Выбрать главу

Met die woorden stond Elistan op en verliet stilletjes de tent.

Na het vertrek van de priester bleef Gunthar nog een tijdje zwijgend zitten. Het leek wel of de hele wereld zweeg, dacht hij. In de loop van de nacht was de wind gaan liggen. De zware onweerswolken hingen laag en dempten al het geluid, zodat zelfs het trompetgeschal dat het aanbreken van de dag aankondigde schril en ijl klonk. Een geritsel verbrak zijn concentratie. Michael raapte langzaam de gevallen kaarten bij elkaar.

Wrijvend in zijn ogen hief Gunthar zijn hoofd. ‘Wat vind jij ervan?’

‘Waarvan? Van de elfen?’

‘Van die priester,’ zei Gunthar. Hij staarde door de opening van de tent naar buiten.

‘Hij is in elk geval heel anders dan ik had verwacht,’ antwoordde Michael, die Gunthars blik volgde. ‘Hij lijkt op de priesters uit de oude verhalen, die de ridders met raad en daad bijstonden in de tijd voor de Catastrofe. Hij lijkt in niets op de charlatans die tegenwoordig rondlopen. Elistan is iemand die op het slagveld naast je zou gaan staan en met zijn ene hand de zegen van Paladijn zou afsmeken terwijl hij met de andere een goedendag hanteerde. Hij draagt het medaillon dat we niet meer hebben gezien sinds de goden ons de rug hebben toegekeerd. Maar is hij een ware priester?’ Michael haalde zijn schouders op. ‘Er is meer voor nodig dan een medaillon om me daarvan te overtuigen.’

‘Dat ben ik met je eens.’ Gunthar stond op en liep naar de tentflap. ‘Nou, het is bijna tijd. Blijf jij maar hier, Michael, voor het geval er nog meer rapporten komen.’ Bij de ingang bleef hij even staan. ‘Het is merkwaardig, Michael,’ prevelde hij, terwijl hij met zijn blik Elistan volgde, die nu nog slechts een wit stipje in de verte was. ‘Wij zijn altijd een volk geweest dat vertrouwde op de goden, een gelovig volk dat weinig ophad met magie. Maar tegenwoordig putten we juist hoop uit magie, en nu we de kans krijgen om ons geloof te hervinden, twijfelen we.’

Heer Michael antwoordde niet. Gunthar schudde zijn hoofd en liep, nog steeds peinzend, naar de Weide van de Wittesteen.

Zoals Gunthar had gezegd, waren de inwoners van Solamnië altijd trouwe volgelingen van de goden geweest. Lang geleden, vóór de Catastrofe, was de Weide van de Wittesteen een gewijde plaats geweest, waar gelovigen van heinde en verre op afkwamen. De witte rots had al sinds mensenheugenis de aandacht van nieuwsgierige lieden getrokken. De priesterkoning van Istar had persoonlijk de enorme witte rots gezegend die midden op het eeuwig groene weiland stond. Hij had verklaard dat de steen heilig was in de ogen van de goden, en verbood stervelingen hem aan te raken.

Zelfs na de Catastrofe, toen het geloof in de oude goden was verdwenen, was de Weide een heilige plek gebleven. Misschien kwam dat doordat zelfs de Catastrofe er geen effect op had gehad. Volgens de legende was de grond om de Wittesteen heen gebarsten en opengebroken toen de vuurberg uit de hemel viel, maar was de Wittesteen zelf onbeschadigd gebleven.

De aanblik van de enorme witte rots was zo ontzagwekkend dat ook nu niemand het waagde er in de buurt te komen, laat staan hem aan te raken. Niemand kon zeggen wat voor vreemde krachten erin schuilgingen. Het enige wat ze wisten was dat het rond de Wittesteen altijd lenteachtig warm leek. Hoe streng de winter ook was, het gras van de Weide van de Wittesteen was altijd groen.

Hoewel Gunthars gemoed bezwaard was, viel alles van hem af zodra hij de weide betrad en de warme, zoete lucht inademde. Even voelde hij weer Elistans hand op zijn schouder, die hem een soort innerlijke rust schonk.

Hij keek snel om zich heen en zag dat alles in gereedheid was. Grote houten stoelen met rijk bewerkte rugleuningen waren op het groene gras neergezet. Links van de Wittesteen stonden er vijf voor de leden van de Raad met stemrecht; rechts stonden er drie voor de adviserende leden. Daartegenover stonden, zoals de Maatstaf voorschreef, gepolitoerde houten banken voor de getuigen van de gebeurtenissen.

