Выбрать главу

8

De Perechon. Herinneringen aan lang vervlogen tijden.

‘Dit is gekkenwerk, ik hoop dat je dat beseft!’ siste Caramon.

‘Als we goed bij ons hoofd waren, zouden we hier niet zijn, ofwel soms?’ antwoordde Tanis met opeengeklemde kaken.

‘Nee,’ mompelde Caramon. ‘Daar heb je ook weer gelijk in.’

De twee mannen stonden in de schaduw van een donker steegje in een stad waar je gewoonlijk alleen ratten, dronkenlappen en lijken in steegjes aantrof.

Deze ellendige stad heette Zeedrift, een toepasselijke naam, want hij lag op de kust van de Bloedzee van Istar als het wrak van een schip dat op de klippen kapot was geslagen. Bovendien was Zeedrift, dat werd bevolkt door het uitschot van de meeste rassen op Krynn, tegenwoordig een bezette stad, waardoor het er ook nog eens wemelde van de draconen, kobolden en huursoldaten in alle soorten en maten. Die laatsten hadden zich tot de Drakenheren gewend vanwege de hoge soldij en de oorlogsbuit.

Aldus hadden de reisgenoten zich, ‘net als de rest van het uitschot’, zoals Raistlin opmerkte, door de golven van de oorlog laten meevoeren naar Zeedrift. Daar hoopten ze een schip te vinden dat hen langs de lange, verraderlijke route om het noordelijke deel van Ansalon heen naar Sancrist zou brengen, of waarheen dan ook.

Waar ze naartoe gingen was de laatste tijd, sinds Raistlin van zijn ziekte was hersteld om precies te zijn, een groot twistpunt. De reisgenoten hadden hem bezorgd in de gaten gehouden in de dagen nadat hij de drakenbol had gebruikt, al had hun bezorgdheid niet alleen met zijn gezondheid te maken. Wat was er gebeurd toen hij de bol had gebruikt? Wat voor ellende had hij mogelijk over hen afgeroepen?

‘Jullie hoeven niet bang te zijn,’ zei Raistlin met zijn fluisterstem. ‘Ik ben niet zo dom en zwak als de elfenkoning. Ik ben de bol de baas geworden. Niet andersom.’

‘Wat kun je er dan mee? Hoe kunnen we hem gebruiken?’ vroeg Tanis, geschrokken van het starre, metaalkleurige gezicht van de magiër.

‘Ik moest al mijn kracht aanwenden om de bol aan me te onderwerpen,’ antwoordde Raistlin met zijn blik op het plafond boven zijn bed gericht. ‘Er is nog heel veel studie voor nodig voordat ik weet hoe ik hem kan gebruiken.’

‘Studie...’ herhaalde Tanis. ‘Van de bol zelf?’

Raistlin wierp hem een vluchtige blik toe, maar staarde toen weer naar het plafond. ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Ik moet boeken bestuderen, geschreven door de oude magiërs die de bol hebben gecreëerd. We moeten naar Palanthas, naar de bibliotheek van ene Astinus, die daar woont.’

Tanis zweeg even. Hij hoorde het gereutel in de borst van de magiër toen die moeizaam inademde.

Wat zorgt ervoor dat hij zich aan dit leven vastklampt, vroeg Tanis zich in stilte af.

Die ochtend had het gesneeuwd, maar inmiddels was de sneeuw overgegaan in regen. Tanis hoorde het roffelen op het houten dak van de wagen. Dikke wolken trokken door de lucht. Misschien kwam het door de sombere dag, maar toen hij naar Raistlin keek, voelde Tanis dat een kilte zich door zijn lichaam verspreidde die zelfs zijn hart leek te bevriezen.

‘Doelde je daarop toen je over oude spreuken sprak?’ vroeg Tanis.

‘Natuurlijk. Waar zou ik anders op doelen?’ Raistlin zweeg, hoestte en vroeg toen: ‘Wanneer heb ik het gehad over... oude spreuken?’

‘Toen we je vonden,’ antwoordde Tanis. Hij hield de magiër scherp in de gaten, en het viel hem op dat hij zijn voorhoofd fronste en dat er spanning in zijn gebarsten stem doorklonk.

‘Wat heb ik precies gezegd?’

‘Niet veel,’ antwoordde Tanis op zijn hoede. ‘Alleen iets over oude spreuken en dat ze binnenkort van jou zouden zijn.’

‘Is dat alles?’

Tanis gaf niet direct antwoord. Raistlins vreemde, zandloperkleurige ogen boorden zich in de zijne. De halfelf huiverde en knikte. Raistlin draaide zijn hoofd weg. Zijn ogen vielen dicht. ‘Ik wil nu slapen,’ zei hij zachtjes. ‘Niet vergeten, Tanis. Palanthas.’

