Nog meer intriges, dacht Laurana vermoeid. De hele reis naar Gunthars kasteel had ze niets anders gehoord dan verhalen over het politieke gekrakeel dat de broederschap van de ridders dreigde te vernietigen.
Geschrokken en verontwaardigd over Gunthars verslag van Sturms Ridderoordeel had Laurana het ten overstaan van een ridderraad voor haar vriend opgenomen. Hoewel het ongehoord was dat er een vrouw bij een raadsbijeenkomst aanwezig was, waren de ridders onder de indruk van de levendige, beeldschone jonge elfenvrouw en haar betoog over Sturm. Het feit dat Laurana lid was van het koninklijk huis van de elfen en dat ze deel uitmaakte van het gezelschap dat de drakenlans was komen brengen, sprak ook voor haar.
Zelfs Dereks factie— het kleine deel dat er nog van over was, althans — kon niets verkeerds aan haar optreden ontdekken. Toch waren de ridders niet in staat gebleken een beslissing te nemen. De man die was aangewezen om de plaats van heer Alfred in te nemen, zat zo diep in Dereks tent — zoals het gezegde luidde — en heer Michael was zo besluiteloos geweest dat Gunthar gedwongen was een algemene stemming af te kondigen. De ridders eisten wat tijd om na te denken, en de vergadering was voorlopig beëindigd. Die middag waren de ridders echter weer bij elkaar gekomen. Kennelijk kwam Gunthar net uit die vergadering.
Aan Gunthars gezicht kon Laurana zien dat het goed was gegaan. Maar waarom dan dat gekonkel?
‘Heeft Sturm gratie gekregen?’ vroeg ze.
Grijnzend wreef Gunthar in zijn handen. ‘Geen gratie, lieve kind. Dat zou hebben geïmpliceerd dat hij ergens schuldig aan was. Nee, de aantijgingen zijn volledig ongegrond verklaard. Dat heb ik erdoor gedrukt. Gratie zou absoluut onvoldoende zijn geweest. Hij mag zich ridder noemen. Hij is nu ook officieel bevelhebber. En Derek zit diep in de nesten!’
‘Ik ben blij voor Sturm,’ zei Laurana koeltjes, terwijl ze een bezorgde blik wisselde met Elistan. Hoewel heer Gunthar haar tot nu toe wel aanstond, was ze in een koninklijk huis opgegroeid, waardoor ze wist dat Sturm als pion werd gebruikt.
Gunthar trok een ernstig gezicht toen hij de ijzige klank in haar stem hoorde. ‘Vrouwe Laurana,’ zei hij, op somberder toon nu, ‘ik weet dat je denkt dat ik Sturm als marionet gebruik. Laten we pijnlijk eerlijk zijn. De ridders zijn verdeeld in twee facties, die van Derek en die van mij. En we weten allebei wat er gebeurt met een boom die in tweeën wordt gesplitst: beide helften sterven uiteindelijk. De strijd tussen ons moet ten einde komen, anders zullen de gevolgen tragisch zijn. Nu vraag ik jullie, vrouwe Laurana en Elistan, want ik ben op jullie oordeel gaan vertrouwen. Jullie hebben mij ontmoet en jullie kennen heer Derek Kroonwacht. Wie zouden jullie kiezen als hoofd van de ridders?’
‘Jou natuurlijk, heer Gunthar,’ antwoordde Elistan eerlijk.
Laurana knikte. ‘Mee eens. Deze vete zal de ridders te gronde richten. Dat heb ik met eigen ogen gezien tijdens de raadsbijeenkomst. En afgaand op wat ik heb gehoord over wat er in Palanthas gebeurt, doet het ons doel daar ook geen goed. Maar het belang van mijn vriend komt voor mij op de eerste plaats.’
‘Dat begrijp ik, en ik ben blij dat je dat zegt,’ zei Gunthar goedkeurend, ‘want dat maakt het iets gemakkelijker om je een grote gunst te vragen.’ Gunthar pakte Laurana’s arm vast. ‘Ik wil graag dat jij naar Palanthas gaat.’
‘Wat? Waarom? Dat begrijp ik niet.’
‘Natuurlijk niet. Ik zal het je uitleggen. Ga toch zitten. Jij ook, Elistan. Ik zal wat wijn inschenken...’
‘Liever niet,’ zei Laurana, die bij het raam plaats nam.
‘Goed dan.’ Gunthar keek plechtig. Hij legde zijn hand op die van Laurana. ‘Wij weten hoe het gaat in de politiek, jij en ik. Daarom zal ik mijn kaarten open voor je op tafel leggen. Je reist zogenaamd naar Palanthas om de ridders te leren hoe ze de drakenlansen moeten gebruiken. Dat is een legitieme reden. Nu Theros weg is, zijn jij en de dwerg de enigen die weten hoe ze moeten worden gebruikt. En laten we eerlijk zijn: de dwerg is te klein om met een lans om te gaan.’
