Выбрать главу

De eerste Raadsbij eenkomst was echter niet soepel verlopen. Sommige oude vetes en vijandigheden tussen de aanwezige rassen laaiden weer op. Arman Kharas, de vertegenwoordiger van de bergdwergen, en Duncan Hamerrots, een van de heuveldwergen, moesten op een gegeven moment met brute kracht uit elkaar worden gehouden, anders zou die oude vete opnieuw tot bloedvergieten hebben geleid. Alhana Ster renbries, die in afwezigheid van haar vader Silvanesti vertegenwoordigde, had de hele sessie lang geweigerd een woord te zeggen. Alhana was alleen gekomen omdat Porthios van de Qualinesti er ook was. Ze vreesde dat de Qualinesti en de mensen een bondgenootschap zouden sluiten en was vastbesloten dat te verhinderen.

Alhana had zich geen zorgen hoeven maken. Het wantrouwen tussen de elfen en de mensen was zo groot dat ze elkaar uitsluitend uit beleefdheid aanspraken. Zelfs de hartstochtelijke toespraak van heer Gunthar, waarin hij had verklaard: ‘Met eenheid begint vrede, met verdeeldheid sterft hoop!’ had weinig indruk gemaakt.

Porthios had daarop geantwoord dat het de schuld van de mensen was dat de draken waren teruggekeerd. De mensen mochten het dan ook oplossen. Kort nadat Porthios zijn standpunt duidelijk had gemaakt, was Alhana hooghartig opgestaan en weggegaan, waardoor er geen enkele twijfel bestond over het standpunt van de Silvanesti.

De bergdwerg, Arman Kharas, verklaarde dat zijn volk best bereid was te helpen, maar dat de bergdwergen zich niet zouden verenigen zolang de hamer van Kharas niet was teruggevonden. Indertijd wist niemand dat de reisgenoten al snel met de hamer zouden terugkomen, waardoor Gunthar er noodgedwongen vanuit moest gaan dat de dwergen geen hulp konden bieden. De enige die zijn hulp aanbood, was Kronin Distelknot, stamhoofd van de kenders. De ‘hulp’ van een leger kenders was wel het laatste waaraan een verstandig land behoefte had. Dat gebaar werd dan ook met beleefde glimlachjes ontvangen, maar achter Kronins rug om wisselden de leden ontzette blikken.

De eerste Raad was dan ook ten einde gekomen zonder dat er veel was bereikt.

Van deze tweede raadsbijeenkomst verwachtte Gunthar veel meer. Natuurlijk stelde de ontdekking van de drakenbol alles in een veel helderder licht. Vertegenwoordigers van beide elfenfacties waren gearriveerd. Een van hen was de Zonnenspreker, die een mens had meegenomen die beweerde een priester van Paladijn te zijn. Gunthar had van Sturm al veel over Elistan gehoord en keek ernaar uit hem te ontmoeten. Wie precies de Silvanesti zou vertegenwoordigen, wist Gunthar niet. Hij nam aan dat het de heer zou zijn die als regent was aangesteld na de mysterieuze verdwijning van Alhana Sterrenbries.

De elfen waren twee dagen eerder op Sancrist aangekomen. Hun tenten stonden op het veld, met vrolijk gekleurde, wapperende vlaggen die fel afstaken tegen de grijze, stormachtige hemel. Zij waren het enige andere ras dat aanwezig zou zijn. Er was niet genoeg tijd geweest om een bericht naar de bergdwergen te sturen, en de heuveldwergen vochten naar verluidt voor hun leven tegen het drakenleger. Boodschappers konden hen niet bereiken.

Gunthar hoopte dat de mensen en de elfen tijdens deze bijeenkomst de handen ineen zouden slaan om het drakenleger uit Ansalon te verdrijven. Die hoop werd echter nog vóór aanvang van de bijeenkomst de grond in geboord.

Nadat hij het rapport van het leger in Palanthas vluchtig had doorgelezen, verliet Gunthar zijn tent om nogéén keer over de Weide van de Wittesteen te lopen om te zien of alles geregeld was. Wils, zijn bediende, kwam echter achter hem aan gerend.

‘Mijn heer,’ pufte de oude man, ‘u moet meteen terugkomen.’

‘Wat is er dan?’ vroeg Gunthar, maar de oude bediende was te zeer buiten adem om antwoord te kunnen geven.

Met een zucht keerde de Solamnische heer terug naar zijn tent, waar hij heer Michael aantrof, die in volledige wapenrusting nerveus liep te ijsberen.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Gunthar. De moed zonk hem in de schoenen toen hij het ernstige gezicht van de jonge heer zag.

Michael liep snel op hem af en greep hem bij de arm. ‘Mijn heer, we hebben vernomen dat de elfen zullen eisen dat we de drakenbol teruggeven. Als we niet aan hun verzoek voldoen, zijn ze bereid ons de oorlog te verklaren om hem te heroveren.’

