Kón hij de val geen keuze laten maken of wilde hij dat niet? Ze was vastbesloten niet te onderschatten waartoe hij in staat was. Callandor hoorde in de Toren tot hij het zou voeren. ‘Alleen maar tot ik...’ Wat? Hij was van plan geweest iets anders te zeggen dan ‘tot ik terugkeer’. Maar wat?
‘En waar ga je naartoe? Of wil je dat geheimhouden?’ Ze beloofde zichzelf in stilte dat ze hem niet nog eens zou laten ontsnappen, dat ze hem op de een of andere manier zou laten omkeren als hij van plan was om zich naar Tweewater te haasten. Toen verraste hij haar. ‘Geen geheim, Moiraine. In ieder geval niet voor jou en Egwene.’ Hij keek Egwene aan en zei een enkel woord. ‘Rhuidean.’ Het meisje staarde hem met grote ogen even verbaasd aan alsof ze die naam nooit gehoord had. En zo voelde Moiraine zich bijna ook. Onder de Aiel klonk gemompel, maar toen ze even omkeek, liepen ze uitdrukkingsloos door. Ze wilde dat ze hen kon wegsturen, maar op haar bevel zouden ze niet gaan, en ze ging het Rhand niet vragen. Het zou haar bij hem geen goed doen als ze om gunsten vroeg, vooral niet als hij ze zou weigeren.
‘Je bent geen Aielstamhoofd, Rhand,’ zei ze beslist, ‘en dat hoef je ook niet te zijn. Jouw strijd ligt aan deze kant van de Drakenmuur. Tenzij... Komt dit door je antwoorden in de ter’angreaal? Cairhien, en Callandor, en Rhuidean? Ik heb je verteld dat die antwoorden voor velerlei uitleg vatbaar zijn. Je zou ze verkeerd kunnen begrijpen, en dat zou fataal kunnen zijn. Voor meer mensen dan jij alleen.’
‘Je zult me moeten vertrouwen, Moiraine. Zoals ik jou zo vaak moest vertrouwen.’ Zijn gezicht had dat van een Aiel kunnen zijn, zo weinig kon ze erin lezen.
‘Ik zal je vertrouwen, nu. Maar wacht niet om mijn raad te vragen tot het te laat is.’ Ik laat je niet naar de Schaduw gaan. Ik heb er te lang aan gewerkt om dat toe te staan. Wat het ook mag kosten.
22
Vertrek uit de Steen
Het was een vreemde stoet die Rhand uit de Steen naar het oosten leidde, terwijl witte wolken voor de middagzon langs gleden en een zuchtje wind in de stad merkbaar was. Hij had elke aankondiging en bekendmaking verboden, maar het bericht dat er iets aan de hand was, had zich niettemin geleidelijk verspreid. De stadsbewoners legden hun werk neer en haastten zich naar plekken waar ze alles goed konden zien. De Aiel trokken in het gelid uit de stad weg. Mensen die hen die nacht niet hadden gezien en die maar half geloofden dat ze wél in de Steen zaten, kwamen in groten getale de straten op, stonden in ramen en klommen zelfs op de leien van de schuine puntdaken en op opkrullende dakgoten. Mompelend werden de Aiel geteld en hun aantal werd doorverteld. Die paar honderd konden nooit de Steen veroverd hebben. De Drakenbanier wapperde nog steeds boven de burcht. Daarbinnen moesten nog zeker duizenden Aiel zitten. En de Drakenheer natuurlijk.
Rhand reed ontspannen in zijn hemdsmouwen voorop, hij wist zeker dat elke toeschouwer hem voor een gewone man zou houden. Een vreemdeling, rijk genoeg om paard te rijden – een voortreffelijke grijze hengst, de beste uit de Tyreense fokkerijen – een rijke man die in heel bijzonder gezelschap reed, maar verder een doodgewone man. Niet eens de aanvoerder van die vreemde stoet. Die titel moest toch aan Lan of Moiraine worden toegekend, ondanks het feit dat ze op enige afstand achter hem aan reden, vlak voor de Aiel. Het zachte gemompel vol ontzag dat zijn voorbijgaan begeleidde, gold de stoet Aiel, zeker niet hem. Deze Tyreners zagen hem misschien wel aan voor een stalknecht die op het paard van zijn meester reed. Nou nee, niet zo iemand, want dan zou hij niet vooraan rijden. Het was trouwens een mooie dag. Niet snikheet, gewoon warm. Niemand zag in hem een man die recht sprak of een natie regeerde. Hij kon gewoon genieten van zijn naamloosheid, genieten van het zeldzame briesje. Een tijdlang kon hij de reigertekens op zijn handpalmen aan de teugels vergeten. Nog heel even, dacht hij. Heel even.