Gunthar kuchte. ‘Dus je gaat met de lansen naar Palanthas. Maar wat nog belangrijker is: je neemt een Akte van Vindicatie van de Raad mee, zodat Sturm ter plekke in ere kan worden hersteld. Dat zal de doodssteek zijn voor Dereks ambities. Zodra Sturm zijn wapenrusting aantrekt, zal iedereen weten dat ik de onvoorwaardelijke steun van de Raad heb. Het zou me niet verbazen als Derek bij zijn terugkomst zelf voor een Ridderoordeel moest verschijnen.’
‘Maar waarom ik?’ vroeg Laurana botweg. ‘Ik kan ieder ander— heer Michael, bijvoorbeeld — leren een drakenlans te gebruiken. Dan kan hij de wapens naar Palanthas brengen en de Akte aan Sturm overhandigen...’
‘Vrouwe...’ Heer Gunthar greep haar hand vast, trok haar dichter naar zich toe en zei op fluistertoon: ‘U begrijpt het nog steeds niet. Ik kan heer Michael niet vertrouwen! Ik kan... ik durf dit geen enkele ridder toe te vertrouwen. Derek is van zijn paard gestoten, zogezegd, maar hij heeft het toernooi nog niet verloren. Ik heb iemand nodig op wie ik blindelings kan rekenen. Iemand die weet hoe Derek is, en die Sturms belang vooropstelt.’
‘Ik stel inderdaad Sturms belang voorop,’ zei Laurana kil. ‘Ik vind hem belangrijker dan de ridders.’
‘Ah, maar je vergeet iets, vrouwe Laurana,’ zei Gunthar. Hij stond op, maakte een buiging en drukte een kus op haar hand. ‘Sturm vindt maaréén ding belangrijk: de broederschap van de ridders. Wat zou er met hem gebeuren als de ridders uiteenvallen, denk je? Wat zou er met hem gebeuren als Derek aan de macht kwam?’
Uiteindelijk stemde Laurana er natuurlijk mee in om naar Palanthas te gaan, zoals Gunthar vanaf het begin had geweten. Tot aan het moment van vertrek droomde ze bijna elke nacht dat Tanis op het eiland zou aankomen, slechts enkele uren nadat zij was weggegaan. Meer dan eens had ze bijna geweigerd te gaan, maar dan bedacht ze dat ze Tanis onder ogen zou moeten komen en hem zou moeten vertellen dat ze had geweigerd naar Sturm toe te gaan om hem te waarschuwen voor het gevaar waarin hij zich bevond. Die gedachte voorkwam dat ze terugkrabbelde. Dat en haar genegenheid jegens Sturm.
Tijdens die eenzame nachten, wanneer haar lichaam en haar hart hunkerden naar Tanis en ze voor zich zag hoe hij die mensenvrouw met de donkere krullen, de levendige bruine ogen en de charmante, scheve glimlach in zijn armen hield, werd ze welhaast gek van het tumult in haar ziel.
Haar vrienden konden haar nauwelijks troosten. Een van hen, Elistan, vertrok toen er een boodschap van de elfen kwam waarin de priester werd verzocht te komen en een afgezant van de ridders mee te nemen. Er was weinig tijd voor afscheid. Binnen een dag na de aankomst van de elfenbode begonnen Elistan en de zoon van heer Alfred, een gewichtige, ernstige jongeman die Douglas heette, aan hun reis naar Zuid-Ergoth. Laurana had zich nog nooit zo alleen gevoeld als toen ze haar mentor vaarwel zei.
Ook Tasselhof stond een droevig afscheid te wachten.
Te midden van de opwinding over de drakenlans had niemand meer aan die arme Gnosh gedacht, of aan zijn levensqueeste, die in duizend glanzende scherven op het gras lag. Alleen Fizban was het niet vergeten. De oude tovenaar, die dekking had gezocht op de grond voor de kapotte Wittesteen, stond op en liep naar de ontroostbare gnoom toe, die snikkend naar de uiteengespatte drakenbol stond te kijken.
‘Rustig maar, m’n jongen,’ zei Fizban. ‘Dit is niet het einde.’
‘O nee?’ vroeg Gnosh, zo verdrietig dat hij zowaar een zin afmaakte.
‘Nee, natuurlijk niet! Je moet dit gewoon vanuit het juiste perspectief bekijken. Je hebt nu immers de kans om een drakenbol van binnenuit te bestuderen!’
Gnosh’ ogen begonnen te stralen. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij na een korte stilte. ‘En sterker nog, ik denk dat ik het ding wel weer kan lijmen...’