De eerste getuigen waren al gearriveerd, zag Gunthar. De meeste elfen die met de Spreker en de heer van de Silvanesti waren meegereisd, namen al plaats. De twee van elkaar vervreemde elfenrassen gingen bij elkaar zitten, op veilige afstand van de mensen, die zich nu ook meldden. Iedereen zat er stilletjes bij, sommigen vanwege de herdenking van Hongerdag; anderen, zoals de gnomen, die die gelegenheid niet herdachten, uit ontzag voor de entourage. Voorin waren plaatsen gereserveerd voor eregasten en degenen die toestemming hadden om de Raad toe te spreken.

Gunthar zag de streng kijkende zoon van de Spreker, Porthios, arriveren met een gevolg van elfenkrijgers. Ze namen voorin plaats. Gunthar vroeg zich af waar Elistan was. Hij was eigenlijk van plan geweest ook hem aan het woord te laten. De woorden van de man hadden indruk op hem gemaakt (ook al was hij een charlatan) en hij had gehoopt dat de priester ze zou willen herhalen.

Terwijl hij vergeefs naar Elistan zocht, zag hij drie opvallende verschijningen plaatsnemen op de eerste rij: de oude magiër met zijn kromme, vormeloze hoed, zijn vriend de kender en een gnoom die ze hadden meegenomen uit de Laatmaarberg. Ze waren de vorige avond pas teruggekeerd van hun reis.

Gunthar was gedwongen zijn aandacht weer te richten op de Wittesteen. De adviserende Raadsleden meldden zich. Het waren er slechts twee: heer Quinath van de Silvanesti, en de Zonnenspreker. Gunthar nam de Spreker nieuwsgierig op, wetend dat hij een van de weinigen op Krynn was die zich de Catastrofe nog kon herinneren.

De Spreker liep zo diep voorovergebogen dat hij wel kreupel leek. Zijn haar was grijs en zijn gezicht afgetobd. Maar toen hij had plaatsgenomen en zijn blik op de getuigen richtte, zag Gunthar dat de ogen van de elf nog altijd helder en dwingend stonden. Heer Quinath, die naast hem zat, kende Gunthar al, en hij vond hem net zo arrogant en trots als Porthios van de Qualinesti, maar dan zonder de intelligentie waarover Porthios wel beschikte.

Wat Porthios betrof, Gunthar dacht dat hij de oudste zoon van de Spreker best zou mogen als hij hem beter leerde kennen. Porthios had alle kenmerken die de ridders bewonderden, metéén uitzondering: zijn heethoofdigheid.

Gunthars mijmeringen werden onderbroken, want nu waren de Raadsleden met stemrecht, onder wie hijzelf, aan de beurt om plaats te nemen. Als eerste kwam Mir Kar-thon uit Noord-Ergoth, een man met een donkere huid, staalgrijs haar en de armen van een reus. Daarna kwam Serdin MarThasal, die de ballingen op Sancrist vertegenwoordigde, en als laatste heer Gunthar, ridder van Solamnië.

Zodra hij zat, keek Gunthar nogéén keer om zich heen. Achter hem glinsterde de reusachtige Wittesteen, die zijn eigen gloed uitstraalde nu de zon zich niet liet zien. Aan de andere kant van de Wittesteen zat de Spreker, met naast zich heer Quinath. Tegenover hen zaten de getuigen op hun bankjes. De kender zat er gedwee bij en zwaaide met zijn korte beentjes, die een flink eind boven de grond hingen. De gnoom bladerde door een dikke stapel papier. Gunthar rilde en wenste dat hij genoeg tijd had gehad om hem te vragen een samenvatting van zijn rapport te maken. De oude tovenaar gaapte en krabde aan zijn hoofd terwijl hij afwezig om zich heen keek.

Alles was in gereedheid. Op Gunthars teken traden twee ridders naar voren met een gouden standaard en een houten kist. Een welhaast doodse stilte daalde neer over het publiek nu de drakenbol werd binnengebracht.

Recht voor de Wittesteen bleven de ridders staan. Daar zette een van hen de gouden standaard op de grond. De ander zette de kist neer, haalde het slot eraf en pakte voorzichtig de bol, die weer zijn oorspronkelijke grootte had, meer dan twee voet in doorsnee.

Geroezemoes steeg op uit het publiek. De Zonnenspreker schuifelde met een boos gezicht ongemakkelijk heen en weer. Zijn zoon Porthios draaide zich om en zei iets tegen de elfenheer die naast hem zat. Alle elfen, zo zag Gunthar, waren gewapend. Geen goed teken, afgaand op wat hij wist over de gewoonten van de elfen.

Heer Gunthar Uth Wistan moest wel doorgaan, hij had geen andere keus. Hij verklaarde de bijeenkomst voor geopend met de woorden: ‘Laat de Raad van de Wittesteen beginnen.’