Al na de eerste twee minuten was het Tasselhof duidelijk dat er iets helemaal mis was. Nog voordat heer Gunthar klaar was met zijn welkomstwoord, stond de Zonnenspreker op.
‘Ik zal mijn toespraak kort houden,’ zei de elfenleider met een stem die paste bij het staalgrijs van de onweerswolken boven zijn hoofd. ‘Kort nadat de bol uit ons kamp was meegenomen, zijn de leiders van de Silvanesti, de Qualinesti en de Kaganesti bijeengekomen. Dat was voor het eerst sinds de Bloedmoordoorlog.’ Hij zweeg even om die laatste woorden extra te benadrukken. Toen ging hij verder.
‘We hebben besloten onze eigen meningsverschillen opzij te zetten omdat we het er roerend over eens zijn dat de drakenbol thuishoort in de handen van de elfen, en niet die van de mensen of welk ander ras op Krynn dan ook. Wij zijn dan ook naar de Raad van de Wittesteen gekomen met het verzoek de drakenbol onmiddellijk aan ons te overhandigen. In ruil daarvoor beloven wij plechtig dat we hem zullen meenemen naar ons land en hem daar zullen beschermen tot op het moment dat hij nodig is, als het al ooit zover komt.’
De Spreker ging zitten en liet zijn donkere ogen over het publiek gaan, waaruit nu het geroezemoes van zachte stemmen opsteeg. De andere Raadsleden, die naast heer Gunthar zaten, schudden met een grimmig gezicht het hoofd. De donkere leider van Noord-Ergoth fluisterde heer Gunthar fel iets in het oor en balde zijn vuist om zijn woorden te benadrukken.
Nadat hij enkele minuten knikkend had geluisterd, stond heer Gunthar op om te reageren. Zijn toespraak was koel, kalm en doorspekt met complimenten aan de elfen. Maar tussen de regels door was te horen dat de ridders nog liever naar de Afgrond liepen dan dat ze de elfen de drakenbol zouden geven.
De Spreker, die de boodschap vervat in die mooie woorden heel goed had begrepen, stond op om te antwoorden. Hij sprak slechtséén zin, maar die deed iedereen in het publiek opstaan.
‘In dat geval, heer Gunthar,’ zei hij, ‘verklaren de elfen dat we vanaf dit moment op voet van oorlog staan.’
Zowel mensen als elfen liepen op de drakenbol af, die op zijn gouden standaard stond terwijl de melkwitte waas in het midden zachtjes rond kolkte. Keer op keer riep Gunthar om orde en sloeg hij met het gevest van zijn zwaard op tafel. De Spreker sprak scherp een paar woorden in het elfs, met een dwingende blik op zijn zoon Porthios, en eindelijk keerde de rust weer.
Maar de lucht knetterde van de spanning, alsof er elk moment een onweersbui kon losbarsten. Gunthar sprak. De Spreker antwoordde en deed zijn zegje. Gunthar antwoordde. De zeeman met de donkere huid verloor zijn geduld en maakte enkele snijdende opmerkingen over de elfen. De heer van de Silvanesti deed hem op zijn beurt beven van woede met zijn sarcastische weerwoord. Enkele ridders gingen weg, maar keerden al snel weer terug, tot de tanden gewapend. Ze gingen met de hand op het zwaard om heer Gunthar heen staan. Onder leiding van Porthios stonden ook enkele elfen op, die zich om hun leiders heen schaarden.
Gnosh, die zijn rapport stevig omklemde, begon te beseffen dat hij niet aan het woord zou komen.
Wanhopig keek Tasselhof om zich heen, op zoek naar Elistan. Hij bleef maar hopen dat de priester zou komen opdagen. Hij kon deze lieden wel tot bedaren brengen. Of anders Laurana. Waar was zij? De elfen hadden hem op ijzige toon verteld dat ze niets van zijn vrienden hadden vernomen. Laurana en haar broer leken in de wildernis te zijn verdwenen. Ik had hen nooit achter moeten laten, dacht Tas. Ik hoor hier helemaal niet te zijn. Waarom, waarom heeft die gekke oude magiër me meegenomen? Aan mij heb je helemaal niets! Misschien kan Fizban iets doen. Tas keek de magiër hoopvol aan, maar die zat als een blok te slapen!
‘Toe, word wakker!’ smeekte Tas terwijl hij de oude man heen en weer schudde. ‘Iemand moet iets doen!’
Op dat moment hoorde hij heer Gunthar roepen: ‘U bent niet de rechtmatige eigenaar van de drakenbol. Vrouwe Laurana en de anderen waren ermee op weg naar ons toen hun schip op de klippen liep. U hebt geprobeerd hem met geweld op Ergoth te houden, en uw eigen dochter...’
