Tas aarzelend, want als hij het sombere gezicht van de magiër zag, wist hij niet of hij het wel wilde weten.
‘Ik heb gezien dat zich twee wegen voor ons uitstrekken. Als we de makkelijkste nemen, zal dat in eerste instantie de juiste keuze lijken, maar aan het eind zal de duisternis vallen, om nooit meer te worden verdreven. Als we voor de andere weg kiezen, zal die zwaar en moeilijk te bewandelen zijn. Dan kan het zijn dat mensen van wie we houden het leven laten, m’n beste jongen. Erger nog, het is mogelijk dat enkelen hun ziel moeten opofferen. Maar alleen dankzij die grote opofferingen zullen we hoop vinden.’ Fizban sloot zijn ogen.
‘En dat heeft met de bol te maken?’ vroeg Tas huiverend.
‘Ja.’
‘Weet jij wat er moet gebeuren zodat we... die d-donkere weg kunnen inslaan?’ Tas was doodsbang voor het antwoord.
‘Jazeker,’ zei Fizban zachtjes, ‘maar die beslissing is niet aan mij. Die ligt in de handen van anderen.’
‘Op die manier,’ verzuchtte Tas. ‘De handen van belangrijke lieden, ongetwijfeld, zoals koningen, elfenheren en ridders.’ Toen galmden Fizbans woorden weer door zijn hoofd: ‘... dat mensen van wie we houden het leven laten...’
Opeens kreeg Tas een brok in zijn keel dat hem dreigde te verstikken. Hij liet zijn hoofd in zijn handen zakken. Dit avontuur dreigde helemaal mis te lopen! Waar was Tanis? En die goeie, ouwe Caramon? En de mooie Tika? Hij had geprobeerd niet te veel aan hen te denken, zeker niet na die droom.
En Flint... Ik had nooit zonder hem moeten weggaan, dacht Tas diep ongelukkig. Misschien gaat hij wel dood, misschien is hij al dood! ‘Mensen van wie je houdt’! Ik heb er nooit bij stilgestaan dat een van ons zou kunnen sterven, niet echt. Ik heb altijd gedacht dat we alles konden overwinnen zolang we bij elkaar bleven. Maar nu zijn we op de een of andere manier van elkaar gescheiden geraakt. En het loopt allemaal in het honderd!
Tas voelde dat Fizban met zijn hand over zijn knot streek, waarop hij zo trots was. En voor het eerst in zijn leven voelde de kender zich verschrikkelijk verloren, alleen en bang. Teder sloeg de magiër zijn armen om hem heen. Tas begroef zijn gezicht in de mouw van Fizbans gewaad en begon te huilen.
Fizban klopte hem zachtjes op zijn rug. ‘Ja,’ zei hij, ‘heel belangrijke lieden.’
6
De Raad van de Wittesteen. Een belangrijk iemand.
De Raad van de Wittesteen kwam op de achtentwintigste dag van december bijeen, de dag die in Solamnië bekendstond als Hongerdag, omdat dan het lijden van het volk tijdens de eerste winter na de Catastrofe werd herdacht. Heer Gunthar vond het passend om de Raadsbijeenkomst te houden op die dag, die werd gekenmerkt door vasten en overpeinzing.
Het was ruim een maand geleden dat het leger was uitgevaren naar Palanthas. Het nieuws dat Gunthar uit die stad had ontvangen, stemde niet gelukkig. Vroeg in de ochtend van die achtentwintigste december was er nog een rapport gekomen. Hij las het twee keer door, slaakte een diepe zucht, fronste en stopte het document in zijn riem.
De Raad van de Wittesteen was nog niet zo lang geleden bijeengekomen voor een bijeenkomst ter gelegenheid van de aankomst van de gevluchte elfen in Zuid-Ergoth en de komst van het drakenleger in Noord-Solamnië. Deze Raadsbijeenkomst was maanden geleden al afgesproken, dus waren alle zittende en adviserende leden aanwezig. De zittende leden, degenen met stemrecht, waren de ridders van Solamnië, de gnomen, de heuveldwergen, de zeevarende inwoners met de donkere huid van Noord-Ergoth, en een vertegenwoordiger van de Solamnische bannelingen die op Sancrist woonden. De adviserende leden waren de elfen, de bergdwergen en de kenders. Die leden mochten hun mening geven, maar hadden geen stemrecht.