Выбрать главу

Door het masker waren haar krullen een beetje vochtig geworden, en ze kleefden aan haar gezicht en voorhoofd. Nonchalant haalde ze een gehandschoende hand door haar haren en schudde het los. Dat was een oude gewoonte van haar, een klein gebaar dat allerlei herinneringen opriep...

Tanis schudde zijn hoofd in een uiterste poging zijn ondersteboven gekeerde wereld weer met de goede kant naar boven te krijgen, en te luisteren naar wat Kitiara zei. Het leven van zijn vrienden hing af van wat hij nu deed.

‘Het is warm onder die drakenhelm,’ zei ze net. ‘Ik heb dat afschuwelijke ding niet nodig om mijn mannen in het gareel te houden. Ofwel soms?’ vroeg ze met een knipoog.

‘N-nee,’ stamelde Tanis, die voelde dat hij bloosde.

‘Je bent geen spat veranderd, Tanis,’ prevelde ze terwijl ze zich tegen hem aan drukte. ‘Je bloost nog steeds als een schooljongetje. Maar je bent nooit geweest zoals de anderen, nooit...’ voegde ze er zachtjes aan toe. Ze sloeg haar armen om hem heen, sloot haar ogen en liet haar vochtige lippen langs de zijne strijken...

‘Kit...’ zei Tanis verstikt terwijl hij zich losrukte uit haar omhelzing. ‘Niet hier! Niet midden op straat,’ voegde hij er zwakjes aan toe.

Even keek Kit hem boos aan, maar toen liet ze hem los en haakte schouderophalend haar arm weer om die van hem. Samen liepen ze verder over straat, terwijl de draconen vuig grijnsden en grapjes maakten.

‘Je bent geen spat veranderd,’ zei ze opnieuw, deze keer met een zacht, speels zuchtje. ‘Ik snap niet waarom ik het nog van je pik. Iedere andere man die me op die manier afwees, zou ik aan mijn zwaard hebben geregen. Ah, we zijn er.’

Ze liep de beste herberg van Zeedrift binnen, de Zoutbries. De herberg was hoog op een klif gebouwd die uitkeek over de Bloedzee van Istar, waarvan de golven braken op de rotsen in de diepte. De herbergier kwam haastig op hen af.

‘Is mijn kamer in gereedheid gebracht?’ vroeg Kit koeltjes.

‘Jazeker, Drakenheer,’ zei de herbergier, die aanéén stuk door buigingen maakte. Terwijl ze de trap opliepen, rende de herbergier voor hen uit om te controleren of alles in orde was.

Kit blikte om zich heen. Kennelijk was ze tevreden, want ze smeet nonchalant de drakenhelm op een tafel en trok haar handschoenen uit. Ze ging op een stoel zitten en stak in een doelbewust sensueel en ongeremd gebaar haar been naar Tanis uit.

‘Mijn laarzen,’ zei ze glimlachend.

Tanis slikte moeizaam en beantwoordde zwakjes haar glimlach terwijl hij haar been vastpakte. Dit was een oud spelletje van hen, dat hij haar laarzen uittrok. Dat had altijd geleid tot... Daar probeerde Tanis maar niet aan te denken.

‘Breng ons een fles van je beste wijn,’ zei Kitiara tegen de gedienstige herbergier, ‘en twee glazen.’ Met haar bruine ogen op Tanis gericht stak ze haar andere been uit. ‘En laat ons dan met rust.’

‘Maar.... mijn heer...’ zei de herbergier aarzelend, ‘er zijn boodschappen gekomen van Drakenheer Ariakas.

‘Als je je gezicht nog eens laat zien nadat je ons de wijn hebt gebracht, snijd ik je oren van je hoofd,’ zei Kitiara. Ze klonk vriendelijk, maar haalde tegelijkertijd een glanzende dolk uit haar riem.

De herbergier werd lijkbleek, knikte en vertrok haastig.

Kit lachte. ‘Zo!’ zei ze. Ze wiebelde met haar in een blauwe maillot gestoken tenen. ‘Nu zal ik jouw laarzen uittrekken.’

‘Ik... ik moet echt gaan,’ zei Tanis. Onder zijn wapenrusting brak het zweet hem uit. ‘De c-commandant van mijn compagnie zal zich afvragen waar ik ben...’

‘Maar ik ben de commandant van je compagnie,’ zei Kit vrolijk. ‘En morgen ben jij de commandant van je compagnie. Of je krijgt een nog hogere functie, als je wilt. Ga zitten.’

Tanis kon niets anders doen dan gehoorzamen. Diep in zijn hart wist hij echter ook dat hij niets liever wilde dan doen wat ze zei.

