Выбрать главу

Na zijn roep draafden de krijgers van de genoemde genootschappen naar voren tot ruim een kwart van de Aiel om hem en Rhand heen stond. Roodschilden, Broeders van de Adelaar, Waterzoekers, Speervrouwen, Zwartogen en Donderlopers.

Rhands ogen vielen op Egwenes vriendin, Aviendha, een lange, leuke vrouw met een trotse, strakke blik. De Speervrouwen waren zijn kamerwacht geweest, maar hij had haar volgens hem voor het vertrek van de Aiel uit de Steen nooit eerder gezien. Ze keek naar hem terug, zo trots als een groenooghavik, gooide toen het hoofd in de nek en richtte haar aandacht op het stamhoofd.

Nou ja, ik wilde weer gewoon zijn, dacht hij, een tikkeltje spijtig. De Aiel gunden hem dat in ieder geval. Ze schonken zelfs het stamhoofd slechts een hoffelijke aandacht, zonder iets van de ingewikkelde eerbied die een heer zou opwekken, en een natuurlijke gehoorzaamheid als tussen gelijken. Hij kon voor zichzelf nauwelijks meer verwachten. Met enkele woorden gaf Rhuarc zijn aanwijzingen en zijn toehoorders zwermden ontspannen rennend uit naar de groep heuvels, sommigen gesluierd voor het geval dat. De anderen wachtten, stonden stil of hurkten neer naast de beladen pakezels.

Bijna iedere stam was vertegenwoordigd, afgezien van de Jenn Aiel natuurlijk; Rhand kon er nooit geheel achter komen of de Jenn nou echt bestonden of niet. Zoals de Aiel over hen spraken, wat ze zelden deden, was het allebei mogelijk. Er waren hier zelfs enkele stammen die in een bloedvete met elkaar verkeerden en andere die onderling vochten. Dat had hij in ieder geval wel van hen opgestoken. Het was niet voor het eerst dat hij zich afvroeg wat hen tot op heden had verbonden. Alleen hun voorspellingen over de inname van de Steen en hun zoeken naar Hij die komt met de dageraad?

‘Nee, er is meer,’ zei Rhuarc, en Rhand besefte dat hij hardop had gedacht. ‘De Voorspelling stuurde ons over de Drakenmuur en onder de naam die niet wordt uitgesproken, trokken wij naar de Steen van Tyr.’ Hij doelde op ‘Volk van de Draak’, een geheime naam van de Aiel, die alleen stamhoofden en Wijzen kenden of gebruikten, en dan nog zelden en alleen onderling. ‘Wat er nog meer is? Geen mens mag natuurlijk het bloed van een andere krijger van hetzelfde genootschap vergieten, hoewel... de mengeling van Shaarad met Goshien, en Taardad en Nakai met Shaido... Zelfs ik zou met de Shaido de dans der speren hebben gedanst, als de Wijzen er niet voor hadden gezorgd dat iedereen die de Drakenmuur overstak een watereed zwoer om iedere Aiel aan deze kant van de bergen te behandelen als een krijger van het eigen genootschap. En zelfs die gluiperige Shaido...’ Hij haalde even zijn schouders op. ‘Begrijp je het? Het is niet gemakkelijk, zelfs niet voor mij.’

‘Zijn die Shaido vijanden van jullie?’ Rhand hakkelde met de naam, want in de Steen waren de Aiel als krijgsgenootschap opgetreden en niet als stam.

‘Wij hebben een bloedvete weten te vermijden,’ zei Rhuarc, ‘maar de Taardad en Shaido zijn nooit eikaars vrienden geweest. De sibben trekken op rooftocht uit bij elkaar en stelen geiten of vee. Maar de eden hebben ons allen weerhouden, ondanks drie bloedvetes en een tiental oude haatgevoelens tussen de stammen en de sibben. Het helpt nu ook, dat we naar Rhuidean terugkeren, zelfs al zullen sommigen ons eerder verlaten. Niemand mag het bloed vergieten van een reiziger naar of van Rhuidean.’ De Aielman keek op naar Rhand, zijn gelaat weer uitdrukkingsloos. ‘Het is mogelijk dat weldra niemand van ons meer elkaars bloed wil vergieten.’ Het viel niet te zeggen of hij dat vooruitzicht prettig vond.

Een jammerende roep werd hoorbaar van een van de Speervrouwen die boven op een heuvel met haar armen boven het hoofd zwaaide. ‘Het lijkt me dat ze je stenen zuil hebben gevonden,’ merkte Rhuarc op.

