Выбрать главу

‘Hoezo?’ dwong Tanis zichzelf kalm te vragen. ‘Wat is er zo belangrijk aan hem dat... eh... ons kamp hem nodig heeft om te winnen?’

‘Wie zal het zeggen?’ Kit haalde haar slanke schouders op en vlijde zich weer neer in Tanis’ armen. ‘Je rilt. Kom, ik weet wel een manier om je op te warmen.’ Ze kuste zijn hals en liet haar handen over zijn lichaam glijden. ‘Het enige wat we te horen hebben gekregen is dat we, als we inéén keer een eind aan deze oorlog willen maken, het beste die man kunnen vinden.’

Tanis slikte toen hij zijn lichaam voelde reageren op haar aanraking.

‘Stel je eens voor,’ fluisterde Kit in zijn oor, zodat haar warme, vochtige adem langs zijn huid streek. ‘Als wij hem zouden vinden, jij en ik, zou heel Krynn aan onze voeten liggen. Dan zou de Duistere Koningin ons belonen op een manier die onze stoutste dromen zou overtreffen! Jij en ik, voor altijd samen, Tanis. Laten we nu gaan!’

Haar woorden galmden na in zijn hoofd. Zij samen, voor altijd. Een eind aan deze oorlog. Heersen over Krynn. Nee, dacht hij. Zijn keel kneep samen. Dit is krankzinnig! Te gek voor woorden! Mijn volk, mijn vrienden... Aan de andere kant, heb ik niet genoeg gedaan? Wat ben ik ze verschuldigd, de mensen en de elfen? Niets! Zij hebben mij gekwetst en bespot. Al die jaren dat ik al een verschoppeling ben... Waarom zou ik nog aan hen denken? Het wordt tijd dat ik een keer aan mezelf denk! Dit is de vrouw van wie ik al jaren droom. En ze kan van mij zijn. Kitiara... zo mooi, zo begeerlijk...

‘Nee,’ zei Tanis fel. ‘Nee,’ herhaalde hij vriendelijker. Hij trok haar weer tegen zich aan. ‘Morgen is vroeg genoeg. Als hij het is, gaat hij nergens naartoe. Dat weet ik zeker...’

Kitiara glimlachte en ging met een zucht weer liggen. Tanis boog over haar heen voor een hartstochtelijke kus. Ver weg hoorde hij de golven van de Bloedzee van Istar breken op de kust.

10

De Toren van de Hogepriester. De ridderslag.

Tegen de ochtend was de storm boven Solamnië gaan liggen. De zon kwam op, een bleekgouden schijf die niets verwarmde. De ridders die op de Toren van de Hogepriester op wacht stonden, gingen dankbaar naar bed, pratend over de vreemde dingen die ze tijdens die verschrikkelijke nacht hadden gezien, want een dergelijke storm had Solamnië niet meer gekend sinds vlak na de Catastrofe. Degenen die de wacht overnamen, waren al bijna net zo moe als hun kameraden, want niemand had een oog dichtgedaan.

Nu keken ze uit over een vlakte bedekt met sneeuw en ijs. Hier en daar was het landschap bespikkeld met vlammen, omdat de bomen die tijdens de sneeuwstorm waren geraakt door de felle bliksem nog brandden. Het was een griezelig gezicht, maar de blikken van de ridders werden niet getrokken door die vreemde vlammen toen ze omhoogklommen naar de borstwering. Nee, ze keken naar de vuren die aan de horizon brandden, vele honderden vuren die de heldere, koude lucht vulden met smerige rook.

De kampvuren van de oorlog. De kampvuren van het drakenleger.

Voor de Drakenheer stond slechtséén ding een overwinning in Solamnië nog in de weg. Dat ‘ding’ (zoals de Drakenheer het vaak noemde) was de Toren van de Hogepriester. De toren was lang geleden in de enige pas door de besneeuwde, in wolken gehulde Vingaardbergen gebouwd door de grondlegger van de ridderorde, Vinas Solamnus, en beschermde niet alleen Palanthas, de hoofdstad van Solamnië, maar ook de haven die bekendstond als de Poort van Paladijn. Als de toren viel, zou Palanthas in handen van het drakenleger vallen. Het was geen vestingstad, maar een stad van rijkdom en schoonheid, een stad die de wereld de rug had toegekeerd om met bewonderende blik naar zijn eigen spiegelbeeld te staren.

Met zeggenschap over Palanthas en de haven kon de Drakenheer ge makkelijk de rest van Solamnië laten verhongeren tot het zich overgaf, waarna ze de lastige ridders kon uitroeien.

De Drakenheer, die door haar soldaten de Zwarte Vrouwe werd genoemd, was die dag niet in het kamp. Ze was met een geheime missie naar het oosten gegaan. Maar ze had trouwe, kundige bevelhebbers achtergelaten die tot alles bereid waren om bij haar in een goed blaadje te komen.