‘Hè?’ riep Gunthar ongelovig uit. ‘Ons de oorlog verklaren! Dat is belachelijk. Dat kunnen ze... Weet je het zeker? Hoe betrouwbaar is die informatie?’

‘Zeer betrouwbaar, vrees ik, heer Gunthar.’

‘Mijn heer, dit is Elistan, priester van Paladijn,’ zei Michael. ‘Mijn excuses dat ik hem niet eerder aan u heb voorgesteld, maar ik ben volledig de kluts kwijt sinds hij me dit is komen vertellen.’

‘Ik heb veel over u gehoord, beste man,’ zei heer Gunthar terwijl hij zijn hand naar de man uitstak.

De ridder nam Elistan nieuwsgierig op. Hij wist niet goed wat voor iemand hij had verwacht toen hij vernam dat er een vermeende priester van Paladijn zou komen. Een bijziende geleerde misschien, bleek en mager van het vele studeren, maar in elk geval geen lange, goedgebouwde man die eruitzag alsof hij met zijn beste ridders ten strijde zou kunnen trekken. Het eeuwenoude symbool van Paladijn, een medaillon van platina met een draak erin gegraveerd, hing om zijn hals.

Gunthar dacht na over alles wat hij van Sturm had gehoord over Elistan, waaronder diens streven om de elfen ervan te overtuigen dat ze een bondgenootschap met de mensen moesten aangaan. Elistan glimlachte vermoeid, alsof hij zich bewust was van de gedachten die door Gunthars hoofd speelden. Op die gedachten gaf hij antwoord.

‘Ja, ik heb gefaald,’ gaf Elistan toe. ‘Ik heb alle zeilen moeten bijzetten om hen ervan te overtuigen dat ze naar de Raad moesten gaan, en ik vrees dat ze hier slechts zijn gekomen om u een ultimatum voor te leggen: de bol teruggeven aan de elfen of vechten om hem te behouden.’

Gunthar liet zich in een stoel zakken en gebaarde zwakjes naar de anderen dat ook zij moesten plaats nemen. Voor hem op tafel lagen kaarten van de Ansalonse landen. De slinkse opmars van het drakenleger was er met donkere arcering op aangegeven. Even bleef Gunthars blik op die kaarten rusten, maar toen veegde hij ze op de grond.

‘Dan kunnen we het net zo goed meteen opgeven,’ grauwde hij. ‘Laten we maar een bericht sturen aan de Drakenheren: jullie hoeven ons niet meer te komen uitroeien. Dat lukt ons zelf al heel aardig.’

Boos smeet hij het bericht dat hij had ontvangen op de tafel. ‘Lees maar. Dit is een bericht uit Palanthas. De bevolking staat erop dat de ridders de stad verlaten. De Palanthijnen zijn in onderhandeling met de Drakenheren, en de aanwezigheid van de ridders “brengt hun onderhandelingspositie ernstig in gevaar”. Ze weigeren ons te helpen. Met als gevolg dat het Palanthijnse leger, duizend man sterk, zit te duimen draaien.’

‘Wat heeft heer Derek besloten te doen, mijn heer?’ vroeg Michael.

‘Hij, de ridders en duizend voetsoldaten, vluchtelingen uit de bezette gebieden in Throtyl, hebben de Toren van de Hogepriester ten zuiden van Palanthas bezet,’ zei Gunthar vermoeid. ‘Die bewaakt de enige pas door het Vingaardgebergte. We kunnen Palanthas wel een tijdje verdedigen, maar als het drakenleger erdoorheen komt...’ Hij zweeg. ‘Verdomme,’ fluisterde hij terwijl hij met zijn vuist op tafel sloeg, ‘met tweeduizend man zouden we die pas gemakkelijk in handen kunnen houden. De dwazen! En nu dit ook nog!’ Hij gebaarde in de richting van de tenten van de elfen. Zuchtend liet hij zijn hoofd in zijn handen zakken. ‘Wel, priester, wat raad je ons aan?’

Elistan zweeg even voor hij antwoord gaf. ‘Op de schijven van Mishakal staat geschreven dat het in de natuur van het kwaad ligt zich uiteindelijk tegen zichzelf te keren. Aldus zal het zichzelf vernietigen.’ Hij legde zijn hand op Gunthars schouder. ‘Ik weet niet waar deze bijeenkomst toe zal leiden. Dat hebben mijn goden me niet onthuld. Wellicht weten ze het zelf niet eens, omdat de toekomst van de wereld op het spel staat en afhankelijk is van wat wij hier besluiten. Dit weet ik weclass="underline" begin er niet met een verslagen hart aan, want dan heeft het kwaad zijn eerste overwinning reeds behaald.’