Moiraine pakte haar teugels op en keek Rhand vlak aan toen hij langs haar heen reed en Jeade’en driftig tot een galop aanspoorde. Egwene stuurde haar merrie tot naast Mart en boog zich met een hand aan de hoge zadelknop naar hem toe voor een gesprek onder vier ogen. Ze wilde dat hij haar iets vertelde, of iets toegaf, en aan Marts heftige gebaren te zien was hij of zo onschuldig als een zuigeling of zo leugenachtig als een paardendief.

Rhand sprong uit zijn zadel en stapte haastig de zachtglooiende helling op om te zien wat de Speervrouwe – het bleek Aviendha te zijn – half onder de grond en half verborgen achter hoog gras had gevonden. Een verweerde grijsstenen pilaar, minstens zes pas lang en een pas dik. Van boven tot onder stond hij vol vreemde tekentjes en rond elk daarvan liep een smalle streep met lijnen die naar hij aannam een soort schrift vormden. Het had niets uitgemaakt als hij de taal had kunnen lezen – als het schrift of zoiets was – de lijnen waren allang onleesbaar geworden. De merktekens kon hij wat beter onderscheiden. Sommige ervan. Vele hadden gewoon sporen van regen of wind kunnen zijn. Hij trok met handenvol plukken gras weg, zodat hij alles beter kon zien en wierp een blik op Aviendha. Ze had haar sjoefa op de schouders laten zakken, waardoor haar korte rossige haren zichtbaar werden, en ze stond hem met een vlak en hard gezicht aan te kijken. ‘Jij mag me niet,’ zei hij. ‘Waarom niet?’ Hij diende een bepaald merkteken te vinden, het enige dat hij kende.

‘Jou mogen?’ zei ze. ‘Misschien ben je Hij die komt met de dageraad, een man van de lotsbestemming. Wie mag zo iemand of heeft er een hekel aan? Afgezien daarvan, je loopt vrij rond, een natlander ondanks je gezicht, en je reist toch voor eer naar Rhuidean, terwijl ik...’

‘Terwijl ik wat...?’ vroeg hij toen ze zweeg. Langzaam zocht hij de stenen zuil naar boven af. Waar was het? Twee parallelle golflijnen die in een hoek werden doorsneden door een vreemd kriebeltje. Licht, als die op de onderkant staan, kost het ons een halve dag om de pilaar om te draaien. Opeens lachte hij. Niet zolang. Hij kon geleiden en het ding uit de grond optillen, of Moiraine of Egwene kon dat doen. Een Portaalsteen verzette zich mogelijk tegen een verplaatsing, maar omdraaien zou wel lukken. Het geleiden hielp hem echter niet de golflijntjes te vinden. Hij kon slechts overal op de steen voelen. De Aielvrouw antwoordde niet, maar hurkte gemakkelijk neer met haar korte speren op de knieën. ‘Je hebt Elayne slecht behandeld. Ikzelf geef er niet om, maar Elayne is een bijna-zuster van mijn vriendin Egwene. Maar Egwene houdt nog steeds van je, dus terwille van haar zal ik het proberen.’

Nog steeds de dikke zuil afzoekend, schudde hij het hoofd. Weer Elayne. Soms dacht hij dat alle vrouwen net als stadse ambachtslieden bij een gilde hoorden. Zet een van hen de voet dwars en de volgende tien gildeleden wisten ervan en keurden het af.

Zijn vingers stopten en keerden terug naar het stukje dat hij net had onderzocht. Het was zo sterk verweerd dat het bijna niet meer viel uit te maken, maar hij wist zeker dat het de golflijntjes waren. Die stelden de Portaalsteen op de Kop van Toman voor, niet die in de Aielwoestenij, maar ze konden hem vertellen wat de voet van de zuil was toen die nog rechtop stond. De merktekens stelden aan de top werelden en aan de voet Portaalstenen voor. Men nam aan dat hij met een merkteken op de top en een bij de voet kon reizen naar een bepaalde Portaalsteen in een bepaalde wereld. Met alleen het onderste teken kon hij een Portaalsteen van deze wereld bereiken. De Portaalsteen bijvoorbeeld nabij Rhuidean. Als hij tenminste het teken ervan kende. Dit was het moment dat hij geluk nodig had, dat hij als ta’veren het geluk moest aantrekken om hem terwille te zijn. Rhuarc wees hem over zijn schouder iets aan en zei weifelend: ‘Die twee worden in oudere geschriften voor Rhuidean gebruikt. Lang geleden, zelfs de naam werd niet geschreven.’ Hij gleed met zijn vingers over twee driehoekjes, ieder omringd door gevorkte bliksemschichten, de een naar links, de ander naar rechts wijzend. ‘Weet je wat dit is?’ vroeg Rhand. De Aielman keek opzij. ‘Bloedvuur, Rhuarc, ik moet het weten. Ik weet dat je er niet over wilt praten, maar je moet het mij zeggen. Vertel het me, Rhuarc, heb je ooit eerder zoiets gezien?’