Het was algemeen bekend dat de Zwarte Vrouwe van alle Drakenheren het hoogst in aanzien stond bij de Duistere Koningin. Daarom zat het leger van draconen, kobolden, ogers en mensen rond het kampvuur verlangend naar de toren te kijken. Ze wilden niets liever dan aanvallen en haar goedkeuring verdienen.

De toren werd verdedigd door een groot garnizoen van de ridders van Solamnië, dat nog maar een paar weken eerder uit Palanthas was vertrokken. Volgens de legende was de toren nog nooit gevallen terwijl die werd verdedigd door gelovigen, want hij was gewijd aan de Hogepriester. Die kon op de eerbied van alle ridders rekenen en hoefde slechts de Grootmeester boven zich te dulden.

Tijdens de Dromentijd hadden de priesters van Paladijn in de Toren van de Hogepriester gewoond. Daar waren jonge ridders naartoe gekomen voor godsdienstonderricht en indoctrinatie. Er waren nog altijd veel sporen zichtbaar van de aanwezigheid van de priesters.

Het kwam niet alleen door angst voor de legende dat het drakenleger zich terughoudend opstelde. De bevelhebbers hadden geen legende nodig om te weten dat ze zware verliezen zouden lijden bij het veroveren van de toren.

‘De tijd werkt in ons voordeel,’ had de Zwarte Vrouwe gezegd voordat ze was vertrokken. ‘Volgens onze spionnen krijgen de ridders weinig hulp uit Palanthas. We hebben hun bevoorradingsroute van fort Vingaard naar het oosten afgesneden. Laat ze maar lekker in die toren verhongeren. Vroeg of laat zullen ze van honger en ongeduld een fout maken, en dan slaan we toe.’

‘Met een eskader draken zouden we de toren zó kunnen veroveren,’ mopperde een jonge bevelhebber. Zijn naam was Bakaris, en hij was in de gunst van de Zwarte Vrouwe gekomen dankzij zijn moed op het slagveld en zijn knappe gezicht. Nu keek ze hem echter vorsend aan, terwijl ze zich klaarmaakte om haar blauwe draak Skie te bestijgen.

‘Misschien ook niet,’ zei ze koeltjes. ‘Heb je de berichten niet gehoord over de vondst van het oude wapen, de drakenlans?’

‘Ha! Verhaaltjes voor het slapen gaan!’ Lachend hielp de jonge bevelhebber haar bij het opstijgen. Skie staarde de knappe commandant met zijn felle, vurige ogen boos aan.

‘Ik zou maar niet zo schamper doen over verhaaltjes voor het slapengaan,’ zei de Zwarte Vrouwe, ‘want de verhalen over draken werden tot voor kort ook als zodanig beschouwd.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Maak je geen zorgen, liefje. Als mijn missie om de man met de groene edelsteen gevangen te nemen slaagt, hoeven we de toren niet eens aan te vallen, want dan is de vernietiging ervan onvermijdelijk. En zo niet, dan neem ik misschien wel dat eskader draken mee waar je om vroeg.’

De blauwe reuzendraak sloeg zijn vleugels uit en vloog in oostelijke richting naar Zeedrift, een klein, verlopen stadje aan de Bloedzee van Istar.

Dus wachtte het drakenleger om hun warme, comfortabele kampvuren terwijl de ridders in de toren honger leden, zoals de Zwarte Vrouwe had voorspeld. Veel erger dan het gebrek aan eten was echter de bittere tweedracht binnen de ridderorde.

De jonge ridders die onder bevel stonden van Sturm, hadden in de moeilijke maanden die volgden op hun vertrek uit Sancrist een diepe eerbied gekregen voor hun in ongenade gevallen leider. Ook al was hij melancholiek en vaak afstandelijk, met zijn eerlijkheid en integriteit had Sturm respect en bewondering bij zijn mannen afgedwongen. Het was echter een kostbare overwinning die Sturm veel problemen met Derek opleverde. Een minder nobel man zou Dereks politieke gekonkel hebben genegeerd, of in elk geval zijn mond hebben dichtgehouden (zoals heer Alfred). Sturm echter riep Derek keer op keer ter verantwoording, ook al wist hij dat hij zich daarmee steeds meer gehaat maakte bij de machtige ridder.

Het kwam door Derek dat Palanthas de ridders de rug toe had gekeerd. De inwoners van het mooie, rustige stadje waren om te beginnen al wantrouwig en in de greep van oude haatgevoelens en verbittering, en ze reageerden als door een wesp gestoken op Dereks dreigementen toen ze weigerden de stad door de ridders in garnizoen te laten leggen. Het was aan Sturms geduldige onderhandelingen te danken dat de ridders nog wat voorraden meekregen.