Выбрать главу

‘Ja, ja,’ zei Fizban haastig, maar Gnosh ging gewoon verder, en in zijn opwinding begon hij steeds vlugger te praten.

‘We kunnen de stukjes markeren, zieje, endanopeenplattegrondaangevenwaardestukjeslagen, en...’

‘Inderdaad, inderdaad,’ mompelde Fizban.

‘Opzij, opzij,’ zei Gnosh gewichtig terwijl hij mensen bij de bol vandaan joeg. ‘Pas op waar u loopt, heer Gunthar, en ja, we gaan hem nu van binnenuit bestuderen, dus over een paar weken kunt u een rapport van me verwachten...’

Gnosh en Fizban zetten het gebied af en gingen aan het werk. De daaropvolgende twee dagen stond Fizban op de kapotte Wittesteen plattegronden te maken, zogenaamd om de exacte locatie van elk scherfje vast te leggen voordat het werd opgeraapt. (Een van Fizbans plattegronden kwam per ongeluk in de buidel van Tas terecht. De kender ontdekte later dat het in werkelijkheid een spelletje was dat ‘boter, kaas en eieren’ werd genoemd, en dat de magiër tegen zichzelf had gespeeld. Zo te zien had hij verloren.)

Ondertussen kroop Gnosh intens tevreden over het gras om genummerde stukjes perkament te plakken op piepkleine glasscherfjes. Uiteindelijk stopten hij en Fizban alle 2.687 stukjes van de drakenbol in een mand, die vervolgens naar de Laatmaarberg werd vervoerd.

Tasselhof mocht kiezen: hij kon bij Fizban blijven of samen met Laurana en Flint naar Palanthas afreizen. De keuze was eenvoudig. De kender wist dat twee onschuldige zielen als de elfenmaagd en de dwerg het nooit zouden redden zonder hem. Maar het viel hem zwaar om zijn oude vriend achter te laten. Twee dagen voordat het schip vertrok, ging hij nogéén keer op bezoek bij de gnomen en bij Fizban.

Na een nieuwe opwindende ervaring met een katapult, zocht hij Gnosh op in de Kamer van Onderzoek. De genummerde stukjes van de drakenbol lagen verspreid over twee tafels.

‘Ongelooflijkfascinerend,’ zei Gnosh zo snel dat hij ervan begon te stotteren, ‘want wehebbenhetglasgeanalyseerd, merkwaardigmateriaal, lijktopnietswatweooithebbengezien, grootsteontdekking vandezeeeuw...’

‘Dus je levensqueeste is vervuld?’ viel Tas hem in de rede. ‘De ziel van je vader...’

‘Rustinvrede!’ zei Gnosh stralend, waarna hij zich weer op zijn werk concentreerde.

‘Leukdatjeevenlangskomtenalsjeooitnogeensindebuurtbentkomdangerustopbezoek...’

‘Zal ik doen,’ zei Tas glimlachend.

Twee verdiepingen lager trof Tas Fizban aan. (Een fascinerend reisje: hij riep gewoon naar welke verdieping hij wilde en sprong vervolgens naar beneden. Overal klapten netten uit, gingen bellen af, galmden gongs en klonk gefluit. Uiteindelijk werd Taséén verdieping boven de grond opgevangen, juist op het moment dat de sponzen werden uitgestort.)

Fizban bevond zich op de afdeling Wapenontwikkeling, omringd door gnomen die hem allemaal vol ongegeneerde bewondering aanstaarden.

‘Ah, m’n jongen!’ zei hij terwijl hij afwezig in Tas’ richting tuurde. ‘Je bent net op tijd om te zien hoe ons nieuwe wapen wordt getest. Een revolutie op het gebied van oorlogsvoering. Het zal de drakenlansen overbodig maken.’

‘Echt waar?’ vroeg Tas opgewonden.

‘Dat is een feit!’ zei Fizban bevestigend. ‘Als jij nu eens hier gaat staan...’ Hij gebaarde naar een gnoom, die onmiddellijk gehoorzaam naar het midden van het rommelige vertrek rende, waar hij bleef staan.

Fizban raapte iets op wat er in de ogen van de verwarde kender uitzag als een kruisboog waarop een fanatieke visser zich had uitgeleefd. Het was inderdaad een kruisboog, maar in plaats van een pijl zat er een constructie in met aan het eind een haak waar een net aan bungelde. Mopperend en mompelend beval Fizban de gnomen achter hem te gaan staan en hem een beetje ruimte te geven.

‘Goed, jij bent de vijand,’ zei Fizban tegen de gnoom in het midden van het vertrek. Meteen zette de gnoom een woest, oorlogszuchtig gezicht op. De andere gnomen knikten goedkeurend.

Fizban richtte en vuurde. Het net zeilde door de lucht, bleef hangen aan de punt van de haak aan het eind van de kruisboog, en klapte als een zeil terug, om de tovenaar heen.

