Выбрать главу

Ze wisten allebei dat ze maar beter konden opschieten. Meer dan eens werden ze wantrouwig opgenomen door draconen. Twee draconen hielden hen zelfs aan en vroegen op ruwe toon wat ze in Zeedrift deden. Caramon antwoordde in het simpele dialect van de huursoldaten dat ze zich bij het leger van de Drakenheer wilden aansluiten, waarop de draconen hen lieten gaan. Maar beide mannen wisten dat het een kwestie van tijd was voordat een patrouille hen arresteerde.

‘Ik vraag me af wat er gaande is,’ mompelde Tanis bezorgd.

‘Misschien krijgen de Drakenheren het moeilijker met de oorlog,’ antwoordde Caramon. ‘Kijk, Tanis, daar. Ze lopen net die taveerne binnen...’

‘Ik zie ze. Ja, die is wel ongeveer zo groot als jij. Duik dat steegje maar in. We wachten tot ze naar buiten komen, en dan...’ De halfelf deed alsof hij iemand de nek omdraaide. Caramon knikte. Getweeën glipten ze door de smerige straten en verdwenen in het steegje, van waaruit ze een oogje konden houden op de voordeur van de taveerne.

Het was bijna middernacht. Die nacht zouden de manen niet te zien zijn. De regen was opgehouden, maar het was nog altijd zwaarbewolkt. Op hun hurken in het steegje begonnen de twee mannen al snel te rillen, ondanks hun dikke mantels. Ratten schoten in het donker over hun voeten en deden hen ineenkrimpen. Een dronken kobold nam een verkeerde afslag, strompelde langs hen heen en viel languit op een stapel afval. De kobold stond niet meer op en Tanis en Caramon werden bijna misselijk van de stank, maar ze durfden hun uitkijkpost niet te verlaten.

Toen hoorden ze welkome geluiden: dronken gelach en de stemmen van mensen die Gemeenschaps spraken. De twee soldaten op wie ze hadden gewacht kwamen wankel de taveerne uit en strompelden op hen af.

Op de stoep stond een hoge ijzeren stoof die voor wat licht zorgde. De huursoldaten liepen de lichtkring binnen, zodat Tanis hen eens goed kon bekijken. Beiden waren officiers in het drakenleger, zag hij. Pas bevorderd, vermoedde hij, en dat was mogelijk ook de aanleiding voor hun feestje. Hun wapenrusting was blinkend nieuw, relatief schoon, onbeschadigd en nog van goede kwaliteit ook, merkte hij tot zijn tevredenheid op. Het harnas was van blauw staal gemaakt, en op dezelfde manier vormgegeven als de wapenrusting van drakenschubben die de Drakenheren droegen.

‘Klaar?’ fluisterde Caramon. Tanis knikte.

Caramon trok zijn zwaard. ‘Elfentuig!’ brulde hij met zijn diepe basstem. ‘Ik heb je op heterdaad betrapt, en nu ga je met me mee naar de Drakenheer, spion!’

‘Over mijn lijk!’ Ook Tanis trok zijn zwaard.

Zodra ze de stemmen hoorden, bleven de officiers op onvaste voeten staan en tuurden knipperend met hun ogen het steegje in.

Met groeiende belangstelling keek het tweetal toe hoe Caramon en Tanis een paar keer naar elkaar uitvielen, zodat ze ongemerkt positie konden kiezen. Toen Caramon met zijn rug naar de officiers toe stond en Tanis tegenover hem, viel de halfelf plotseling aan. Hij ontwapende Caramon, en het zwaard van de krijger vloog door de lucht.

‘Snel! Help me hem gevangen te nemen!’ brulde Caramon. ‘Er staat een beloning op zijn hoofd, dood of levend!’

De officiers aarzelden geen moment. Dronken tastten ze naar hun wapens terwijl ze op Tanis afliepen. Het wrede plezier straalde van hun gezichten.

‘Goed zo! Pak ‘m!’ spoorde Caramon hen aan. Zodra ze hem waren gepasseerd en het zwaard hieven, legde Caramon zijn enorme handen om hun nek en sloeg hen met de hoofden tegen elkaar. Slap vielen ze op de grond.

‘Opschieten!’ gromde Tanis. Hij sleepte een van de soldaten bij zijn voeten uit het licht. Caramon ontfermde zich over de ander. Snel begonnen ze de wapenrusting los te maken.

‘Bah! Deze is volgens mij half trol,’ zei Caramon. Met zijn hand probeerde hij de smerige lucht weg te wapperen.

‘Hou op met klagen!’ snauwde Tanis terwijl hij wijs probeerde te worden uit het ingewikkelde systeem van riemen en gespen. ‘Jij bent tenminste gewend om die rommel te dragen. Help me even een handje, wil je?’

‘Tuurlijk.’ Grijnzend hielp Caramon Tanis bij het omgespen van de wapenrusting. ‘Een elf in harnas. Waar moet het naartoe met deze wereld?’

