‘Dit is wat ik heb te doen, Egwene.’ Hij diende snel te reizen en er was niets snellers dan de Portaalstenen. Overblijfselen van een Eeuw die ouder was dan de Eeuw der Legenden en zelfs de Aes Sedai uit die Eeuw hadden ze schijnbaar nier begrepen. Er bestond echter geen snellere weg. Als het tenminste ging zoals hij hoopte. Moiraine had geduldig naar de woordenwisseling geluisterd. Vooral naar Marts bijdrage, al begreep Rhand niet waarom. Nu zei ze: ‘Verin heeft me ook van jouw reis via de Portaalstenen verteld. Toen was het maar een kleine groep van ongeveer dertig man met hun paarden, geen honderden, en ook al heb je toen niet iedereen bijna gedood, zoals Mart zei, het leek me geen ervaring die iemand graag een tweede keer wil meemaken. Evenmin liep het zoals je verwachtte. Er was ook nogal wat van de Ene Kracht voor nodig, zoveel dat het je volgens Verin had kunnen doden. Zelfs als je de meeste Aiel hier laat, durf je dan toch de poging te wagen?’
‘Ik moet wel,’ zei hij en bevoelde de buidel aan zijn riem, de kleine harde vorm achter de brieven, maar ze sprak door of hij niets had gezegd.
‘Weet je zeker dat er een Portaalsteen in de Woestenij is? Verin weet er zeker meer van dan ik, maar ik heb er nooit van gehoord. Als die er is, zijn we dan dichter bij Rhuidean dan waar we nu zijn?’
‘Ongeveer een zeshonderd jaar geleden,’ vertelde hij haar, ‘probeerde een marskramer een blik op Rhuidean te werpen.’ Een andere dag wilde hij haar voor de verandering met genoegen een lezing geven. Maar niet vandaag. Er was te veel dat hij nog niet wist. ‘Die man zag er blijkbaar niets van; hij beweerde dat hij hoog in de wolken een gouden stad boven de bergen zag zweven.’
‘Er zijn geen steden in de Aielwoestenij,’ zei Lan. ‘Niet in de wolken en niet op de grond. Ik heb tegen de Aiel gestreden. Zij hebben geen steden.’
Egwene knikte. ‘Aviendha vertelde me dat ze voor ze de Woestenij verliet, nog nooit een stad had gezien.’
‘Dat kan best zijn,’ zei Rhand, ‘maar de marskramer zag ook iets uit een berghelling steken. Een Portaalsteen. Hij beschreef hem heel nauwkeurig. Er is niets wat op een Portaalsteen lijkt. Toen ik de meesterbewaarder van de librije in de Steen er een beschreef...’ – zonder de naam te noemen wat hij zocht, al zei hij dat er niet bij – ‘... herkende hij het, ook zonder te weten wat het was; het volstond om er vier op een oude kaart van Tyr aan te wijzen...’
‘Vier?’ Moiraine klonk geschokt. ‘Allemaal in Tyr? Zo vaak komen Portaalstenen niet voor.’
‘Vier,’ zei Rhand stellig. De magere oude bewaarder was er zeker van geweest en had zelfs een verfomfaaid vergeeld manuscript opgedoken dat een relaas bevatte over het opgraven en naar de Grote Borg verplaatsen van ‘onbekende artefacten uit een vroegere Eeuw’. Iedere poging was mislukt en ten slotte hadden de Tyreners het maar opgegeven. Waarmee het voor Rhand zeker werd: Portaalstenen weerstonden elke poging hen te verplaatsen. ‘Er bevindt zich zo’n steen op ongeveer een uur rijden hiervandaan,’ vervolgde hij. ‘De Aiel vonden het goed dat de man vertrok, aangezien hij een marskramer was. Met één muilezel en net zoveel water als hij op zijn rug mee kon dragen. Op de een of andere manier wist hij een stedding in de Rug van de Wereld te bereiken. Hij ontmoette er ene Soran Milo, die een boek genaamd De doders van de zwarte sluier aan het schrijven was. De bewaarder heeft me een beschadigd exemplaar gebracht toen ik om boeken over de Aiel verzocht. Milo heeft zijn gegevens klaarblijkelijk allemaal opgedaan van Aiel die handeldreven met de stedding, en volgens Rhuarc heeft hij het allemaal verkeerd weergegeven, maar een Portaalsteen kan alleen maar een Portaalsteen zijn.’ Hij had andere kaarten en geschriften bekeken, tientallen, toen men aannam dat hij Tyr en de geschiedenis bestudeerde en het land wilde leren kennen. Niemand had ergens zijn plan uit kunnen opmaken, tot hij het zojuist verteld had.
Moiraine snoof en haar witte merrie Aldieb danste wat pasjes opzij toen zij de ergernis van haar berijdster aanvoelde. ‘Een aanname van een veronderstelde marskramer die beweert dat hij een gouden stad heeft gezien die in de wolken zweeft. Heeft Rhuarc die Portaalsteen gezien? Hij is echt in Rhuidean geweest. Zelfs als deze marskramer de Woestenij is ingetrokken en een Portaalsteen heeft gezien, had die overal kunnen staan. Een man die een verhaal vertelt, probeert het meestal te verfraaien in plaats van zich aan de feiten te houden. Een stad die in de wolken zweeft?’
