Het schip was leeg en stil. Haar bemanning was samen met de boots aan wal, legde Maq uit. De enige andere persoon die Tanis aan boord zag was een man die in zijn eentje een zeil zat te repareren. Hij keek op toen ze langskwamen, en Tanis zag zijn ogen groot worden van schrik bij het zien van hun wapenrusting.
‘Nocesta, Berem,’ zei Maq sussend tegen hem terwijl ze langsliepen. Ze maakte een hakgebaar met haar hand en wees naar Tanis en Caramon. ‘Nocesta. Klanten. Geld.’
De man knikte en ging weer aan het werk.
‘Wie is hij?’ vroeg Tanis zachtjes aan Maq toen ze terugliepen naar haar hut om hun zaken af te ronden.
‘Wie? Berem?’ vroeg ze met een blik achterom. ‘Dat is de stuurman. Ik weet niet veel over hem. Een paar maanden geleden kwam hij hier, op zoek naar werk. Ik heb hem aangenomen als dekzwabberaar. Vervolgens werd mijn stuurman gedood tijdens een schermutseling met... nou ja, dat doet er niet toe. Maar die kerel bleek een uitstekende stuur man te zijn, veel beter zelfs dan de vorige. Maar het is een beetje een rare. Hij is stom. Zegt nooit een woord. Gaat nooit aan wal als hij het kan voorkomen. Hij heeft zijn naam voor me in het scheepsboek geschreven, anders had ik niet eens geweten hoe hij heette. Hoezo?’ voegde ze eraan toe toen ze zag hoe ingespannen Tanis de man opnam.
Berem was lang en goedgebouwd. Op het eerste gezicht zou je denken dat hij van middelbare leeftijd was, naar de maatstaven van de mensen. Zijn haar was grijs. Zijn gladgeschoren gezicht was gebruind en verweerd door het leven op een schip. Maar zijn ogen waren jeugdig, helder en scherp. De handen die de naald en het zeil vasthielden waren glad en sterk, de handen van een jongeman. Elfenbloed wellicht, dacht Tanis, maar als dat zo was, bleek dat niet uit zijn gelaatstrekken.
‘Ik heb hem al eens eerder gezien,’ prevelde Tanis. ‘En jij, Caramon? Herken jij hem?’
‘Ah, toe nou,’ zei de grote krijger. ‘We hebben de afgelopen maand honderden mensen gezien, Tanis. Waarschijnlijk heeft hij tijdens een van onze voorstellingen in het publiek gezeten.’
‘Nee.’ Tanis schudde zijn hoofd. ‘Toen ik hem net zag, moest ik denken aan Pax Tharkas en Sturm...’
‘Hé, ik heb nog genoeg te doen, halfelf,’ zei Maquesta. ‘Kom je nog of blijf je staan gapen naar een kerel die een zeil zit te repareren?’
Ze klom door het luik naar beneden. Caramon kwam onhandig achter haar aan, met rammelende wapenrusting. Met tegenzin volgde Tanis hen. Hij draaide zich echter nogéén keer naar de man om, en zag dat die hem met een merkwaardige, indringende blik zat aan te kijken.
‘Goed, ga maar met de anderen terug naar de herberg. Ik zal de voorraden kopen. Zodra het schip klaar is, varen we uit. Maquesta zegt over een dag of vier.’
‘Ik wou dat het eerder kon,’ mompelde Caramon.
‘Ik ook,’ zei Tanis grimmig. ‘Er zijn hier verdomme veel te veel draconen. Maar we moeten op het juiste tij wachten of zoiets. Ga terug naar de herberg en zorg dat iedereen binnen blijft. Zeg tegen je broer dat hij een flinke voorraad moet inslaan van dat kruidenspul dat hij drinkt, want we zullen een hele tijd op zee zijn. Ik ben over een paar uur terug, zodra ik voorraden heb ingeslagen.’
Tanis liep over de drukke straten van Zeedrift, waar dankzij zijn wapenrusting van het drakenleger niemand hem een blik waardig keurde. Hij zou blij zijn als hij hem uit kon trekken. Het harnas was zwaar, het zat te warm en zijn hele lichaam jeukte. En hij vergat vaak terug te salueren naar draconen en kobolden. Het viel hem op dat zijn uniform veel respect afdwong, waardoor hij begon te beseffen dat de mensen van wie ze de uniformen hadden gestolen een hoge rang moesten hebben bekleed. Dat was geen troostende gedachte. Het kon elk moment gebeuren dat iemand zijn uniform herkende.
Toch kon hij het ook niet missen. Er waren vandaag meer draconen op straat dan ooit tevoren. De spanning in Zeedrift was om te snijden. De meeste inwoners bleven thuis, en de meeste winkels waren gesloten, met uitzondering van de taveernes. Het was zo erg dat Tanis zich begon af te vragen hoe hij aan voorraden voor de lange zeereis moest komen.
