Выбрать главу

‘Jij bent toch niet van plan iets... krankzinnigs te gaan doen, hè?’ vroeg Mart. ik ben van plan levend terug te komen.’ ik ook,’ gaf Rhand terug, ik ook.’

Ze verdwenen uit het gehoor van de vrouwen, werden kleiner en kleiner tijdens het afdalen. Toen ze tot kleine gestalten waren ingekrompen, nog maar amper herkenbaar waren als twee mensen, lieten de Wijzen hun sjaals zakken.

Egwene streek haar kleren goed en wou maar dat ze niet zo bezweet was. Ze stapte omhoog, Mist aan de hand meevoerend. ‘Amys? Ik ben Egwene Alveren. U zei me dat ik...’

Amys onderbrak haar door haar hand op te heffen en keek naar Lan, die Mandarb, Pips en Jeade’en meetrok, en Moiraine met Aldieb volgde. ‘Dit zijn vrouwenzaken, Aan’allein. U moet zich terugtrekken. Ga naar de tenten. Rhuarc zal u water en schaduw aanbieden.’ Lan wachtte op het kleine knikje van Moiraine voor hij na een buiging wegliep in de richting die Rhuarc had genomen. Door de van kleur veranderende mantel die op zijn rug hing, leken zijn hoofd en armen soms geen lijf te hebben en leek hij voor de drie paarden uit te zweven.

‘Waarom noemen jullie hem zo?’ vroeg Moiraine toen hij buiten gehoor was. ‘De ene man. Kent u hem?’

‘Wij weten van hem, Aes Sedai.’ Amys sprak de titel uit alsof ze iemand van gelijke stand aansprak. ‘De laatste van de Malkieri. De man die zijn oorlog tegen de Schaduw nooit zal opgeven, hoewel zijn land er reeds lang geleden aan ten prooi viel. Er is veel eer in hem. Ik wist van mijn droom, dat als u kwam, Aan’allein bijna zeker bij u zou zijn, maar ik wist niet dat hij u gehoorzaamde.’

‘Hij is mijn zwaardhand,’ antwoordde Moiraine eenvoudig.

Egwene meende dat de Aes Sedai ondanks haar woorden bezorgd was en ze wist waarom. Bijna zeker dat Lan met Moiraine mee zou komen? Lan volgde Moiraine altijd; hij zou haar zelfs tot in de Doemkrocht volgen zonder met z’n ogen te knipperen. Bijna even raadselachtig vond Egwene de woorden ‘als u kwam’. Hadden de Wijzen haar komst nou geweten of niet? Misschien was droomduiding niet zo eenvoudig als ze had gehoopt. Ze wilde het net vragen, toen Bair sprak. ‘Aviendha? Kom hier.’

Aviendha had troosteloos op haar hurken gezeten, met de armen rond haar knieën en naar de grond starend. Ze stond langzaam op. Als Egwene niet beter had geweten, zou ze denken dat de andere vrouw bang was. Aviendha’s voeten leken niet mee te willen, toen ze naar de Wijzen klom en haar zak en de opgerolde wandkleden naast zich neerzette.

‘Het is tijd,’ zei Bair niet onvriendelijk. Toch lag er geen enkele welwillendheid in haar lichtblauwe ogen. ‘Je hebt de speer nu lang genoeg gedragen. Langer dan je zou moeten.’

Aviendha hief uitdagend haar hoofd. ‘Ik ben een Maagd van de Speer. Ik wil geen Wijze zijn. Ik wil het niet worden.’

De gezichten van de Wijzen verstrakten. Egwene moest aan de vrouwenkring thuis denken, die een vrouw met een dwaas plan ging toespreken.

‘Jij bent zachter behandeld dan ik in mijn dagen,’ zei Amys met een stem als van steen. ‘Ook ik weigerde toen ik werd geroepen. Mijn speerzusters braken mijn speren voor mijn eigen ogen. Ze droegen me in mijn blote vel, geboeid aan handen en voeten, naar Bair en Coedelin.’

‘En met een leuk speelpopje onder je arm,’ zei Bair droog, ‘om je eraan te herinneren dat je ontzettend kinderachtig deed. Als ik me goed herinner liep je die eerste maand negen keer weg.’ Amys knikte grimmig. ‘En jullie zorgden er iedere keer voor dat ik zat te janken als een kind. De tweede maand liep ik maar vijf keer weg. Ik dacht dat ik net zo sterk en hard was als elke andere sterke vrouw. Maar ik was niet zo slim; het kostte me een halfjaar voor ik had geleerd dat jullie sterker en taaier waren dan ik ooit kon zijn, Bair. Uiteindelijk leerde ik mijn plichten, mijn verplichtingen aan het volk. Zoals jij het zult leren, Aviendha. Mensen als jij en ik hebben die verplichting. Je bent geen kind. Het is de hoogste tijd de poppen op te bergen – en de speer – en de vrouw te worden die je zijn zult.’ Opeens wist Egwene waarom ze zich vanaf het begin zo verwant aan Aviendha had gevoeld, en waarom Amys en de anderen wilden dat Aviendha een Wijze werd. Aviendha kon geleiden. Net als zijzelf, Nynaeve en Elayne – en natuurlijk Moiraine – was zij een van die zeldzame vrouwen die het geleiden niet alleen konden aanleren, maar die deze gave was aangeboren, zodat zij uiteindelijk de Ware Bron zouden aanraken, of ze nu wist wat ze deed of niet. Moiraines gezicht stond rustig en kalm, maar Egwene zag de bevestiging in haar ogen. De Aes Sedai had het vanaf het eerste begin zeker geweten toen ze Aviendha voor het eerst had ontmoet. Egwene besefte dat ze dezelfde verwantschap met Amys en Melaine kon voelen. Maar niet met Bair en Seana. Alleen de eerste twee waren geleidsters, dat wist ze zeker. Nu kon ze hetzelfde in Moiraine voelen. Ze voelde het voor het eerst. De Aes Sedai was een afstandelijke vrouw.