‘Hoe weet je dat het niet zo is?’ zei hij. Rhuarc had flink gelachen om wat Milo over de Aiel had geschreven, maar over Rhuidean was hij niet zo luidruchtig geweest. Integendeel. De Aiel had niet eens willen spreken over de hoofdstukken die waarschijnlijk over Rhuidean gingen. Rhuidean ligt in het land van de Jenn Aiel, de stam die niet is. Dat was zo ongeveer het enige dat Rhuarc kwijt had gewild. Er werd niet over Rhuidean gesproken.
De Aes Sedai was niet echt blij met zijn luchtige opmerking, maar daar gaf hij niet veel om. Ze had al zoveel geheimen voor zichzelf gehouden, hem al zo vaak blindelings aan het lijntje gehouden. Het mocht ook weieens haar beurt zijn. Ze moest maar leren dat hij geen speelpop was. Ik neem haar raad aan wanneer ik denk dat het goed is, maar ik blijf niet aan de touwtjes van Tar Valon dansen. Hij zou op zijn eigen voorwaarden gaan sterven.
Egwene stuurde haar grijze paard naar hem toe tot hun knieën elkaar bijna raakten. ‘Rhand, ben je echt van plan ons leven te wagen op grond van een... veronderstelling? Rhuarc heeft je toch niets verteld, hè? Als ik Aviendha naar Rhuidean vraag, wordt ze zo gesloten als een bitternoot.’ Mart zag vaalbleek.
Rhand hield zijn gezicht nietszeggend en liet niets van schaamte blijken. Hij had zijn vrienden niet aan het schrikken willen maken. ‘Er is een Portaalsteen daar,’ hield hij vol. Hij wreef weer over de harde vorm in zijn buidel. Hiermee moest het lukken.
De kaarten van de bewaarder waren oud geweest, maar in zekere zin hielp dat. De grasvlakten waar ze nu op reden, waren wouden geweest toen de kaarten werden getekend, maar er waren slechts enkele bomen over, ver van elkaar staande wilde bosjes witeiken, pijnbomen en deernenhaar met hier en daar een hoge boom die hij niet kende, met kromme spichtige stammen. Hij kon de vorm van het land duidelijk herkennen, de heuvels, nu voornamelijk begroeid met hoog gras. Op de kaarten wezen twee hoge halfronde bergkammen die dicht bij elkaar lagen, naar een groepje ronde heuvels waar de Portaalsteen stond. Als de kaarten goed waren. Als de bewaarder zijn beschrijving inderdaad had herkend en het felgroene teken feitelijk oeroude bouwvallen aangaf, zoals hij beweerde. Waarom zou hij liegen? Ik word veel te achterdochtig. Nee, ik moet achterdochtig zijn. Even goed van vertrouwen als een adder en even kil. Maar hij vond het niet leuk. Naar het noorden toe kon hij nog net kale heuvels onderscheiden, met bewegende puntjes die paarden moesten zijn. De kudden van de hoogheren, grazend op de plek van de oude Ogiergaarde. Hij hoopte dat Perijn en Loial veilig waren weggekomen. Help ze, Perijn, dacht hij. Op de een of andere manier, help ze, omdat ik het niet kan. De Ogiergaarde betekende dat de gebogen bergkammen dichtbij moesten zijn en weldra zag hij ze iets verder naar het zuiden, als twee in elkaar stekende pijlen; spaarzame bomen op de top vormden een dunne lijn tegen de lucht. Daarachter gingen lagen ronde heuvels als met gras bedekte bollen in elkaar over. Meer heuvels dan de oude kaarten hadden aangegeven. Te veel, want het gebied omvatte minder dan een vierkante span. Als ze anders waren dan op de kaart stond, op welke helling was dan de Portaalsteen te vinden?
‘De Aiel zijn met velen,’ zei Lan kalm, ‘en ze hebben scherpe ogen.’ Met een dankbaar knikje wendde Rhand Jeade’en en liet zich terugzakken om Rhuarc het probleem voor te leggen. Hij beschreef alleen de Portaalsteen en zei niet wat het was. Daar was nog tijd genoeg voor wanneer die werd gevonden. Hij werd steeds beter in het bewaren van geheimen. Rhuarc had waarschijnlijk toch geen idee wat een Portaalsteen was. Dat wisten, afgezien van de Aes Sedai, maar weinigen. Ook hij had er nog nooit van gehoord tot Loial hem erover had verteld. Meelopend naast de vaalgrijze hengst fronste de Aielman lichtjes – bij de meeste andere mannen zou het een bezorgde grijns zijn geweest – en knikte toen. ‘We kunnen dat ding vinden.’ Hij verhief zijn stem. ‘Aethan Dor! Far Aldazar Din! Duadhe Mahdi’in! Far Dareis Mai! Seia Doon! Sha’mad Conde!’