Over dat probleem stond Tanis te piekeren terwijl hij naar de etalage van een gesloten winkel keek, toen er opeens een hand om zijn laars werd geslagen en hij op de grond werd getrokken.
De lucht werd door de val uit zijn longen gedreven. Hij stootte zijn hoofd hard aan de kasseien, en heel even werd het hem zwart voor de ogen van de pijn. Instinctief trapte hij naar degene die hem vasthield, maar de handen om zijn enkels waren sterk. Hij voelde dat hij een donker steegje in werd gesleept.
Schuddend met zijn hoofd om het weer helder te maken, tuurde hij ingespannen naar zijn belager. Het was een elf. Zijn kleren waren smerig en gerafeld en zijn trekken verwrongen van verdriet en haat, maar degene die met een speer in zijn hand dreigend boven hem uittorende, was een elf.
‘Drakenman!’ grauwde de elf in het Gemeenschaps. ‘Jij en je smerige metgezellen hebben mijn gezin uitgemoord, mijn vrouw en mijn kinderen! Vermoord in hun bed, zonder dat er iemand luisterde naar hun smeekbedes. Dit is voor hen!’ De elf hief zijn speer.
‘Shak! It mo dracosali!’riep Tanis wanhopig in het elfs terwijl hij uit alle macht probeerde zijn helm van zijn hoofd te trekken. Maar de elf, krankzinnig van verdriet, hoorde of begreep hem niet. Zijn speer kwam neer. Opeens werden de ogen van de elf groot en star van schrik. De speer viel uit zijn krachteloze hand toen hij van achteren door een zwaard werd doorboord. De stervende elf viel met een hoge kreet en een doffe klap op het plaveisel.
Verbijsterd keek Tanis op naar degene die zijn leven had gered. Achter het lichaam van de elf stond een Drakenheer.
‘Ik hoorde je roepen en zag dat een van mijn officiers in de problemen was. Ik dacht dat je wel wat hulp kon gebruiken,’ zei de Drakenheer, die een gehandschoende hand uitstak om Tanis overeind te helpen.
Verward, duizelig van de pijn en wetend dat hij zichzelf niet mocht verraden, wat hij ook deed, pakte Tanis de hand van de Drakenheer vast en hees zichzelf overeind. Dankbaar dat het in het steegje zo donker was hield hij zijn hoofd gebogen terwijl hij met ruwe stem zijn dank uitsprak. Toen zag hij de ogen van de Drakenheer achter het masker groot worden.
‘Tanis?’
De halfelf voelde een rilling door zijn lichaam gaan, en een scherpe pijn alsof hij alsnog door de speer van de elf werd doorboord. Hij kon geen woord uitbrengen, kon alleen maar staren terwijl de Drakenheer snel het blauw met gouden drakenmasker afzette.
‘Tanis! Je bent het echt!’ riep de Drakenheer uit, en greep Tanis bij de armen. Tanis zag bruine ogen en een scheve, charmante glimlach.
‘Kitiara...’
9
Tanis gevangen.
Wel wel, Tanis! Officier, in mijn eigen leger nog wel. Ik moet mijn troepen maar eens wat vaker gaan inspecteren!’ Lachend haakte Kitiara haar arm om de zijne. ‘Je beeft als een rietje. Je bent lelijk gevallen. Kom mee. Mijn vertrekken zijn hier niet ver vandaan. Daar kunnen we wat drinken, die wond verbinden en dan... praten.’
Verdwaasd, maar niet door zijn hoofdwond, liet Tanis zich door Kitiara het steegje uit en de straat op voeren. Er was te veel in een te hoog tempo gebeurd. Het ene moment was hij nog bezig geweest met voorraden in te slaan en nu liep hij arm in arm met een Drakenheer die niet alleen zojuist zijn leven had gered, maar bovendien de vrouw was van wie hij al jaren hield. Hij kon zijn blik niet van haar losrukken, en Kitiara, die voelde dat hij naar haar keek, beantwoordde zijn blik van onder haar lange, gitzwarte wimpers.
Tanis betrapte zichzelf op de gedachte dat de glanzende, nachtblauwe, geschubde wapenrusting van een Drakenheer haar uitstekend stond. Het sloot strak aan om haar lichaam, waardoor het haar lange, fraaie benen benadrukte.
Draconen zwermden om hen heen, hopend op in elk geval een kort knikje van de Drakenheer. Maar Kitiara negeerde hen en babbelde op luchtige toon met Tanis, alsof er slechts een middag was verstreken sinds ze ieder hun eigen weg waren gegaan, in plaats van vijf jaar. Hij kon haar woorden niet bevatten, want zijn brein was nog bezig dit te verwerken. Ondertussen reageerde zijn lichaam als vanouds op haar nabijheid.