Hij had niet het flauwste idee van wat hij had gedaan. De Ene Kracht woedde in hem tot hij zichzelf bijna niet meer kende, tot hij nog amper zichzelf was, tot zijn zelf bijna ophield te bestaan. Zijn kostbare evenwicht wankelde. Aan beide zijden gaapte een eindeloze val, vergetelheid door de Kracht, die vanuit hem het zwaard in golfde. Toch bestond slechts in de dans over de messcherpe snede een onzekere veiligheid. Callandor straalde in zijn greep tot het leek of hij de zon droeg. Vaag in zijn binnenste, flakkerend als een kaarsvlammetje in een storm, bestond de zekerheid dat hij alles kon als hij Callandor vasthield. Alles.
Door eindeloze gangen rende hij, dansend op het scherp van de snede, jagend op degene die hem zou doden, degene die hij moest doden. Ditmaal kon het niet anders eindigen. Ditmaal móést een van hen sterven! Het was duidelijk dat Ba’alzamon dat eveneens besefte. Hij bleef verder vluchten, altijd net buiten het zicht, zodat slechts de geluiden van zijn vlucht Rhand voortdreven. Maar tijdens zijn vlucht zette hij deze Steen van Tyr, die niet de Steen van Tyr was, tegen Rhand op, en Rhand vocht terug, instinctief, gissend, met geluk; hij vocht en joeg verder op het scherp van de snede, in volmaakt evenwicht met de Kracht, het gereedschap en wapen dat hem bij een misstap volkomen zou verteren.
Water vulde de gangen van boven tot onder, dik en zwart als op de bodem van de zee, het verstikte zijn longen. Zonder te weten hoe maakte hij het weer tot lucht, onwetend, rende verder, en opeens kreeg de lucht gewicht tot het leek of iedere duim van zijn huid een berg droeg die hem aan alle kanten fijnperste. Een moment voor hij volkomen verpletterd zou worden, koos hij stromen uit de vloed van Kracht die door hem heen raasde – hij wist niet hoe, of wat, of waarom; het ging te snel voor gedachte of kennis – en de druk verdween. Hij achtervolgde Ba’alzamon en de lucht was opeens harde rots die hem inmetselde, toen gesmolten steen, toen een volkomen leegte die hem de adem benam. De grond onder zijn laarzen trok aan hem of ieder pond er opeens duizend woog, toen verdween alle gewicht zodat zijn volgende stap midden in de lucht eindigde. Onzichtbare kaken sperden zich open om zijn geest uit zijn lijf te graaien, zijn ziel weg te scheuren. Hij ontsprong elke val en rende verder; wat Ba’alzamon misvormde voor zijn vernietiging, herstelde hij weer zonder te beseffen hoe. Vaag wist hij dat hij op de een of andere manier dingen in hun natuurlijke evenwicht had teruggebracht, alles gedwongen had zich af te stemmen op zijn eigen dans over die onmogelijk dunne scheiding tussen bestaan en niet-bestaan, maar die kennis leek veraf te zijn. Zijn volledige bewustzijn leefde in de achtervolging, de jacht en de dood die deze moest beëindigen. En toen stond hij weer in het Hart van de Steen, schreed door de puinhopen die eens een muur hadden gevormd. Enkele pilaren hingen als gebroken tanden uit de koepel. En Ba’alzamon trok zich voor hem terug, met brandende ogen, gehuld in schaduw. Zwarte lijnen als staaldraden leken Ba’alzamon te verbinden met de duisternis die als een berg rond hem oprees. Ze verdwenen in onvoorstelbare hoogten en verten binnen die zwartheid.
‘Ik zal niet ongedaan gemaakt worden!’ riep Ba’alzamon. Zijn mond was vuur, zijn schreeuw schalde tussen de pilaren heen en weer. ‘Ik kan niet verslagen worden! Sta me bij!’ Iets van het duister dat hem omhulde, dreef zijn handen in en vormde zich tot een bol, zo zwart dat hij het licht van Callandor leek op te zuigen. Plotseling vonkte er triomf in de vlammen van Ba’alzamons ogen.
‘Je bent vernietigd!’ schreeuwde Rhand. Callandor zoemde in zijn handen. Het licht kliefde door de duisternis, hakte de staalzwarte lijnen rond Ba’alzamon door, en Ba’alzamon klapte in elkaar. Alsof er twee van hen waren, leek hij tegelijkertijd te krimpen en te groeien, ik maak je ongedaan!’ Rhand stootte de vlammende kling diep in Ba’alzamons borst.
Ba’alzamon krijste en de vuren van zijn gezicht vlamden woest. ‘Dwaas!’ huilde hij. ‘De Grote Heer van het Duister kan nooit verslagen worden!’
Rhand trok Callandor los toen het lichaam van Ba’alzamon in elkaar zakte, neerviel en de schaduw om hem heen verdween. En plotseling was Rhand in een ander Hart van de Steen, omringd door onbeschadigde zuilen, tussen gillende en stervende mannen, tussen gesluierde mannen en mannen met kurassen en helmen. Moiraine lag nog steeds aan de voet van een roodstenen zuil. Bij Rhands voeten lag het lijk van een man, plat op zijn rug, met zijn armen en benen wijd. Er was een gat in zijn borst gebrand. Het had een knappe man van gemiddelde leeftijd kunnen zijn, maar waar zijn ogen en mond hadden moeten zijn, bevonden zich slechts garen waaruit slierten zwarte rook opstegen.
