Выбрать главу

‘Mijn moeder was een Aielvrouw,’ zei Rhand gespannen.

Egwene staarde hem aan. Kari Altor was gestorven toen Egwene nog maar amper uit de wieg was, maar als Thams vrouw Aiels was geweest, zou Egwene het zeker hebben gehoord. Ze wierp een blik op Moiraine; de Aes Sedai stond met een effen kalm gezicht toe te kijken. Door zijn lengte, zijn grijsblauwe ogen en zijn rossige haar, leek Rhand heel veel op een Aielman, maar dit was belachelijk. ‘Niet je moeder,’ zei Amys. ‘Je vader.’ Egwene schudde haar hoofd. Dit was op het waanzinnige af. Rhand wilde wat zeggen, maar Amys liet hem niet aan het woord komen. ‘Seana, hoe spreek jij je uit?’

‘Ja,’ zei de vrouw met de grijze lokken. ‘Melaine?’ De laatste van de vier, een knappe vrouw met rossig blond haar en zeker nog geen tien of vijftien jaar ouder dan Egwene, aarzelde. ‘Het moet gedaan worden,’ zei ze eindelijk en met tegenzin. ‘Ik antwoord ja.’

‘Je bent erkend,’ zei Amys tegen Rhand. ‘Je mag Rhuidean betreden en...’ Ze zweeg toen Mart opeens naar boven klauterde en onhandig Rhands buiging nabootste.

‘Ik vraag eveneens verlof Rhuidean binnen te gaan,’ zei hij bevend. De vier Wijzen staarden hem aan. Rhand keek verbaasd opzij. Egwene dacht dat zijzelf wel het meest geschokt zou zijn, maar Couladin bewees haar ongelijk. Met een grauw hief hij zijn speer en stak naar Marts borst.

De gloed van saidar omhulde Amys en Melaine en stromen Lucht tilden de man met het rode haar op en wierpen hem enkele passen omlaag.

Egwene stond met grote ogen toe te kijken. Ze konden geleiden. Twee van hen tenminste. Opeens vielen haar Amys’ jeugdige gladde gelaatstrekken onder die witte haren op en ze begreep dat het net zoiets was als bij een Aes Sedai. Moiraine hield zich doodstil, maar Egwene meende haar gedachten bijna te horen rondzoemen. Dit was overduidelijk voor de Aes Sedai een even grote verrassing als voor haar. Couladin krabbelde overeind maar bleef gehurkt zitten. ‘Jullie aanvaarden deze uitlander als een van ons,’ zei hij schor en wees op Rhand met de speer die hij tegen Mart had willen gebruiken. ‘Als jullie het zeggen, het zij zo. Hij is nog steeds een slappe natlander en Rhuidean zal hem doden.’ De speer zwaaide naar Mart, die onopvallend een mes in zijn mouw terug wilde stoppen. ‘Maar hij... voor hem betekent zijn aanwezigheid hier de dood. Het is een ontwijding als hij zelfs maar waagt Rhuidean te betreden. Alleen zij van het bloed mogen binnentreden. Niemand anders.’

‘Ga terug naar je tent, Couladin,’ zei Melaine koud. ‘En jij, Heirn. Jij eveneens, Rhuarc. Dit is een zaak van de Wijzen, niet van mannen, afgezien van hen die gevraagd zijn. Ga!’ Rhuarc en Heirn knikten en liepen pratend weg naar het kleinste tentenkamp. Couladin wierp een boze blik op Rhand en Mart en op de Wijzen, voor hij zich met een ruk omdraaide en wegbeende naar het grotere kamp. De Wijzen keken elkaar aan. Bezorgd, zou Egwene hebben gezegd, hoewel ze bijna even goed als Aes Sedai een nietszeggend gezicht konden opzetten.

‘Het is niet toegestaan,’ zei Amys uiteindelijk. ‘Jongeman, je weet niet wat je hebt gedaan. Ga met de anderen mee.’ Haar ogen gleden langs Egwene en Moiraine, langs Lan die nu alleen bij de paarden stond en de gladde Portaalsteen. Egwene zag niets van herkenning in haar blik. ‘Dat kan ik niet.’ Mart klonk wanhopig, ik ben tot hier gekomen, maar dat zal wel niet tellen, hè? Ik moet naar Rhuidean.’

‘Het is niet toegestaan,’ zei Melaine scherp en haar lange roodblonde haren zwierden rond toen ze haar hoofd schudde. ‘Jij hebt geen Aielbloed in je aderen.’

Rhand had de hele tijd Mart staan aankijken. ‘Hij gaat met mij mee,’ zei hij opeens. ‘Jullie hebben mij toestemming gegeven en hij kan met mij meekomen, of jullie nu nee zeggen of niet.’ Hij staarde de Wijzen strak aan, niet uitdagend, meer vastbesloten, vastberaden. Egwene herkende het in hem; hij zou, wat ze verder ook zeiden, zijn woorden niet meer terugtrekken.

