Выбрать главу

De wereld leek een oogwenk lang uitgewist te worden.

23

Na de Steen

Egwene struikelde en sloeg haar armen om de nek van Mist, toen de grond onder haar schokte. Overal om haar heen hielden Aiel zich bezig met hun balkende, wankelende muilezels op een steile kale rotshelling. Een hitte die ze zich uit Tel’aran’rhiod herinnerde, beukte op haar neer. De lucht trilde in haar gezichtsveld, hete grond schroeide haar voeten door de zolen van haar schoenen heen. Haar huid prikte even pijnlijk, terwijl het zweet haar aan alle kanten uitbrak. Het maakte haar kleren heel even klam voor het snel verdampte. De opkrabbelende muilezels en lange Aiel maakten het haar moeilijk iets van de omgeving te zien, maar af en toe ving ze toch iets op. Een dikke grijze rotszuil stak op geen drie pas afstand uit de helling op, gladgeschuurd door rondwaaiend zand; er was niet meer aan te zien dat het ooit het evenbeeld van de Portaalsteen in Tyr was geweest. Woeste, steile bergen die met een dolle reuzenbijl leken te zijn uitgehouwen, lagen te koken onder een zinderende zon in een wolkeloze hemel. Toch hing er midden in de lange, barre vallei onder hen een dichte, rondrollende mistbank. Onder de verschroeiende zon had die zeker in enkele tellen moeten verdwijnen, maar de mist leek onveranderd rond te wervelen. Uit de mistflarden staken torentoppen, sommige spits, sommige stomp alsof de bouwers nog steeds aan het werk waren.

‘Hij had gelijk,’ mompelde ze stil. ‘Een stad in de wolken.’ Terwijl hij de leidsels van zijn ruin vastklemde stond Mart met grote ogen rond te staren. ‘We hebben het gehaald!’ lachte hij haar toe. ‘We hebben het gehaald, Egwene, en zonder die... Bloedvuur, we hebben het gehaald!’ Hij trok zijn hemdskoord bij de nek los. ‘Licht, wat is het heet. Bloedvuur, erger kan niet!’

Opeens besefte ze dat Rhand met gebogen hoofd op de grond knielde en met een hand steun zocht. Terwijl ze haar merrie meetrok, drong ze zich door de wanordelijke groep Aiel heen toen Lan hem hielp opstaan. Moiraine was er al en nam Rhand uiterlijk kalm op – slechts de kleine strakke rimpeltjes bij haar mondhoeken verrieden dat ze hem graag de les wou lezen.

‘Ik heb het klaargespeeld,’ hijgde Rhand om zich heen kijkend. Alleen de hand van de zwaardhand hield hem overeind; zijn gezicht stond vertrokken en uitgeput, als een man op zijn sterfbed. ‘Op het randje,’ zei Moiraine koeltjes. Heel koeltjes. ‘De angreaal was voor deze taak niet genoeg. Je moet dit geen tweede keer doen. Als je je geluk wilt proberen, moeten er reden voor zijn en een belangrijk doel. Anders...’

‘Ik vertrouw niet op geluk, Moiraine, Mart is daarvoor de grote man.’ Rhand strekte moeizaam de vingers van zijn rechterhand; de dikke kleine man op de angreaal had de punt van zijn zwaard in zijn huid gedrukt, midden in het reigerbrandmerk. ‘Misschien heb je gelijk. Misschien had ik er een nodig die wat sterker was. Een heel klein beetje, misschien...’ Hij lachte puffend. ‘Het werkte, Moiraine, en dat is belangrijk. Ik heb ze achter me gelaten. Het werkte.’

‘Dat is wat telt,’ beaamde Lan knikkend.

Egwene siste kwaad. Mannen. De een doodde zichzelf bijna en probeerde er een grapje van te maken en een ander vertelde hem dat hij het enig juiste had gedaan. Werden ze dan nooit volwassen? ‘De vermoeidheid na het geleiden is een ander soort moeheid,’ zei Moiraine. ik kan je er niet helemaal van afhelpen, zeker niet nu je zoveel hebt geleid als je net hebt gedaan, maar ik zal zien wat ik kan doen. Misschien zullen de laatste sporen je eraan doen denken in de toekomst wat voorzichtiger te doen.’ Ze was echt kwaad; er klonk duidelijk iets van voldoening in haar stem door.