Tanis was gedwongen toe te geven dat hij om zuiver egoïstische redenen naar Sancrist wilde. Tegen beter weten in hoopte hij dat Laurana, Sturm en de anderen daar zouden zijn. Bovendien had hij beloofd de drakenbol daarnaartoe te brengen. Daartegenover stond echter Raistlins hardnekkige overtuiging dat ze eerst naar de bibliotheek van die Astinus moesten om erachter te komen hoe de bol kon worden gebruikt.

Hij was er nog steeds niet uit toen ze Zeedrift bereikten. Uiteindelijk besloot hij dat ze eerst maar eens een schip moesten regelen dat hen naar het noorden zou brengen, en dat ze later wel zouden besluiten waar die hen aan land moest brengen.

Toen ze echter Zeedrift bereikten, wachtte hun een nare verrassing. Er waren in die stad meer draconen dan ze tijdens de hele reis van Baliforhaven naar het noorden hadden gezien. Op straat krioelde het van de zwaarbewapende patrouilles die bijzonder veel belangstelling voor vreemdelingen aan de dag legden. Gelukkig hadden de reisgenoten hun wagen verkocht voordat ze de stad bereikten, waardoor ze konden opgaan in de massa. Maar ze waren nog geen vijf minuten binnen de stadsmuren toen ze zagen hoe een draconenpatrouüle een mens arresteerde ‘ter ondervraging’.

Daar schrokken ze van, dus reserveerden ze kamers in de eerste de beste herberg die ze tegenkwamen, een verwaarloosd etablissement aan de rand van de stad.

‘Hoe moeten we ooit een schip huren? Het wordt al moeilijk om de haven te bereiken,’ zei Caramon terwijl ze het zich gemakkelijk maakten in hun armoedige kamers. ‘Wat is er eigenlijk aan de hand?’

‘Volgens de herbergier is er een Drakenheer in de stad. De draconen zijn op zoek naar spionnen of zoiets,’ mompelde Tanis slecht op zijn gemak. De reisgenoten wisselden een blik.

‘Misschien zijn ze wel op zoek naar ons,’ zei Caramon.

‘Dat is belachelijk,’ antwoordde Tanis snel. Te snel. ‘We laten ons te makkelijk de stuipen op het lijf jagen. Hoe kan iemand weten dat we hier zijn? Of wat we bij ons hebben?’

‘Ik vraag me af...’ zei Waterwind met een grimmige blik op Raistlin.

De magiër beantwoordde koeltjes zijn blik, maar verwaardigde zich niet antwoord te geven. ‘Heet water voor mijn drankje,’ droeg hij Caramon op.

‘Ik kan maaréén manier bedenken,’ zei Tanis, terwijl Caramon zijn broer heet water bracht, zoals hem was bevolen. ‘Vanavond gaan Caramon en ik twee soldaten van het drakenleger overvallen en stelen we hun uniformen. Geen draconen,’ zei hij haastig toen Caramon vol afschuw fronste. ‘Menselijke huursoldaten. Dan kunnen we vrijelijk door Zeedrift rondlopen.’

Na een korte discussie werd besloten dat dit het enige plan was dat kans van slagen leek te hebben. Zonder veel eetlust nuttigden de reisgenoten de maaltijd. Ze bleven in hun kamers, want ze durfden het niet aan om in de gelagkamer te gaan zitten.

‘Red jij je wel?’ vroeg Caramon ongerust aan Raistlin toen ze alleen waren in de kamer die ze deelden.

‘Ik kan prima voor mezelf zorgen,’ antwoordde Raistlin. Hij stond op en had net een spreukenboek gepakt dat hij wilde bestuderen, toen een hoestaanval hem deed dubbelklappen.

Caramon stak zijn hand naar de magiër uit, maar die deinsde terug.

‘Wegwezen!’ zei hij, happend naar adem. ‘Laat me met rust!’

Caramon aarzelde even, maar slaakte toen een zucht. ‘Goed dan, Raist,’ zei hij. Hij verliet de kamer en deed de deur zachtjes achter zich dicht.

Raistlin bleef even staan terwijl hij probeerde op adem te komen. Toen liep hij langzaam de kamer door en legde het spreukenboek weg. Met bevende hand pakte hij een van de vele zakken die Caramon op de tafel naast zijn bed had neergelegd. Hij maakte het open en haalde er voorzichtig de drakenbol uit.

Samen met Tanis, die zijn kap ver over zijn gezicht en oren had getrokken, liep Caramon door de straten van Zeedrift, op zoek naar twee soldaten wier uniformen hun wellicht zouden passen. Voor Tanis was dat relatief gemakkelijk, maar het viel nog niet mee om een soldaat te vinden met een wapenrusting die een reus als Caramon aan zou kunnen.