Ik heb het gedaan’, dacht hij. Ik heb Ba’alzamon gedood, Shai’tan gedood! Ik heb de Laatste Slag gewonnen! Licht, ik bén de Herrezen Draak! De breker van naties, de Breker van de Wereld! Nee! Ik maak een éind aan het Breken en het doden! Ik zal ervoor zorgen dat het eindigt!
Hij hief Callandor boven zijn hoofd. Zilveren bliksems spatten uit de kling, zigzagflitsen bogen zich naar de hoge koepel. ‘Stop!’ riep hij. Het vechten hield op. Mannen staarden hem verbijsterd aan, sommigen van boven zwarte sluiers, en anderen van onder ronde helmen. ‘Ik ben Rhand Altor!’ riep hij met schallende stem uit. ‘Ik ben de Herrezen Draak!’ Callandor lichtte in zijn handen.
Een voor een knielden gesluierde en gehelmde mannen neer terwijl ze riepen: ‘De Draak is Herrezen! De Draak is Herrezen!’
56
Volk van de Draak
Overal in de stad Tyr ontwaakten de mensen met de dageraad. Ze spraken over hun dromen waarin de Draak Ba’alzamon bevocht in het Hart van de Steen. En toen ze hun ogen opsloegen naar de Steen, de grote burcht, zagen ze een banier die aan de hoogste torenspits wapperde. Op een wit veld vloeide een slanke vorm als een slang, met scharlaken en gouden schubben, maar met gouden leeuwenmanen en vier poten die alle vijf gouden klauwen bezaten. Mensen kwamen verstomd en bevreesd uit de Steen en spraken fluisterend over wat er die nacht gebeurd was en mannen en vrouwen bevolkten de straten en weenden en verkondigden luid de vervulling van de Voorspelling. ‘De Draak!’ riepen zij. ‘Altor! De Draak! Altor!’
Mart gluurde door een van de hoge schietsleuven in een zijmuur van de Steen en schudde zijn hoofd terwijl hij luisterde naar de spreekkoren die uit de stad omhoog golfden. Nou ja, misschien is bij het. Hij kon er maar moeilijk aan wennen dat Rhand echt in de Steen was. Iedereen in de Steen leek het eens te zijn met de mensen daarbeneden, en als dat niet het geval was, hielden ze hun mond. Hij had Rhand nog maar één keer gezien sinds de vorige nacht, toen hij door een gang schreed met Callandor in zijn hand, omringd door een tiental gesluierde Aiel en een groep Tyreners, een handjevol Verdedigers van de Steen en het merendeel van de nog levende hoogheren in zijn spoor. De hoogheren leken op z’n minst te denken dar Rhand hen nodig had om de wereld te regeren, maar de Aiel hielden met scherpe blikken of speren iedereen uit zijn buurt. Zij waren ervan overtuigd dat Rhand de Draak was, hoewel zij hem anders noemden: Hij die komt met de dageraad. Er waren bijna tweehonderd Aiel in de Steen. Ze hadden een derde van hun aantal in de strijd verloren, maar ze hadden minstens tienmaal zoveel Verdedigers gedood of gevangengenomen.
Toen hij zich afwendde van de schietsleuf, gleden zijn ogen langs Rhuarc. Er stond een hoog houten gevaarte aan de ene kant van de kamer. Glimmende, bewerkte wielen van een of andere blanke houtsoort met donkere strepen lieten planken zodanig rondgaan, dat ze vlak bleven hangen. Op iedere plank lag een groot, in goud gebonden boek waarvan het omslag met fonkelende edelstenen versierd was. De Aiel had een boek opengeslagen en las. Een of andere verhandeling, dacht Mart. Wie had kunnen denken dat Aiel boeken zouden lezen? Maar bloedvuur, wie had ooit kunnen denken dat Aiel konden lezen? Rhuarc keek met koude blauwe ogen zijn kant op en staarde Mart recht in zijn gezicht. Mart wendde haastig zijn ogen af, voor de Aiel zijn gedachten kon lezen. Hij is tenminste niet gesluierd, Licht zij dank! Bloed en as, die Aviendha sloeg me bijna het hoofd af toen ik haar vroeg of ze ook nog dansen zonder speren kende. Met Bain en Chiad had hij weer andere problemen. Ze waren zeker leuk en buitengewoon vriendelijk, maar het was hem niet gelukt er een apart te nemen. De Aielmannen leken zijn pogingen om zich met een van hen af te zonderen, leuk te vinden, en Bain en Chiad deelden die mening. Vrouwen zijn vreemd, maar bij Aielvrouwen lijkt vreemd normaal! De grote tafel midden in de kamer, uitbundig bewerkt, met een vergulde rand en poten, was bedoeld voor bijeenkomsten van de hoogheren. Moiraine zat in een van de op tronen lijkende stoelen waarvan de hoge rug de Maansikkelbanier van Tyr toonde, uitgevoerd in kornalijn en paarlemoer. Egwene, Nynaeve en Elayne zaten vlak naast haar.