‘Het zijn trieste tijden,’ mompelde Tanis. ‘Wanneer moesten we ook alweer naar die scheepskapitein over wie Willem je heeft verteld?’

‘Hij zei dat we haar rond de dageraad aan boord zouden aantreffen.’

‘De naam is Maquesta Kar-thon,’ zei de vrouw met een afstandelijk, zakelijk gezicht. ‘En... laat me raden. Jullie zijn geen officiers van het drakenleger. Tenzij ze tegenwoordig ook elfen aannemen.’

Tanis bloosde en zette langzaam de officiershelm af. ‘Is het zo duidelijk?’

De vrouw haalde haar schouder op. ‘Voor anderen waarschijnlijk niet. De baard is een erg goede vermomming. Ik kan je natuurlijk beter een halfelf noemen. En de helm verbergt je oren. Maar tenzij je een masker voordoet, zullen die mooie, amandelvormige ogen van je je altijd verraden. Maar ach, er zijn maar weinig draconen die je snel in je mooie ogen zullen kijken, of wel soms?’ Achterovergeleund in haar stoel legde ze een gelaarsde voet op tafel en keek hem koeltjes aan.

Tanis hoorde Caramon grinniken en voelde zijn oren rood worden.

Ze waren aan boord van de Perechon, in de kapiteinshut, tegenover de kapitein in hoogst eigen persoon. Maquesta Kar-thon behoorde tot het donkere ras dat in Noord-Ergoth woonde. Haar volk bevoer al generaties lang de wereldzeeën, en velen geloofden dat ze de taal van zeevogels en dolfijnen spraken. Tanis moest denken aan Theros IJzerfeld wanneer hij naar Maquesta keek. De huid van de vrouw was glanzend zwart, haar haren waren kroezig en ze droeg een gouden band om haar voorhoofd. Haar ogen waren net zo bruin en glanzend als haar huid. Zowel aan haar riem als in haar ogen glinsterde echter staal.

‘We hebben zaken met je te bespreken, kapitein Maque...’ Tanis struikelde over de vreemde naam.

‘Uiteraard,’ zei de vrouw. ‘En noem me maar Maq. Dat is voor ons allebei gemakkelijker. Het is maar goed dat jullie die brief van Willem de Varkenssnuit hebben, anders had ik niet eens met jullie gepraat. Maar hij zegt dat jullie te vertrouwen zijn en goed betalen, dus ik ben bereid te luisteren. Waar willen jullie naartoe?’

Tanis wisselde een blik met Caramon. Dat was de vraag. En trouwens, hij wist niet of hij hun twee mogelijke bestemmingen wel wilde noemen. Palanthas was de hoofdstad van Solamnië, en iedereen wist dat er ridders op Sancrist woonden.

‘O, bij alle...’ snauwde Maq toen ze hun aarzeling zag. Haar ogen spoten vuur. Ze haalde haar voet van tafel en keek hen grimmig aan. ‘Of je vertrouwt me helemaal, of je vertrouwt me niet.’

‘Kunnen we je dan vertrouwen?’ vroeg Tanis botweg.

Maq trok haar wenkbrauwen op. ‘Hoeveel geld heb je?’

‘Genoeg,’ zei Tanis. ‘Laten we het erop houden dat we naar het noorden willen, om de Kaap van Nordmaar heen. Als we het op dat moment nog altijd met elkaar kunnen vinden, gaan we verder. Zo niet, dan betalen we je wat je toekomt en zet je ons in een veilige haven af.’

‘Kalaman,’ zei Maq, die weer achteroverleunde. Ze leek geamuseerd. ‘Dat is een veilige haven. Voor zover er nog veilige havens zijn tegenwoordig. De helft van het geld nu. De andere helft in Kalaman. Een eventuele voortzetting van de reis is bespreekbaar.’

‘Als we veilig in Kalaman aankomen,’ zei Tanis.

‘Wie kan dat beloven?’ Maq haalde haar schouders op. ‘Het is een moeilijke tijd van het jaar om over zee te reizen.’ Ze stond op en rekte zich loom als een kat uit. Caramon kwam snel overeind en nam haar bewonderend op.

‘Afgesproken,’ zei ze. ‘Kom mee, dan laat ik jullie het schip zien.’

Maq ging hun voor naar het dek. Voor zover Tanis, die niets van schepen wist, kon beoordelen, was dit schip keurig verzorgd en onderhouden. De kapitein had zich koeltjes opgesteld tijdens hun aanvankelijke gesprek, maar nu ze hen rondleidde op haar schip, leek ze warm te lopen. Als Maq over haar schip praatte, trok ze hetzelfde gezicht en sprak ze met dezelfde warmte als Tika wanneer ze het over Caramon had. De Perechon was duidelijk Maqs enige liefde.