‘Rhand,’ zei Egwene, ‘denk je echt dat het juist was dat de Aiel al die dingen meenamen?’ Hij keek om toen ze haar grijze merrie Mist tot naast hem inhield. Ergens had ze een donkergroen gewaad opgedoken met een nauwe broekrok en een groene fluwelen haarband die haar haren achter in de nek bijeenhielden.
Moiraine en Lan reden achter hem en hielden een handvol schreden afstand; zij op haar witte merrie in blauwe rijkleding met een gewone rok, haar donkere haren netjes in een gouden haarnetje, hij op zijn grote zwarte krijgsros, in de van kleur veranderende mantel van de zwaardhand, die waarschijnlijk evenveel ooohs en aaahs aan de menigte ontlokte als de Aiel. Wanneer een briesje de mantel bewoog, rimpelden er tinten groen, bruin en grijs doorheen, wanneer de mantel stil hing, leek hij op de een of andere manier op te gaan in elke achtergrond, zodat het oog door Lan en zijn rijdier leek heen te kijken. Je maag speelde enigszins op als je ernaar keek.
Mart was er ook bij, zat ineengezakt en berustend in het zadel en probeerde op afstand te blijven van de zwaardhand en de Aes Sedai. Hij had een alledaagse bruine ruin gekozen, een dier dat hij Pips noemde. Je moest goed kijken, wilde je de brede borstkas en sterke schoften zien, die beloofden dat de stompneuzige Pips in snelheid en uithoudingsvermogen waarschijnlijk gelijkwaardig was aan Rhands hengst en Lans rijdier. Marts beslissing om mee te gaan was een verrassing geweest en Rhand wist nog steeds niet waarom. Misschien uit vriendschap, maar misschien ook niet. Mart kon af en toe rare dingen doen om rare redenen.
‘Heeft je vriendin Aviendha je niets uitgelegd over de “vijfde”?’ vroeg hij.
‘Ze had het er even over, maar... Rhand, denk je niet dat ze ook zaken... zomaar hebben meegenomen?’
Achter Moiraine en Lan, achter Mart, achter de leidende Rhuarc, liepen de Aiel in lange rijen naast even zoveel rijen zwaarbeladen muilezels, vier naast elkaar. Wanneer de Aiel een veste van een vijandige stam in de Woestenij innamen, dan bestond het gewoonterecht – mogelijk een wet, Rhand begreep het niet helemaal – dat ze een vijfde deel van alles wegsleepten, met uitzondering misschien van voedsel. Ze hadden geen reden gezien de Steen anders te behandelen. Niet dat de muilezels meer dan het allerkleinste deel van een deel van een vijfde van de schatten van de Steen droegen. Rhuarc had opgemerkt dat mensen eerder werden gedood door hebzucht dan door staal. De rieten lastmanden, afgedekt met opgerolde tapijten en wandtapijten, waren niet echt vol. Voor hen lag een mogelijk moeilijke overtocht over de Rug van de Wereld en daarna een nog zwaardere tocht door de Woestenij. Wanneer vertel ik het? vroeg hij zich af. Heel gauw nu; het moet gauw gebeuren. Moiraine zou het waarschijnlijk een waagstuk vinden, een vermetele stap, misschien keurde ze het wel goed. Misschien. Ze meende nu zijn hele plan te kennen en liet duidelijk haar afkeuring blijken; ongetwijfeld wilde ze het een en ander zo snel mogelijk achter de rug hebben. Maar de Aiel... Stel je voor dat ze weigeren? Nou ja, als ze weigeren, dan doen ze dat maar. Ik moet het doen. Wat de vijfde betrof... Het was volgens hem onmogelijk de Aiel ervan te weerhouden, zelfs als hij dat had willen doen en hij had het niet gewild. Ze hadden hun beloning verdiend en hij voelde niet de noodzaak de bezittingen van de Tyreense hoogheren te redden die ze in vele lange jaren het volk hadden afgeperst.
‘Ik zag dat ze Rhuarc een zilveren schaal liet zien,’ zei hij hardop. ‘Aan de zak te zien en te horen, toen ze de schaal erin legde, zat er nog veel meer zilver in. Misschien wel goud. Keur je dat af?’
‘Nee.’ Ze zei het langzaam en wat weifelend, maar toen zei ze wat flinker: ik had alleen niet gedacht dat zij... De Tyreners zouden niet bij een vijfde zijn gestopt als de toestand omgekeerd was. Alles wat ze hebben weggesleept, maakt geen deel uit van het steenwerk, en ze hebben geen karren gestolen om het te vervoeren. Andere opvattingen van een volk houden niet in dat het verkeerd is, Rhand. Dat zou je moeten weten.’