Egwene wilde naar haar toe, maar Moiraine mompelde: ‘Bemoei je er maar niet mee. Ik denk niet dat ze je medeleven wenst en ook niemand anders wil spreken.’
Egwene knikte onwillekeurig. Aviendha leek inderdaad liever alleen te zijn. Wat wilden de Wijzen van haar? Had ze een of andere regel overtreden? Een wet gebroken?
Ze zou zelf wat meer gezelschap op prijs hebben gesteld. Ze voelde zich erg onbeschermd, zo zonder hun groep Aiel, terwijl tussen de tenten heel veel Aiel toekeken. De Aiel in de Steen waren heel hoffelijk geweest, zij het niet echt vriendelijk; de toeschouwers leken het geen van beide. Het was heel verleidelijk saidar te omhelzen. Ze deed het niet omdat Moiraine rustig bleef, als altijd ernstig en koel, ondanks het zweet op haar gezicht, en omdat Lan even onverstoorbaar leek als de rotsen om hem heen. Zij zouden het wel weten als er gevaar dreigde. Zolang zij dit alles aanvaardden, zou zij het ook doen. Maar ze had liever gehad dat die Aiel ophielden met hun gestaar. Rhuarc klom glimlachend tegen de helling op. ik ben weergekeerd, Amys, zij het niet langs de door jou verwachte weg, neem ik aan.’ ik wist dat je vandaag hier zou zijn, schaduw van mijn hart.’ Ze raakte zijn wang aan en de bruine sjaal gleed langs haar armen omlaag.
‘Mijn zustervrouw zendt jou haar hart.’
‘Daar had je het over toen je Dromen noemde,’ zei Egwene zachtjes tegen Moiraine. Alleen Lan stond binnen gehoorsafstand. ‘Daarom vond je het goed dat Rhand ons met de Portaalsteen hierheen bracht. Zij wisten ervan en hebben je dat geschreven. Wacht even, dat kan niet. Als ze de Portaalsteen hadden genoemd, had je hem niet om willen praten dat plan te vergeten. Maar ze wisten dat we hier zouden komen.’
Moiraine knikte zonder haar ogen van de Wijzen af te wenden. ‘Ze schreven dat ze ons vandaag hier, op Chaendaer, zouden ontmoeten. Ik vond het... onwaarschijnlijk... tot Rhand de Portaalsteen noemde. Toen hij het zeker wist — ondanks dat ik het afraadde – en wist dat er hier een stond... Laten we het erop houden dat het opeens heel waarschijnlijk was dat we vandaag op Chaendaer zouden aankomen.’ Egwene haalde diep adem. Dus dit was een van de dingen die Dromers konden. Ze kon haast niet wachten het te leren. Ze wilde Rhuarc volgen en zich opnieuw aan Amys voorstellen, maar Rhuarc en Amys stonden elkaar diep in de ogen te kijken en sloten daarmee ieder ander buiten.
Twee mannen waren uit een kamp aan komen lopen. De een was lang en breedgeschouderd en had vlammend rood haar en was net geen jongeman meer; de ander was ouder en donker, zeker niet kleiner maar wel slanker. Ze bleven op enkele stappen aan beide kanten van Rhuarc en de Wijzen staan. De oudere man met zijn getaande gezicht droeg zo te zien geen wapens, afgezien van zijn mes in de riemschede, maar de ander droeg zijn speren en schild en hield zijn hoofd hoog, en hij keek met vurige trotse ogen naar Rhuarc.
Rhuarc negeerde zijn blik en wendde zich tot de oudere man. ik zie je, Heirn. Heeft een sibbehoofd besloten dat ik al dood ben? Wie zoekt mijn plaats in te nemen?’
‘Ik zie je, Rhuarc. Geen enkele Taardad heeft Rhuidean betreden, geen zoekt die plaats. Amys zei dat ze jou hier vandaag zou ontmoeten en de andere Wijzen zijn met haar meegereisd. Ik heb deze mannen van de Jindosibbe meegenomen om ervoor te zorgen dat ze hier veilig aankwamen.’
Rhuarc knikte plechtig. Egwene had het gevoel dat er zojuist iets belangrijks was gezegd, of aangeduid. De Wijzen keken niet naar de man met de rode haren en Rhuarc en Heirn deden het evenmin, maar aan de kleur op de wangen van die kerel te zien, hadden ze hem net zo goed strak aan kunnen kijken. Ze wierp een blik op Moiraine en zag hoe die even haar hoofd schudde; de Aes Sedai begreep het ook niet. Lan, die tussen hen in stond, boog voorover en zei zachtjes: ‘Een Wijze kan overal veilig heenreizen, elke veste van elke stam binnengaan. Ik denk dat zelfs een bloedvete een Wijze niet raakt. Deze Heirn is gekomen om Rhuarc tegen iemand uit een ander kamp te beschermen, maar het zou niet eervol zijn dat uit te spreken.’ Moiraine trok een wenkbrauw iets omhoog en hij voegde eraan toe: ‘Ik weet er niet veel van, maar ik heb vaak tegen ze gestreden voor ik jou ontmoette. Je hebt er nooit naar gevraagd.’
