Hij lachte zachtjes. Dit was bijna als vroeger. Hij kwam met een uitleg hoe en waarom ze het verkeerd had en zij nam dan zijn rol over en kaatste zijn eigen nog niet verwoorde verklaring terug. Zijn hengst voelde zijn stemming aan en danste enkele pasjes opzij. Hij klopte de grijze kalmerend op zijn gebogen nek. Een mooie dag. ‘Dat is een mooi paard,’ zei ze. ‘Hoe noem je hem?’
‘Jeade’en,’ zei hij behoedzaam en zijn goede bui werd wat minder. Hij schaamde zich een beetje over die naam en over de reden waarom hij die had gekozen. Een van zijn lievelingsboeken was De reizen van Jaim Kimstapper en de grote reiziger had zijn paard Jeade’en genoemd – Ware Vinder, in de Oude Spraak – omdat het dier altijd in staat was geweest de weg naar huis terug te vinden. Hij genoot van de droom dat zijn Jeade’en hem ook ooit op een dag terug naar huis zou voeren. Een mooie, maar onwaarschijnlijke droom en hij wilde niet dat iemand wist waarom hij zijn paard zo had genoemd. Er was in zijn leven geen plaats meer voor jongensdromen. Er was voor nog maar heel weinig dingen plaats, alleen voor wat hij had te doen.
‘Een mooie naam,’ zei ze verstrooid. Hij wist dat zij het boek ook kende en had er half op gerekend dat ze de naam zou herkennen, maar ze leek over iets anders te piekeren, waarbij ze nadenkend op haar lip beet. Hij was blij met die stilte. De laatste uitlopers van de stad gingen over in het platteland met zijn verspreide armzalige boerengedoenten. Zelfs de Kongars of Kopins, inwoners van Tweewater die toch berucht waren om hun luiheid en andere kwalijke eigenschappen, zouden hun boerderij nooit zo laten vervallen en hem zo verwaarlozen als deze ruwstenen gebouwtjes waarvan de schuine muren eruitzagen of ze elk moment konden omvallen, boven op de kippen die in het zand stonden te pikken. Scheefgezakte schuren leunden tegen laurierbomen en koortsstruiken. Daken van gebarsten en gebroken leien leken allemaal zo lek als een mandje. Geiten mekkerden troosteloos achter stenen muurtjes die die ochtend haastig in elkaar leken te zijn gesmeten. Mannen en vrouwen op blote voeten wiedden met kromgetrokken schouders op open akkers en keken zelfs niet eens op naar de lange stoet. Roodsnavels en lijsters die in de kleine struiken rondwipten, konden het mismoedige onheilsgevoel niet verdrijven.
Ik moet er iets aan doen. Ik... Nee, nu niet. Het eerste eerst. In die paar weken heb ik alles gedaan wat ik kon doen. Momenteel kan ik niets meer doen. Hij probeerde niet naar de vervallen boerderijen te kijken. Waren de olijfgaarden in het zuiden even slecht? De mensen die daar werkten, waren niet eens eigenaars van het land; de hoogheren bezaten alles. Nee. Het koelere windje. Lekker dat de hitte wat minder wordt. Ik mag er nog even van genieten. Ik moet het ze nu gauw vertellen.
‘Rhand,’ zei Egwene opeens, ik moet met je praten.’ Haar ernstige gezicht met de grote donkere ogen die hem strak aankeken, deed hem een beetje aan Nynaeve denken wanneer die hem de les las. ik wil het over Elayne hebben.’
‘Wat dan?’ vroeg hij behoedzaam. Hij voelde aan zijn buidel, waarin twee brieven knisperden tegen een klein hard voorwerp. Als die twee brieven niet in hetzelfde sierlijke handschrift waren geschreven, zou hij hebben gedacht dat ze niet van dezelfde vrouw kwamen. Niet na al dat kussen en strelen. Dan begreep hij de hoogheren toch beter dan vrouwen.
‘Waarom liet je haar zomaar gaan?’
Verbaasd staarde hij haar aan. ‘Dat wilde ze toch? Had ik haar dan moeten vastbinden om haar tegen te houden? Bovendien is ze in Tanchico veiliger dan bij mij – of bij Mart – als wij opnieuw die kwaadaardige bellen van het Patroon aantrekken zoals Moiraine heeft gezegd. Jij zou daar ook veiliger zijn.’
‘Dat bedoel ik helemaal niet. Natuurlijk wilde ze erheen. En natuurlijk mocht je haar niet tegenhouden. Maar waarom heb je haar niet gezegd dat je graag had dat ze bleef?’