De gloed van saidar omhulde de Aes Sedai toen ze haar handen om Rhands hoofd legde. Een trillende zucht ontsnapte hem en hij rilde onbeheerst, rukte zich van haar los en bevrijdde zich ook van Lans hulp. ‘Vraag het, Moiraine,’ zei Rhand kil terwijl hij de angreaal weer terugstopte in zijn beurs. ‘Eerst vragen. Ik ben geen schoothondje waarmee je kunt doen waar je zin in hebt.’ Hij wreef zijn handen over elkaar om het kleine druppeltje bloed weg te vegen. Weer siste Egwene boos. Kinderachtig en nog ondankbaar op de koop toe. Hij kon weer alleen staan, hoewel zijn ogen verrieden hoe uitgeput hij was en ze wist ongezien dat het kleine prikje op zijn handpalm was verdwenen of het er nooit was geweest. Door en door ondankbaar. Tot haar verrassing liet Lan niets van afkeuring over zijn houding tegen Moiraine merken.

Opeens drong het tot haar door dat de Aiel heel stil waren geworden, toen ze de muilezels hadden gekalmeerd. Ze keken behoedzaam om zich heen, niet naar het ravijn of naar de stad in de mist, die Rhuidean moest zijn, maar naar twee kampementen die een halve span verder naast elkaar lagen. De kampen bestonden uit tientallen lage tenten, aan één kant open, met een soort hoofdtent die tweemaal zo groot was. Ze stonden op een steile berghelling en gingen er bijna geheel in op, maar in ieder kamp waren de in grijs en bruin gestoken Aiel goed te zien. Ze droegen korte speren en hadden hun boog schietklaar in de hand terwijl ze zich sluierden, als ze dat nog niet gedaan hadden. Ze leken klaar voor een aanval, als katten die weg wilden springen. ‘Vrede in Rhuidean,’ riep een vrouwenstem vanaf de helling en Egwene kon voelen hoe de spanning bij hun groep Aiel verminderde. De Aiel bij de tenten maakten hun sluiers los, hoewel ze nog wel behoedzaam toekeken.

Ze zag dat er nog een derde, veel kleiner kampement hoger op een vlak deel van de berghelling stond met net zulke lage tenten. Uit dat kamp kwamen vier vrouwen aanlopen, onverstoorbaar en waardig in ruimvallende donkere rokken en losse witte hemden, met grijze of bruine sjaals om hun schouders, ondanks de hitte die Egwene een licht hoofd bezorgde, en veel ivoren of gouden halssnoeren en armbanden. Twee hadden door de zon gebleekt, wit haar, dat zo lang was dat het tot hun middel reikte, waarbij hun gezichten werden vrijgehouden door een opgerolde doek die om hun hoofd was gebonden. Egwene herkende een van de witharige vrouwen: Amys, de Wijze die ze in Tel’aran’rhiod had ontmoet. Opnieuw werd ze getroffen door de tegenstelling tussen de gebruinde gelaatstrekken en het sneeuwwitte haar; de Wijze leek lang niet zo oud. De tweede witharige vrouw had een rimpelig gezicht, als van een grootmoeder, en een van de anderen, met grijze lokken in het donkere haar, leek bijna even oud. Ze was er zeker van dat ze alle vier Wijzen waren, heel waarschijnlijk dezelfde vier vrouwen die de brief aan Moiraine hadden ondertekend. Op tien pas boven de groep rond de Portaalsteen bleven de Aielvrouwen staan en de grootmoeder stak haar handen op en sprak met een oude, maar krachtige stem: ‘De vrede van Rhuidean zij met jullie. Zij die naar Chaendaer komen, mogen in vrede naar hun veste terugkeren. Er zal geen druppel bloed op deze grond vallen.’

Daarna begonnen de Aiel uit Tyr zich te verspreiden, snel de lastdieren en de inhoud van de rieten manden verdelend. Ze hielden zich niet meer aan hun krijgsgenootschap; Egwene zag Speervrouwen met verschillende groepen weggaan, en sommigen gingen meteen de bergpaden op, waarbij ze elkaar en de kampen vermeden, vrede of geen vrede van Rhuidean. De anderen beenden naar een van de kampen, waar de wapens eindelijk niet meer dreigden.

Niet iedereen had onvoorwaardelijk op Rhuideans vrede vertrouwd. Lan liet het gevest van zijn zwaard in de schede los, hoewel Egwene niet had gezien dat hij zijn hand aan het zwaard had geslagen, en Mart stak haastig twee messen terug in zijn mouwen. Rhand had de duimen in zijn broekriem gehaakt, maar er lag duidelijk opluchting in zijn ogen. Egwene zocht Aviendha om haar iets te vragen voor ze Amys aansprak. De Aielvrouw zou in haar eigen land wel spraakzamer over de Wijzen zijn. Ze zag dat de Speervrouwe met een grote jutezak en twee opgerolde wandtapijten over haar schouder kordaat naar een van de kampen wilde stappen.

‘Jij blijft, Aviendha,’ zei de Wijze met de grijze lokken luid. Aviendha bleef stokstijf staan en keek niemand aan.