‘Hoe kun je dat zeggen?’ wilde Egwene weten. ‘Begrijp je dan niet dat de Verzakers vrij rondlopen?’
‘Om maar niet te spreken van de Zwarte Ajah,’ zei Nynaeve grimmig. ‘We hebben hier alleen Amico en Joiya te pakken gekregen. Elf zijn er ontsnapt – en ik zou graag weten hoe! – en alleen het Licht weet hoeveel anderen er nog zijn van wie we niets weten.’
‘Ja,’ zei Elayne even hard, ‘ik ben misschien niet klaar om een Verzaker te bestrijden, maar ik ben van plan Liandrins huid in reepjes te snijden!’
‘Natuurlijk,’ zei Mart gladjes. ‘Natuurlijk.’ Zijn ze gek? Willen ze jacht maken op de Zwarte Ajah én de Verzakers? ik bedoel alleen dat het moeilijkste nu achter de rug is. De Steen is gevallen voor het Volk van de Draak. Rhand heeft Callandor en Shai’tan is dood.’ Moiraine staarde hem zo dreigend aan dat hij even dacht dat hij de Steen voelde trillen.
‘Zwijg, dwaas!’ zei de Aes Sedai met een messcherpe stem. ‘Wil je zijn aandacht trekken, dat je de naam van de Duistere noemt?’
‘Maar hij is dood!’ verweerde Mart zich. ‘Rhand heeft hem gedood. Ik heb het lijk gezien! En Licht, dat stonk de pan uit. Ik had nooit gedacht dat iets zo snel kon verrotten.
‘Je hebt het lijk gezien,’ herhaalde Moiraine en haar mondhoeken vertrokken. ‘Het lijk van een man. Niet van de Duistere, Mart.’
Hij keek naar Egwene en de andere twee vrouwen. Ze leken even in de war als hijzelf. Rhuarc leek te denken aan een strijd die hij meende gewonnen te hebben, maar die nog niet eens gestreden bleek te zijn. ‘Wie was het dan?’ wilde Mart weten. ‘Moiraine, mijn geheugen heeft gaten waar een paard-en-wagen doorheen kan rijden, maar ik herinner me Ba’alzamon uit mijn dromen. Ik weet het nog! Ik mag branden als ik dat ooit kan vergeten! En wat er van het gezicht nog over was, herkende ik.’
‘Je hebt Ba’alzamon herkend,’ zei Moiraine. ‘Liever gezegd, de man die zich Ba’alzamon noemde. De Duistere is nog in leven, gekerkerd in Shayol Ghul, en de Schaduw strekt zich nog steeds uit over het Patroon.’
‘Het Licht verlichte en bescherme ons,’ mompelde Elayne zwakjes, ik meende... ik dacht dat de Verzakers nu het ergste waren waar we ons zorgen over hoefden te maken.’
‘Ben je er zeker van, Moiraine?’ zei Nynaeve. ‘Rhand was... is er zeker van dat hij de Duistere heeft gedood. Je lijkt te beweren dat Ba’alzamon de Duistere helemaal niet was. Ik begrijp het niet! Hoe kun je daar zo zeker van zijn? En als hij niet de Duistere was, wie was hij dan wel?’ ik weet het zeker om de allereenvoudigste reden, Nynaeve. Hoe snel het ook verging, het was het lichaam van een man. Kun jij geloven dat de Duistere na zijn dood een menselijk lichaam achterlaat? De man die Rhand heeft gedood, was een man. Misschien was hij de eerste Verzaker die vrijkwam of misschien was hij nooit volledig gebonden. We zullen wellicht nooit weten wie het was.’
‘Misschien... misschien weet ik wie.’ Egwene zweeg even en keek onzeker. ‘Nou, misschien heb ik een aanwijzing. Verin heeft me een bladzijde uit een oud boek laten zien, waarop naast Ba’alzamon ook Ishamael werd genoemd. De woorden leken op Hoge Zang en waren bijna onbegrijpelijk, maar ik herinner me iets van “een naam verborgen in een andere naam”. Welücht was Ba’alzamon Ishamael.’