‘Zwijg over mijn dochter!’ zei de Spreker met diepe, barse stem. ‘Ik heb geen dochter.’
Er brak iets in Tas. Verwarde herinneringen speelden door zijn hoofd, aan Laurana die wanhopig vocht tegen de kwade tovenaar die de bol bewaakte, Laurana die het opnam tegen draconen, Laurana die met haar boog op de witte draak schoot, Laurana die hem zo teder had verzorgd toen hij op het randje van de dood zweefde. En nu werd ze verloochend door haar eigen volk, terwijl ze wanhopig haar best deed hen te redden en verschrikkelijke offers had moeten brengen...
‘Hou daarmee op!’ hoorde Tasselhof zichzelf zo hard als hij kon roepen. ‘Hou daar onmiddellijk mee op en luister naar me!’
Tot zijn verbijstering zag hij dat iedereen inderdaad was opgehouden met praten en hem nu stond aan te staren.
Nu hij de aandacht van zijn publiek had, besefte Tas dat hij geen idee had wat hij tegen al die belangrijke lieden moest zeggen. Maar hij wist dat hij iets moest doen. Dit is immers mijn schuld, dacht hij, want ik heb over die vervloekte bollen gelezen. Moeizaam slikkend liet hij zich van zijn bankje glijden en liep naar de Wittesteen en de twee vijandige groepen die eromheen stonden. Uit zijn ooghoek meende hij Fizban onder zijn hoed te zien grijnzen.
‘I-ik...’ stamelde de kender terwijl hij probeerde te bedenken wat hij moest zeggen. Toen kreeg hij opeens een inval. ‘Ik eis het recht om mijn volk te vertegenwoordigen,’ zei Tasselhof trots, ‘en mijn plaats in te nemen in de adviesraad.’
De kender gooide zijn haarlok over zijn schouder en ging vlak voor de drakenbol staan. Toen hij opkeek, zag hij de Wittesteen hoog boven hem en de bol uittorenen. Even liet hij huiverend zijn blik op de steen rusten, maar toen richtte hij hem snel op Gunthar en de Zonnenspreker.
Ineens wist Tasselhof wat hij moest doen. Hij begon te beven van angst. Hij, Tasselhof Klisvoet, die nog nooit van zijn leven ergens bang voor was geweest! Hij had het zonder angst opgenomen tegen draken, maar de wetenschap van wat hij nu ging doen vervulde hem met afschuw. Zijn handen voelden aan alsof hij zonder handschoenen sneeuwballen had staan maken. Zijn tong leek thuis te horen in een veel grotere mond. Maar Tas was vastbesloten. Hij moest hen gewoon aan de praat zien te houden, zodat ze niet zouden beseffen wat hij van plan was.
‘Jullie hebben de kenders nooit echt serieus genomen,’ begon Tas. Zelfs in zijn eigen oren klonk zijn stem te luid en te schril. ‘Maar ik kan niet zeggen dat ik jullie dat kwalijk neem. We hebben niet zo’n sterk verantwoordelijkheidsgevoel, geloof ik, en we zijn waarschijnlijk nieuwsgieriger dan goed voor ons is, maar stel jezelf eens deze vraag: hoe kun je ooit iets te weten komen als je niet nieuwsgierig bent?’
Tas zag dat het gelaat van de Spreker verstrakte. Zelfs heer Gunthar keek boos. De kender schoof nog iets dichter naar de drakenbol toe.
‘En we veroorzaken onbedoeld ook wel erg veel problemen, en soms vergaart iemand van ons iets wat strikt genomen niet van hem is. Maaréén ding weten de kenders wel.’
Tasselhof zette het op een rennen. Snel en behendig als een muis ontweek hij de handen die hem probeerden vast te grijpen, en binnen een paar tellen was hij bij de drakenbol. De gezichten om hem heen vervaagden, hij zag monden openvallen, hoorde gekrijs en geschreeuw. Maar ze waren te laat.
Inéén snelle, soepele beweging smeet Tasselhof de drakenbol naar de enorme, glinsterende Wittesteen.
De ronde, glanzende glazen bol, waarvan het binnenste wild kolkte, van blinde paniek, bleef een hele tijd in de lucht hangen. Tas vroeg zich af of de bol soms de macht had om zijn vlucht af te remmen. Maar het was slechts een illusie van zijn koortsige brein.
De drakenbol sloeg tegen de rots en barstte in duizenden glinsterende scherven uiteen. Even bleef er een bol melkwitte rook in de lucht hangen, alsof iets wanhopig probeerde de bol bijeen te houden. Toen werd de rook verspreid door de warme lentebries die over de weide streek.