‘Die rothaak ook!’ mopperde Fizban.

Samen wisten de gnomen en Tas hem uit het net te bevrijden.

‘Nou, dan moeten we maar eens afscheid nemen,’ zei Tas terwijl hij langzaam zijn kleine hand uitstak.

‘O ja?’ Fizban keek verwonderd. ‘Ga ik dan ergens naartoe? Dat heeft niemand me verteld! Ik heb mijn spullen nog niet eens gepakt...’

‘Ik ga weg,’ zei Tas geduldig, ‘samen met Laurana. We gaan met de lansen... O, volgens mij mag ik dat helemaal niet doorvertellen,’ voegde hij er beschaamd aan toe.

‘Maak je geen zorgen, ik zeg niks,’ zei Fizban op een schorre fluistertoon die aan de andere kant van de drukke zaal nog duidelijk te verstaan was. ‘Je zult Palanthas prachtig vinden. Mooie stad. Doe de groeten aan Sturm. O, en Tasselhof...’ De oude magiër wierp hem een geslepen blik toe. ‘Je hebt het goed gedaan, m’n jongen!’

‘Ja?’ vroeg Tas hoopvol. ‘Daar ben ik blij om.’ Hij aarzelde even. ‘Ik vroeg me af... over wat je zei... dat donkere pad. Heb ik...’

Fizbans gezicht stond ernstig toen hij stevig een hand op Tas’ schouder legde. ‘Ik ben bang van wel. Maar jij hebt de moed om het te bewandelen.’

‘Dat hoop ik maar,’ zei Tas met een korte zucht. ‘Nou, tot ziens. Ik kom terug zodra de oorlog voorbij is.’

‘O, maar dan ben ik er waarschijnlijk niet meer,’ zei Fizban. Hij schudde zo heftig zijn hoofd dat zijn hoed afgleed. ‘Zodra het nieuwe wapen geperfectioneerd is, ga ik naar...’ Hij zweeg. ‘Waar moest ik nou ook alweer naartoe? Ik weet het even niet meer. Maar maak je geen zorgen. We zien elkaar nog wel eens. En deze keer laat je me tenminste niet onder een berg kippenveren achter!’ mompelde hij, zoekend naar zijn hoed.

Tas raapte hem op en gaf hem aan de oude man.

‘Dag,’ zei de kender met verstikte stem.

‘Dag, dag!’ Fizban zwaaide vrolijk. Toen wierp hij een gekwelde blik op de gnomen en trok Tas naar zich toe. ‘Eh... ik ben even vergeten... Hoe heet ik ook alweer?’

Iemand anders zei de oude tovenaar ook gedag, zij het onder ietwat andere omstandigheden.

Elistan ijsbeerde langs de kust van Sancrist, waar hij wachtte op het schip dat hem naar Zuid-Ergoth zou brengen. De jongeman, Douglas, liep met hem mee. De twee waren in een ernstig gesprek verwikkeld, waarin Elistan aan zijn enthousiaste, aandachtige luisteraar uitleg gaf over de oude goden.

Plotseling zag Elistan de oude, verwarde magiër die hij tijdens de Raadsbijeenkomst had gezien. Elistan probeerde al dagen een gelegenheid te vinden zich aan Fizban voor te stellen, maar die ontweek hem telkens. Daarom was Elistan verbijsterd te zien dat de oude man nu langs de kustlijn op hem afliep. Hij hield het hoofd gebogen en mompelde wat in zichzelf. Even dacht Elistan dat hij voorbij zou lopen zonder hen te zien, maar toen keek hij opeens op.

‘O, hallo daar! Hebben wij elkaar niet al eens gezien?’ vroeg hij knipperend met zijn ogen.

Even kon Elistan geen woord uitbrengen. Het gebruinde, verweerde gezicht van de priester werd lijkbleek. Toen hij eindelijk in staat was antwoord te geven, klonk zijn stem hees. ‘Jazeker, mijn heer. Dat besef ik nu pas. En hoewel we pas recentelijk aan elkaar zijn voorgesteld, heb ik het gevoel dat ik u al heel lang ken.’

‘O ja?’ De oude man trok een wantrouwig gezicht. ‘Dat is toch geen steek onder water over mijn leeftijd, hè?’

‘Zeer zeker niet!’ zei Elistan glimlachend.

Het gezicht van de oude man klaarde op. ‘Nou, een prettige reis dan. En een veilige reis. Vaarwel.’

Leunend op zijn kromme, versleten staf schuifelde de oude man verder. Een eindje verderop bleef hij echter staan en draaide hij zich om. ‘O, trouwens, Fizban is de naam.’

‘Dat zal ik onthouden,’ zei Elistan ernstig. Hij maakte een buiging. ‘Fizban.’

De oude man knikte tevreden en liep verder langs de kustlijn. Ook Elistan, die opeens heel stilletjes en bedachtzaam was, hervatte na een diepe zucht zijn wandeling.