‘Het is niet toegestaan,’ zei Melaine ferm tegen haar zusters. Ze trok haar sjaal op en bedekte haar hoofd. ‘De wet is duidelijk. Geen vrouw mag meer dan tweemaal Rhuidean betreden, geen man meer dan eenmaal, en absoluut niemand die niet het bloed van de Aiel bezit.’ Seana schudde haar hoofd. ‘Veel is aan het veranderen, Melaine. De oude gebruiken...’

‘Als hij degene is,’ zei Bair, ‘dan is de Tijd van Verandering daar. Op Chaendaer staan een Aes Sedai en Aan’allein in zijn vreemde mantel. Kunnen we nog steeds aan de oude gebruiken vasthouden? Wetend dat veel zal veranderen?’

‘Wij kunnen ze niet vasthouden,’ zei Amys. ‘Alles verkeert op de drempel van verandering. Melaine?’ De vrouw met de blonde haren keek naar de bergen om hen heen en naar de in mist gehulde stad onder hen, zuchtte en knikte toen. ‘Het is geschied,’ zei Amys, die zich weer naar Rhand en Mart wendde. ‘Jullie,’ begon ze en zweeg vervolgens. ‘Welke namen geef je jezelf?’

‘Rhand Altor.’

‘Mart. Mart Cauton.’

Amys knikte. ‘Jij, Rhand Altor, dient naar het hart van Rhuidean te gaan, naar het midden van het midden. Als je met hem mee wenst te gaan, Mart Cauton, het zij zo, maar weet dat de meeste mannen die het hart van Rhuidean betreden niet en sommigen krankzinnig wederkeren. Jullie mogen geen voedsel of water meenemen, ter gedachtenis aan onze zwerftocht na het Breken. Jullie dienen Rhuidean ongewapend te betreden, afgezien van je handen en je eigen hart om de Jenn te eren. Als jullie wapens hebben, leg ze dan op de grond voor je neer. Ze zullen hier bij jullie terugkeer zijn. Indien je terugkeert.’ Rhand trok zijn mes uit de riemschede en legde die voor Amys’ voeten neer, en voegde er na een korte aarzeling het groene stenen beeldje van de dikke kleine man aan toe. ‘Meer kan ik niet doen,’ zei hij. Mart begon met het mes aan zijn riem en bleef maar doorgaan, trok messen uit zijn mouwen en onder zijn jas vandaan, ook een achter uit zijn kraag, en bouwde een stapel op die zelfs op de Aielvrouwen indruk maakte. Hij leek klaar te zijn, keek de vrouwen aan, en haalde er toen nog twee uit zijn laarsschachten. ‘Die was ik vergeten,’ zei hij schouder ophalend met een grijns. De onverstoorbare blikken van de Wijzen deden zijn grijns snel verdwijnen.

‘Ze zijn Rhuidean gezworen,’ zei Amys vormelijk, over de hoofden van de jonge mannen heen kijkend, en de andere drie antwoordden gelijk. ‘Rhuidean behoort de doden.’

‘Ze mogen niet tot de levenden spreken tot zij wederkeren,’ zong Amys en weer antwoordden de anderen: ‘De doden spreken niet met de levenden.’

‘Wij zien hen niet, totdat zij wederom tussen de levenden staan.’ Amys trok haar sjaal over de ogen en een voor een volgden de andere drie haar voorbeeld. Met gesluierde gezichten zeiden ze in koor: ‘Ga heen van de levenden en val ons niet lastig met de herinneringen aan wat verloren is. Spreek niet over wat de doden zien.’ Toen zwegen ze, nog steeds met hun sjaals voor hun gezicht, en wachtten. Rhand en Mart keken elkaar aan. Egwene wilde naar hen toe lopen en met ze praten – ze hadden die gezichten met gespannen kaken die alle mannen hadden wanneer ze zich niet wilden laten kennen – maar dat zou deze plechtigheid kunnen verstoren.

Ten slotte begon Mart blaffend te lachen. ‘Nou, ik neem aan dat de doden wel met elkaar mogen spreken. Ik vraag me af of dit telt voor... Doet er niet toe. Denk je dat we erheen mogen rijden?’

‘Ik denk het niet,’ zei Rhand. ik denk dat we moeten lopen.’

‘Ach, bloedvuur aan mijn zere voeten. Nou, laten we er dan maar snel mee beginnen. We zullen al de halve middag nodig hebben om er te komen. Als we geluk hebben.’

Rhand wierp Egwene een geruststellende glimlach toe toen ze de berg afliepen, alsof hij haar wilde overtuigen dat er niets ongevaarlijks en niets toevalligs aan was. Mart grijnsde zoals hij anders deed als hij iets heel stoms deed, zoals die keer dat hij op de punt van het dak wilde gaan dansen.