‘Dat zal ik snel herstellen,’ zei de Aes Sedai droogjes. Toen Egwene zich weer naar de Wijzen en de drie mannen wendde, duizelde het haar. Lan duwde een leren zak in haar handen en dankbaar spoot ze het water in haar mond. Het was lauw en rook naar leer, maar in deze hitte smaakte het even fris als de lente. Ze bood Moiraine de halflege zak aan, die zuinig dronk en de zak teruggaf. Met gesloten ogen goot Egwene tevreden de rest naar binnen. Water spatte over haar hoofd en ze keek snel om. Lan goot een andere leren waterzak over haar heen en Moiraines haren dropen al. ‘Deze hitte kan je dood zijn als je er niet aan gewend bent,’ legde de zwaardhand uit, terwijl hij een stel witlinnen doeken nat maakte die hij uit zijn jas had getrokken. Op zijn aanwijzingen bonden Moiraine en Egwene de kletsnatte doeken rond het voorhoofd. Rhand en Mart deden hetzelfde. Lan hield zijn hoofd onbedekt; niets leek deze man te deren.
De stilte tussen Rhuarc en de Aielmannen bleef hangen, tot het stamhoofd zich tot de man met het vlammend rode haar wendde. ‘Hebben de Shaido dan een stamhoofd nodig, Couladin?’
‘Suladric is dood,’ antwoordde de man. ‘Muradin is Rhuidean binnen gegaan. Indien hij faalt, zal ik binnentreden.’
‘Jij hebt de vraag niet gesteld, Couladin,’ zei de Wijze die op een grootmoeder leek, met haar ijle en toch krachtige stem. indien Muradin faalt, vraag het dan. We zijn met vier, voldoende voor een ja of nee.’
‘Het is mijn recht, Bair,’ zei Couladin boos. Hij leek geen man die tegenspraak wenste.
‘Het is je recht te vragen,’ antwoordde de vrouw met haar ijle stem. ‘Het is ons recht hierop te antwoorden. Ik denk niet dat jou zal worden toegestaan binnen te treden, ongeacht het wedervaren van Muradin. Je hebt een innerlijk feilen, Couladin.’ Ze schoof haar grijze sjaal omhoog en wikkelde die weer rond haar hoekige schouders alsof ze daarmee wilde aangeven dat ze meer dan het nodige had gezegd. Couladins gezicht werd rood. ‘Mijn eerstebroeder zal terugkeren met de tekenen van een stamhoofd en wij zullen de Shaido naar grote eer voeren. We zijn van plan...’ Met geweld perste hij zijn lippen op elkaar en stond bijna te trillen.
Egwene bedacht dat ze deze man altijd in de gaten zou houden als hij in de buurt was. Hij deed haar denken aan de Kongars en Kopins thuis, met hun grote monden en hun druktemakerij. Ze had echt nooit eerder een Aiel gezien die zoveel rauwe gevoelens zo openlijk toonde. Amys leek hem al te zijn vergeten. ‘Er is iemand met jou meegekomen, Rhuarc,’ zei ze. Egwene meende dat de vrouw haar bedoelde, maar Amys’ ogen schoten recht op Rhand af. Moiraine was duidelijk niet verbaasd en Egwene vroeg zich af wat er allemaal in de brief van de vier Wijzen had gestaan dat de Aes Sedai niet had verteld. Rhand leek even terug te schrikken, aarzelde, maar schreed toen de helling op en ging naast Rhuarc staan, waardoor hij de vrouwen recht in de ogen kon zien. Zijn bezwete hemd plakte aan zijn rug en er stonden donkere vlekken op zijn broek. Met een opgerolde witte doek rond zijn hoofd, zag hij er zeker niet zo indrukwekkend uit als in de Steen. Hij maakte een vreemde buiging, met een linkervoet naar voren, de linkerhand op de knie en de rechterhand met opgestoken palm naar boven.
‘Op grond van het recht van het bloed,’ zei hij, ‘vraag ik toestemming Rhuidean te betreden, voor de eer van onze voorvaderen en de herinnering aan wat is geweest.’
Zichtbaar verrast stond Amys met haar ogen te knipperen en Bair mompelde: ‘Een oeroude vorm, maar de vraag is gesteld. Ik antwoord ja.’ ik antwoord eveneens ja, Bair,’ zei Amys. ‘Seana?’
‘Deze man is geen Aiel,’ onderbrak Couladin boos. Egwene vermoedde dat hij bijna altijd boos was. ‘Zijn aanwezigheid op deze grond betekent voor hem de dood! Waarom heeft Rhuarc hem hierheen gevoerd? Waarom...’
‘Wens je een Wijze te worden, Couladin?’ vroeg Bair en een zware frons maakte haar rimpels nog dieper. ‘Als je een rok aantrekt en naar me toe komt, zal ik bezien of je geoefend kunt worden. Tot dan, wees stil wanneer de Wijzen spreken.’