‘Ze wilde weg,’ herhaalde hij en raakte nog meer in de war toen ze haar ogen wanhopig naar de blauwe hemel opsloeg, alsof hij onzin verkocht. Als hij niet het recht had Elayne tegen te houden en als zij wilde vertrekken, waarom moest hij dan proberen het uit haar hoofd te praten? Ze was daar toch veiliger!
Opeens klonk er een stem vlak achter hen. ‘Ben je zover dat je me het volgende geheim vertelt? Je hield duidelijk nog iets achter. In dat geval kan ik je tenminste nog waarschuwen als je ons de afgrond inleidt.’ Rhand zuchtte. Hij had haar en Lan niet horen naderen. Mart was er ook bij, hoewel die een ruime afstand tot de Aes Sedai bewaarde. Marts gezicht was een studie waard: twijfel, terughoudendheid en grimmige vastberadenheid wisselden elkaar op zijn gezicht af, vooral wanneer hij een blik op Moiraine wierp. Hij keek haar geen enkele keer recht aan, alleen vanuit zijn ooghoeken.
‘Weet je zeker dat je mee wilt komen, Mart?’ vroeg Rhand. Mart schokschouderde en wist een grijns op te brengen, al was die heel onvast. ‘Niemand mag toch een kans laten lopen dat vervloekte Rhuidean te zien?’ Egwene trok haar wenkbrauwen op. ‘O, vergeef me mijn taal, Aes Sedai. Ik heb jou weieens ergere dingen horen zeggen en ik wed voor een mindere reden.’ Egwene staarde hem verontwaardigd aan, maar de rode vlekjes op haar wangen bewezen dat hij doei had getroffen.
‘Wees blij dat Mart er in ieder geval is,’ zei Moiraine tegen Rhand. Haar stem klonk koel en absoluut niet opgewekt. ‘Je hebt een ernstige fout begaan met Perijn ervandoor te laten gaan en zijn vertrek voor mij te verzwijgen. De wereld rust op jouw schouders, maar zij dienen je te steunen, anders zul je falen en gaat de wereld met jou ten onder.’
Mart kromp in elkaar en Rhand meende dat hij nu wel meteen zijn ruin zou wenden en ter plekke zou wegrijden.
‘Ik ken mijn taak,’ zei hij. En ik ken mijn bestemming, dacht hij, maar dat zei hij niet hardop, hij wilde niet om medeleven vragen. ‘Een van ons moest terug, Moiraine, en Perijn wilde het doen. Jij bent bereid alles op de tweede plaats te zetten om de wereld te redden. Ik... ik doe wat ik moet doen.’ De zwaardhand knikte zwijgend. Lan zou in aanwezigheid van anderen nooit Moiraine afvallen. ‘En het volgende geheim?’ drong ze aan. Ze zou het niet opgeven tot ze het uit hem had getrokken en hij had geen reden het geheim nog langer voor zich te houden. Niet dit stuk althans. ‘De Portaalstenen,’ zei hij alleen, ‘als we geluk hebben.’
‘O, Licht!’ kreunde Mart. ‘Bloedvuur, vlammend Licht! Zit niet te bekkentrekken, Egwene! Geluk? Is één keer niet genoeg, Rhand? Je hebt ons toen bijna gedood, weet je nog? Nee, nog erger dan gedood. Ik rij dan nog liever terug naar zo’n boerderij en vraag een levenslang baantje om varkens te hoeden.’
‘Jij mag je eigen weg kiezen. Mart, als je dat verkiest,’ zei Rhand tegen hem. Moiraines kalme gelaatstrekken vormden een masker over haar woede, maar hij negeerde de ijzige blikken die probeerden hem tot zwijgen te brengen. Zelfs Lan keek afkeurend, hoewel zijn steenharde gezicht niet zo erg veranderde. De zwaardhand stelde plicht boven alles. Rhand zou zijn plicht doen, maar zijn vrienden... Hij hield er niet van anderen dingen te laten doen, zijn vrienden zeker niet. De dingen die hij tenminste kon voorkomen. ‘Voor jou bestaat er geen reden mee te gaan naar de Woestenij.’
‘O, jawel, zeker wel. Ik kan tenminste... O, bloed en as! Ik heb maar één leven te verspelen, nietwaar? Waarom dan niet op deze manier?’ Mart lachte zenuwachtig en een tikkeltje verwilderd. ‘Die vervloekte Portaalstenen! Licht!’
Rhand fronste. Men zei van hém dat hij krankzinnig zou worden, maar Mart leek nu ook op het randje.
Egwene keek Mart bezorgd aan maar ze boog zich naar Rhand toe. ‘Rhand, Verin Sedai heeft me wat over de Portaalstenen verteld. Ze heeft me iets gezegd over die... reis die jij hebt gemaakt. Ben je dit echt van plan?’