‘Misschien,’ zei Moiraine. ‘Misschien was het Ishamael. Maar al is dat het geval, dan zijn er nog steeds negen van de dertien Verzakers in leven. Lanfir en Sammael en Rahvin en... Ach! Zelfs de kennis dat er enkele van die negen vrij rondlopen, is niet het belangrijkste.’ Ze legde haar hand op de zwart-witte schijf. ‘Drie zegels zijn gebroken. Slechts vier houden nog stand. Alleen die vier zegels staan tussen de Duistere en de wereld en het kan zijn dat zelfs die vier ongebroken zegels de Duistere niet kunnen beletten dat hij op de een of andere manier de wereld kan beroeren. Welke slag we hier ook hebben gewonnen – slag of schermutseling – het is nog lang niet de laatste.’ Mart zag de gezichten van Egwene, Nynaeve en Elayne langzaam, met tegenzin, maar ook ferm een trek van vastberadenheid aannemen en hij schudde zijn hoofd. Bloedvrouwen! Volledig bereid hiermee door te gaan, door te gaan met hun jacht op de Zwarte Ajah, door te gaan met hun pogingen om de Verzakers te bevechten, en die vervloekte Duistere. Nou, ze hoeven niet te denken dat ik ze de volgende keer uit de kookpot zal halen. Dat hoeven ze absoluut niet te denken, o nee! Een van de hoge, dubbele deuren werd opengeduwd terwijl hij nog stond te bedenken wat hij moest zeggen, en een lange jonge vrouw met een koninklijk voorkomen kwam het vertrek binnen. Ze droeg een diadeem met een gouden vliegende havik boven haar wenkbrauwen. Haar zwarte haren vielen soepel neer op blanke schouders en haar gewaad van de mooiste rode zijde liet niet slechts de schouders onbedekt, maar ook een aanzienlijk deel van wat Mart bewonderenswaardige borsten vond. Haar grote zwarte ogen namen Rhuarc kort en belangstellend op. Toen richtten die zich koeltjes en arrogant op de vrouwen aan de tafel. Mart leek ze volkomen te negeren.
‘Ik ben het niet gewend boodschappen te bezorgen,’ verkondigde ze en een slanke hand zwaaide met een opgevouwen perkament. ‘En wie ben jij, kind?’ vroeg Moiraine.
De jonge vrouw richtte zich zelfs nog meer op, wat volgens Mart onmogelijk leek. ‘Ik ben Berelain, Eerste van Mayene.’ Met een hooghartig gebaar gooide ze het perkament vlak voor Moiraine op tafel en wendde zich weer naar de deur.
‘Een ogenblik, kind,’ zei Moiraine, die het perkament openvouwde. ‘Wie heeft jou dit gegeven? En waarom breng je het, als je niet gewend bent een boodschap te bezorgen?’
‘Ik... ik weet het niet.’ Berelain stond met haar gezicht naar de deur. Ze klonk verbaasd. Ze bewoog haar schouders en leek haar zelfverzekerdheid terug te krijgen. Heel even bekeek ze Rhuarc met een glimlachje. ‘U bent de aanvoerder van die Aielmannen? Uw strijd heeft mijn slaap verstoord. Wellicht zal ik u uitnodigen met mij te dineren. Zeer binnenkort.’ Ze keek om naar Moiraine. ‘Men heeft mij gezegd dat de Herrezen Draak de Steen heeft veroverd. Laat heer Draak weten dat de Eerste van Mayene vanavond met hem haar maaltijd zal delen.’ Ze schreed de kamer uit, Mart kon geen ander woord bedenken voor die statige stoet van één vrouw.
‘Die zou ik graag als Novice in de Toren willen zien,’ zeiden Egwene en Elayne tegelijk, waarna ze elkaar met een strakke glimlach aankeken.
‘Luister hier eens naar,’ zei Moiraine: ‘“Lews Therin was de mijne, hij is de mijne en hij zal de mijne zijn. Voor eeuwig. Ik laat hem onder jullie hoede, om hem voor mij te behouden tot mijn komst.” Het is ondertekend met Lanfir.’
De Aes Sedai richtte haar koele blik weer op Mart. ‘En jij dacht dat het afgelopen was? Je bent ta’veren, Mart Cauton, een belangrijker draad in het Patroon dan de meeste andere, en je bent de man die de Hoorn van Valere stak. Voor jou is er niets afgelopen.’ Ze keken hem allemaal aan. Nynaeve bedroefd, Egwene alsof ze hem nooit eerder had gezien en Elayne alsof ze meende dat hij in iemand anders zou veranderen. In Rhuarcs ogen lag een zekere achting, hoewel Mart daar best buiten had gekund, alles bij elkaar genomen. ‘Nou ja, natuurlijk,’ zei hij. Bloedvuur! ‘Ik begrijp het.’ Ik vraag me af wanneer Thom weer sterk genoeg is om te reizen. Tijd om ervandoor te gaan. Misschien gaat Perijn met ons mee. ‘Jullie kunnen op me rekenen.’
Van buiten bleef het geroep onophoudelijk doorgaan. ‘De Draak! Altor! De Draak! Altor! De Draak! Altor! De Draak!’
En er stond geschreven dat geen hand dan de zijne het Zwaard zou heffen dat in de Steen werd gehouden.
En voorwaar, hij nam het ter hand, een vuur in zijn hand, en zijn glorie zette de wereld in vlammen.
Alzo begon het.
Alzo bezingen wij zijn Wedergeboorte.
Alzo bezingen wij het begin.