Выбрать главу

De Wittesteen was dwars doormidden gespleten.

De oude tovenaar lag languit aan de voet ervan, met zijn hoed stevig in zijn ene hand en zijn andere arm beschermend over zijn hoofd geslagen. Boven hem, uit het gesteente waar tegen hij zoëven nog geleund had gezeten, stak een langwerpig wapen, vervaardigd uit zilver. Het was geworpen door een zwarte man met een zilveren arm, die ernaast kwam staan. Hij werd vergezeld door drie anderen: een elfenvrouw gekleed in een leren wapenrusting, een oude dwerg met een witte baard en Elistan.

In de verbijsterde stilte haalde de zwarte man het wapen uit de kapotte steen. Hij hief het hoog boven zijn hoofd, en de zilveren punt met weerhaken glinsterde fel in het licht van de middagzon.

‘Ik ben Theros IJzerfeld,’ riep de man met diepe stem, ‘en de afgelopen maand heb ik wapens als dit gesmeed.’ Hij stak het wapen in de lucht. ‘Ik heb gesmolten zilver gehaald uit een verborgen bron diep in het hart van het monument van de Zilveren Draak. Met de zilveren arm die mij door de goden is geschonken, heb ik het wapen gesmeed, zoals in de legendes werd voorspeld. En nu schenk ik het aan jullie, aan alle volkeren van Krynn, zodat we ons kunnen verenigen om het grote kwaad te verslaan dat ons voorgoed in duisternis dreigt onder te dompelen. Ik schenk jullie... de Drakenlans!’

Met die woorden stak Theros het wapen diep in de grond. Daar bleef het staan, kaarsrecht en glanzend, omringd door de scherven van de drakenbol.

7

Een onverwachte reis.

‘En nu zit mijn taak erop,’ zei Laurana. ‘Het staat me vrij om te vertrekken.’

‘Ja,’ zei Elistan langzaam, ‘en ik weet waarom je weggaat,’ — Laurana bloosde en sloeg haar ogen neer — ‘maar waar wil je naartoe?’

‘Naar Silvanesti,’ antwoordde ze. ‘De laatste plek waar ik hem heb gezien.’

‘Maar dat was een droom...’

‘Nee, het was meer dan een droom,’ antwoordde Laurana huiverend. ‘Het was echt. Hij was daar. Hij leeft nog en ik moet hem vinden.’

‘Maar lieve kind, kun je dan niet beter hier blijven?’ opperde Elistan. ‘Je zei dat hij in de droom een drakenbol had gevonden. Als dat zo is, dan zal hij naar Sancrist komen.’

Laurana gaf geen antwoord. Ongelukkig en besluiteloos staarde ze naar buiten door een raam in het kasteel van heer Gunthar, waar zij, Elistan, Flint en Tasselhof logeerden.

Ze hoorde eigenlijk bij de elfen te zijn. Voordat ze de Weide van de Wittesteen hadden verlaten, had haar vader haar gevraagd mee terug te gaan naar Zuid-Ergoth. Laurana had echter nee gezegd. Hoewel ze het niet hardop zei, wist ze dat ze nooit meer bij haar eigen volk zou gaan wonen.

Haar vader had niet aangedrongen, en ze kon aan zijn ogen zien dat hij haar onuitgesproken woorden had gehoord. Elfen worden van jaar tot jaar ouder, niet van dag tot dag zoals mensen. In de ogen van haar vader leek het echter of de tijd versnelde en ze voor zijn ogen veranderde. Zij op haar beurt had het gevoel dat ze hem door de zandlopervormige ogen van Raistlin zag, en die gedachte joeg haar angst aan.

Het nieuws dat ze hem bracht, had zijn verdriet en verbittering alleen maar aangewakkerd. Gilthanas was niet terug gekomen. Bovendien kon Laurana haar vader niet vertellen waar zijn geliefde zoon was, want de reis die hij en Silvara maakten was duister en levensgevaarlijk. Laurana kon haar vader alleen maar melden dat Gilthanas niet dood was.

Weet je waar hij is?’ vroeg de Spreker na een korte stilte.

‘Ja,’ antwoordde Laurana. ‘Of liever: ik weet waar hij naartoe gaat.’

‘En daar kun je niets over zeggen, zelfs niet tegen mij, zijn vader?’

Laurana schudde vastberaden haar hoofd. ‘Nee, Spreker. Vergeef me, maar toen het besluit werd genomen om tot deze wanhoopsdaad over te gaan, hebben we afgesproken dat degenen die ervan wisten er niets over zouden zeggen. Tegen niemand,’ benadrukte ze.

‘Dus je vertrouwt me niet…’

Laurana zuchtte. Haar blik ging naar de kapotte Wittesteen. ‘Vader,’ zei ze, ‘je hebt bijna een oorlog veroorzaakt... tegen de enigen die ons kunnen redden.’