‘Wat heerlijk om je weer te zien,’ zei Kit. Ze knielde voor hem neer en trok aan zijn laars. ‘Het spijt me dat ik de reünie in Soelaas heb gemist. Hoe is het met iedereen? Met Sturm bijvoorbeeld? Die is vast samen met de ridders ten strijde getrokken. Het verbaast me niet dat jullie niet meer bij elkaar zijn. Van die vriendschap heb ik nooit iets begrepen...’

Kitiara praatte door, maar Tanis luisterde niet meer. Hij kon alleen maar naar haar staren. Hij was vergeten hoe mooi ze was, hoe sensueel en uitnodigend. Wanhopig probeerde hij zich op het gevaar te concentreren, maar het enige waaraan hij kon denken waren de zalige nachten die hij met Kitiara had doorgebracht.

Op dat moment keek Kit hem recht in de ogen. Getroffen en gebiologeerd door de hartstocht die ze daar zag, liet ze zijn laars uit haar handen vallen. In een reflex trok Tanis haar naar zich toe. Kitiara legde haar hand in zijn nek en drukte haar lippen op de zijne.

Zodra ze hem aanraakte, raasden de verlangens en hunkeringen die hem vijf jaar lang hadden gekweld door zijn lijf. Haar geur was warm en vrouwelijk, vermengd met die van leer en staal. Haar kus was vurig. De pijn was ondraaglijk. Hij wist maaréén manier om daar een eind aan te maken.

Toen de herbergier aanklopte, kreeg hij geen reactie. Bewonderend schudde hij zijn hoofd — dit was al de derde man in even zoveel dagen — voordat hij de wijn op de grond zette en wegging.

‘Zeg,’ prevelde Kitiara, die slaperig in Tanis’ armen lag, ‘vertel me eens iets over mijn broertjes. Zijn ze nog bij je? De laatste keer dat ik jullie zag, vluchtten jullie met die elfenvrouw weg uit Tarsis.’

‘Was jij dat?’ vroeg Tanis verbijsterd, denkend aan de blauwe draken.

‘Natuurlijk!’ Kit kroop dichter tegen hem aan. ‘Ik vind die baard mooi,’ zei ze. Ze streelde zijn gezicht. ‘Hij verbergt die zwakke elfentrekken van je. Hoe ben je in het leger verzeild geraakt?’

Ja, hoe eigenlijk, dacht Tanis paniekerig.

‘We... we zijn in Silvanesti gevangen genomen. Een van de officiers heeft me ervan weten te overtuigen dat het oerstom van me was om tegen de D-Duistere Koningin te strijden.’

‘En mijn broertjes?’

‘We... we zijn elkaar kwijtgeraakt,’ antwoordde Tanis zwakjes.

‘Jammer,’ verzuchtte Kit. ‘Ik zou ze graag willen zien. Caramon zal onderhand wel zo groot zijn als een reus. En Raistlin... Ik heb gehoord dat hij inmiddels een zeer vaardig magiër is. Draagt hij nog steeds de Rode Mantel?’

‘D-dat zal wel,’ mompelde Tanis. ‘Ik heb hem al een tijdje niet meer gezien...’

‘Dat zal niet lang meer duren,’ zei Kit zelfvoldaan. ‘Hij lijkt op mij. Raist heeft altijd gehunkerd naar macht...’

‘En jij dan?’ viel Tanis haar snel in de rede. ‘Wat doe jij zo ver van waar het allemaal gebeurt? De oorlog woedt in het noorden...’

‘Ik ben hier om dezelfde reden als jij, natuurlijk,’ antwoordde Kit. Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Om de man met de groene edelsteen te zoeken.’

‘Daar ken ik hem van!’ zei Tanis. Nu kwam de herinnering opeens terug. De man op de Perechon!De man die in Pax Tharkas samen met die arme Eben had geprobeerd te ontsnappen. De man met de groene edelsteen in zijn borst.

‘Je hebt hem gevonden!’ zei Kitiara. Ze ging gretig rechtop zitten. ‘Waar, Tanis? Waar?’ Haar bruine ogen glinsterden.

‘Ik weet het niet zeker, hoor,’ zei Tanis stamelend. ‘Ik weet niet zeker of hij het was. Ik... We hebben maar een heel vage beschrijving gekregen...’

‘Hij lijkt ongeveer vijftig, in mensenjaren,’ zei Kit opgewonden, ‘maar hij heeft vreemde, jonge ogen, en zijn handen zijn ook jong. En in zijn borst zit een groene edelsteen ingebed. We hebben vernomen dat hij in Zeedrift was gesignaleerd. Daarom heeft de Duistere Koningin me hiernaartoe gestuurd. Hij is de sleutel tot alles, Tanis! Als je hem vindt, kan geen macht op Krynn ons nog tegenhouden!’