Er viel een diepe, afschuwelijke stilte.
De kender keek kalmpjes neer op de scherven van de drakenbol.
‘We weten,’ zei hij met een zacht stemmetje dat als een regendruppel in de angstaanjagende stilte viel, ‘dat we tegen draken moeten vechten. Niet tegen elkaar.’
Niemand verroerde zich. Niemand zei iets. Toen klonk er een bons. Gnosh was flauwgevallen.
De stilte spatte uiteen, net zo plotseling als de bol. Heer Gunthar en de Spreker doken op Tas. De een pakte de kender bij de rechterschouder, de ander bij de linker.
‘Wat heb je gedaan?’ Het gezicht van heer Gunthar was vuurrood van woede, zijn ogen stonden verwilderd en de handen waarmee hij de kender vasthield beefden.
‘Je hebt de dood over ons allen afgeroepen!’ De vingers van de Spreker drukten in Tas’ huid als de klauwen van een roofvogel. ‘Je hebt onze enige hoop vernietigd!’
‘En daarvoor zal hij als eerste sterven.’
Porthios, de lange, grimmig kijkende elfenheer, doemde met zijn glinsterende zwaard in zijn hand op voor de bevende kender. Die bleef echter met rechte rug tussen de elfenkoning en de ridder in staan, met een uitdagende uitdrukking op zijn bleke gezicht. Op het moment dat hij zijn misdaad beging, wist hij al dat er de doodstraf op stond.
Tanis zal niet blij zijn met wat ik heb gedaan, dacht Tas verdrietig. Maar hij zal in elk geval te horen krijgen dat ik dapper ben gestorven.
‘Nou, nou, nou...’ zei iemand slaperig. ‘Er gaat helemaal niemand dood. Tenminste, nu nog niet. Zwaai niet zo met dat zwaard, Porthios. Straks raakt er nog iemand gewond.’
Tas tuurde tussen de zee van armen en glanzende wapenrustingen door naar Fizban, die gapend over het roerloze lichaam van de gnoom heen stapte en wankel op hen afkwam. Zowel elfen als mensen maakten ruim baan voor hem, alsof een onzichtbare kracht hen opzij duwde.
Porthios draaide zich met een ruk naar de oude man om, letterlijk schuimbekkend van woede en bijna niet in staat verstaanbaar te spreken. ‘Pas maar op, ouwe, anders ben jij de volgende.’
‘Ik zei dat je niet zo met dat zwaard moest zwaaien,’ snauwde Fizban gepikeerd. Hij wiebelde met zijn vinger in de richting van het zwaard.
Met een wilde kreet liet Porthios het wapen vallen. Hij omklemde zijn pijnlijke hand en staarde vol verbijstering naar het zwaard. Aan het gevest waren doorns ontsproten. Fizban bleef naast de elfenheer staan en keek hem boos aan.
‘Je bent een voortreffelijke jongeman, maar iemand had je respect voor ouderen moeten bijbrengen. Ik zei dat je dat zwaard moest wegstoppen, en ik meende het. Misschien geloof je me de volgende keer wel.’ Toen richtte Fizban zijn dreigende blik op de Spreker. ‘Enjij, Solastaran, was tot een jaar of tweehonderd geleden eveneens een goed man. Drie schitterende kinderen heb je groot gebracht. Drie, zei ik. Je moet bij mij niet aankomen met die onzin dat je geen dochter hebt. Je hebt er wel degelijk een, en ze is een prachtmeid. Een stuk verstandiger dan haar vader. Zal ze wel van haar moeder hebben. Waar was ik? O ja. Ik hoorde je ook iets zeggen over Tanis Halfelf. Weet je, Solastaran, als we die vier jonge mensen hun gang laten gaan, hebben we misschien alsnog een kans om de wereld te redden.
Goed. Nu wil ik dat iedereen op zijn plaats gaat zitten. Ja, jij ook, heer Gunthar. Kom, Solastaran, ik zal je helpen. Oude mannen als wij moeten elkaar steunen. Jammer dat je zo’n vervloekte dwaas bent.’
Mopperend in zijn baard leidde Fizban de verbijsterde Spreker naar zijn stoel. Porthios strompelde, ondersteund door zijn krijgers, met een van pijn vertrokken gezicht terug naar zijn plaats.
Langzaam gingen de verzamelde elfen en ridders weer zitten, tegen elkaar mompelend. Allemaal wierpen ze duistere blikken op de verbrijzelde drakenbol aan de voet van de Wittesteen.
Fizban hielp de Spreker in zijn stoel en wierp een boze blik op heer Quinath, die meende dat hij iets te melden had maar snel van gedachten veranderde. Tevreden liep de oude magiër op Tas af, die geschrokken en verward nog steeds voor de Wittesteen stond.