Haar vader gaf geen antwoord, maar met zijn koele afscheid en de manier waarop hij op de arm van zijn oudste zoon leunde, maakte hij Laurana duidelijk dat hij wat hem betrof nog maaréén kind had.

Theros ging met de elfen mee. Na zijn theatrale presentatie van de drakenlans had de Raad van de Wittesteen unaniem besloten meer van dergelijke wapens te maken en alle rassen te verenigen in de strijd tegen het drakenleger.

‘Op het moment,’ verkondigde Theros, ‘hebben we alleen de paar lansen die ik zelf binnen een maand heb kunnen smeden, en ik heb bovendien verschillende oude lansen bij me die de zilveren draken hebben verstopt voordat alle draken van de wereld werden verbannen. Maar we zullen er nog meer moeten maken, veel meer. Ik heb mannen nodig die me kunnen helpen!’

De elfen beloofden mannen beschikbaar te stellen om te helpen bij het smeden van de drakenlansen, maar of ze daadwerkelijk ten strijde zouden trekken...

‘Dat is een vraagstuk dat we nader zullen moeten bespreken,’ zei de Spreker.

‘Ik zou er niet te lang over doen,’ snauwde Flint Smidsvuur, ‘want voor je het weet mag je het met een drakenheer bespreken.’

‘De elfen nemen zelf hun beslissingen en vragen geen advies van dwergen,’ antwoordde de Spreker kil. ‘En trouwens, we weten niet eens of die lansen wel werken. Volgens de legende dienden ze te worden gesmeed door een man met een zilveren arm, zoveel is zeker. Maar volgens dezelfde legende was daar bovendien de hamer van Kharas voor nodig. Waar is die hamer nu?’ vroeg hij aan Theros.

‘De hamer kon hier niet op tijd naartoe worden gebracht, als we hem al uit handen van het drakenleger hadden kunnen houden. In het verleden was de hamer van Kharas nodig omdat de mens nog niet vaardig genoeg was om de lansen te kunnen smeden. Ik ben wél vaardig genoeg,’ voegde Theros er trots aan toe. ‘U hebt gezien wat de lans met die steen heeft gedaan.’

‘We zullen zien wat hij met draken doet,’ zei de Spreker, en daarmee was de Tweede Raad van de Wittesteen bijna ten einde. Op het laatst stelde Gunthar voor om de lansen die Theros had meegenomen naar de ridders in Palanthas te sturen.

Die gedachten schoten door Laurana’s hoofd toen ze naar het kale, winterse landschap staarde. Nog even en het zou in de vallei gaan sneeuwen, had heer Gunthar gezegd.

Ik kan hier niet blijven, dacht Laurana met haar gezicht tegen het koude glas gedrukt. Dan word ik gek.

‘Ik heb Gunthars kaarten bestudeerd,’ prevelde ze, bijna bij zichzelf, ‘en ik heb gezien waar de drakenlegers zich bevinden. Tanis zal Sancrist nooit bereiken. En als hij de bol heeft, weet hij misschien niet hoe gevaarlijk die is. Ik moet hem waarschuwen.’

‘Lieve kind, dat is niet logisch,’ zei Elistan mild. ‘Als Tanis niet veilig in Sancrist kan komen, hoe wil jij hem dan bereiken? Denk goed na, Laurana...’

‘Ik wil helemaal niet goed nadenken!’ riep Laurana stampvoetend uit.

Ze keek de priester boos aan. ‘Ik ben het zat om altijd maar verstandig te zijn. Ik ben die hele oorlog beu. Ik heb mijn aandeel geleverd, meer dan dat zelfs. Nu wil ik alleen maar Tanis vinden!’

Bij het zien van het medeleven op Elistans gezicht slaakte Laurana een diepe zucht. ‘Het spijt me, lieve vriend. Ik weet dat het klopt wat je zegt,’ zei ze beschaamd. ‘Maar ik kan niet hier zitten niksen!’

Hoewel ze er niets over zei, was er nog iets waarover Laurana zich zorgen maakte. Die mensenvrouw, Kitiara. Waar was zij? Waren ze samen, zoals in haar droom? Nu pas besefte ze dat het beeld van Kitiara met Tanis’ arm om zich heen haar dieper raakte dan de beelden die ze had gezien van haar eigen dood.

Op dat moment kwam heer Gunthar opeens binnen.

‘O!’ zei hij geschrokken toen hij Elistan en Laurana zag. ‘Neem me niet kwalijk, ik hoop dat ik niet stoor...’

‘Nee hoor, kom binnen,’ zei Laurana snel.

‘Dank je,’ zei Gunthar. Hij keek snel of er op de gang niemand was die hen kon afluisteren voordat hij de deur sloot en bij hen kwam staan. ‘Eigenlijk komt dit goed uit, want ik wil jullie graag allebei spreken. Ik had Wils al op pad gestuurd om jullie te zoeken. Maar dit is beter. Niemand weet dat we dit gesprek hebben.’