‘Jij daar,’ zei Fizban met een blik op de kender alsof hij die nog nooit had gezien, ‘ga eens voor die arme knul zorgen.’ Hij gebaarde naar de gnoom, die nog steeds buiten westen was.
Met knikkende knieën liep Tasselhof langzaam op Gnosh af en knielde naast hem neer, blij dat hij even ergens anders naar kon kijken dan naar al die boze, angstige gezichten.
‘Gnosh,’ fluisterde hij schuldbewust terwijl hij de gnoom op zijn wang klopte, ‘het spijt me. Echt waar. Van je levensqueeste en de ziel van je vader en zo, bedoel ik. Maar ik kon niet anders.’
Langzaam wendde Fizban zich tot de aanwezigen. Hij duwde zijn hoed naar achteren. ‘Ja, ik ga een preek tegen jullie afsteken. Die hebben jullie verdiend, stuk voor stuk, dus zit niet zo verwaand te kijken. Die kender’— hij wees naar Tasselhof, die ineenkromp — ‘heeft onder dat belachelijke knotje van hem meer hersens zitten dan jullie allemaal bij elkaar. Weten jullie wat er zou zijn gebeurd als de kender niet het lef had gehad om te doen wat hij heeft gedaan? Nou? Dat zal ik jullie vertellen. Maar eerst wil ik zitten...’ Hij keek afwezig om zich heen. ‘Ja, dat lijkt me een fijn plekje...’ Tevreden knikkend schuifelde de oude magiër naar de Wittesteen toe, ging aan de voet ervan zitten en leunde met zijn rug tegen de heilige rots aan.
De verzamelde ridders hapten vol ontzetting naar adem. Gunthar sprong overeind, diep verontwaardigd over zoveel heiligschennis. ‘Geen enkele sterveling mag de Wittesteen aanraken!’ schreeuwde hij terwijl hij met grote passen op Fizban afliep.
Langzaam draaide Fizban zijn hoofd in de richting van de woedende ridder. ‘Nogéén woord,’ zei de magiër met dodelijke ernst, ‘en ik zorg ervoor dat je snor uitvalt. Ga zitten en hou je mond.’
Met een bevelend gebaar riep de oude man de sputterende Gunthar een halt toe. De ridder kon niets anders doen dan weer op zijn stoel gaan zitten.
‘Waar was ik nou ook alweer gebleven voordat ik werd onderbroken?’ mopperde Fizban. Hij blikte om zich heen en zag de scherven van de bol. ‘O ja. Ik stond op het punt jullie een verhaal te vertellen. Een van jullie zou de bol hebben veroverd, uiteraard. En diegene zou hem hebben meegenomen — om hem “veilig te bewaren” of “de wereld te redden”. En ja, je kunt er inderdaad de wereld mee redden, maar alleen als je weet hoe je hem moet gebruiken. Wie van jullie bezit die kennis? De bol is geschapen door de grootste, machtigste magiërs uit het verleden. Al de machtigste magiërs, begrijp je me? Hij is gemaakt door dragers van de Witte Mantel en de Zwarte Mantel. De essentie van zowel goed als kwaad ligt erin besloten. De Rode Mantels hebben met hun kracht die essenties samengesmeed. Tegenwoordig zijn er slechts weinigen op deze wereld met voldoende macht en vaardigheid om de bol te begrijpen, zijn geheimen te doorgronden en hem aan zich te onderwerpen. Heel weinig slechts,’ — Fizbans ogen spoten vuur — ‘en geen van hen is hier aanwezig!’
Inmiddels was er een stilte gevallen, een diepe stilte, terwijl de aanwezigen luisterden naar de oude magiër. Diens krachtige stem overstemde gemakkelijk de opkomende wind die de onweerswolken uit elkaar joeg.
‘Een van jullie zou hebben geprobeerd de bol te gebruiken, en dan zou diegene in een mum van tijd hebben ontdekt dat hij een ramp over zich had afgeroepen. Diegene zou zijn gebroken, zoals de bol door de kender is gebroken. En wat die hoop betreft die zogenaamd vervlogen zou zijn: ik kan jullie vertellen dat er een tijd lang inderdaad geen hoop is geweest, maar dat die nu is teruggekeerd...’
Een plotselinge windvlaag greep de hoed van de oude man, trok hem van zijn hoofd en wierp hem speels buiten zijn bereik. Grauwend van ergernis kroop Fizban naar voren om hem op te rapen.
Op het moment dat de magiër bukte, brak de zon tussen de wolken door. Er was een zilveren flits, gevolgd door een krakende, oorverdovende knal alsof het land in tweeën werd gescheurd.
Half verblind door het felle licht staarden de aanwezigen knipperend met hun ogen en overmand door angst en ontzag naar het schrikwekkende beeld waarmee ze geconfronteerd werden.