Minstens twee van de Wijzen lazen blijkbaar meer in Moiraines gezicht. ‘Je was van plan haar naar jullie Witte Toren te brengen,’ zei Bair, ‘om haar een van jullie te maken. Ze is van de Aiel, Aes Sedai.’

‘Ze kan heel sterk worden als ze behoorlijk wordt geoefend,’ kaatste Moiraine terug. ‘Even sterk als Egwene. In de Toren kan ze die kracht bereiken.’

‘Ook wij kunnen haar alles bijbrengen, Aes Sedai.’ Melaines stem was redelijk vlak, maar de verachting viel in haar onverschrokken groene ogen te bespeuren. ‘Beter nog. Ik heb met Aes Sedai gepraat. Jullie vertroetelen vrouwen in de Toren. Het Drievoudige Land is geen plaats voor vertroeteling. Aviendha zal leren wat ze kan, terwijl jullie haar nog laten spelen.’

Egwene keek Aviendha bezorgd aan; haar vriendin keek strak naar haar voeten en had haar verzet opgegeven. Als zij vonden dat de lessen in de Toren de Novices vertroetelden... Ze had daar harder en gehoorzamer moeten werken dan ooit tevoren. Ze voelde een flits van medelijden met de Aielvrouw.

Amys stak haar handen uit en met tegenzin overhandigde Aviendha haar de speren en het schild. Toen de Wijze ze kletterend op de grond smeet, kromp Aviendha in elkaar. Langzaam liet Aviendha de hoes met haar boog van de rug glijden en gaf die aan Amys; daarna gespte ze de riem los met de pijlkoker en mes. Amys pakte telkens het gebodene aan en gooide het opzij alsof het afval was. Iedere keer bezorgde het Aviendha een kleine schok. In de hoekjes van haar blauwgroene ogen trilde een traan.

‘Moet u haar echt zo behandelen?’ wilde Egwene boos weten. Amys en de anderen keken haar leeg aan, maar ze wilde zich niet laten afbluffen. ‘U behandelt de dingen waar ze veel om geeft als afval.’

‘Ze moet ze zien als afval,’ zei Seana. ‘Wanneer zij terugkeert – indien zij terugkeert – zal zij alles verbranden en de as verspreiden. Het metaal zal ze aan een smid geven om er eenvoudige dingen van te maken. Geen wapens. Zelfs geen keukenmes. Gespen, potten of kinderspeeltjes. Die dingen zal ze met haar eigen handen weggeven wanneer ze klaar zijn.’

‘Het Drievoudige Land is niet zacht, Aes Sedai,’ zei Bair. ‘Zachtheid sterft hier.’

‘De cadin’sor, Aviendha.’ Amys gebaarde naar de weggegooide wapens. ‘Bij terugkeer zullen je nieuwe kleren op je liggen wachten.’ Houterig en niets ziend kleedde Aviendha zich uit en gooide jas, broek, zachte laarzen en al het andere op de stapel. Naakt bleef ze voor de Wijzen staan, zonder een teen op te tillen, terwijl Egwene meende dat op haar eigen voeten de brandblaren al opkwamen, ondanks haar laarzen. Ze herinnerde zich nog hoe haar eigen kleren in de Witte Toren waren verbrand, het doorsnijden van de banden met haar vroegere leven, maar zoals hier was het niet gegaan. Niet zo streng. Toen Aviendha de zak en de rollen wandkleden op de stapel wilde leggen, nam Seana ze van haar over. ‘Deze mag je houden. Als je terugkeert. Zo niet, dan zullen ze aan je familie worden gegeven, ter herinnering.’

Aviendha knikte. Ze leek niet bang. Terughoudend, boos, zelfs verdoofd, maar niet bang.

‘In Rhuidean zul je drie ringen vinden, in deze vorm.’ Amys schetste drie cirkels in de lucht die elkaar in het midden raakten. ‘Stap door een van die ringen naar binnen. Je zult de toekomst voor je zien, telkens herhaald, telkens anders. Ze zullen je niet altijd langs de beste paden leiden, want ze zullen alle vervagen, zoals verhalen van lang geleden. Je zult je er echter genoeg van herinneren om te weten dat iets zo dient te zijn, voor jou, hoe minderwaardig misschien ook, en dat iets niet mag zijn, hoezeer je dat ook wenst. Dit is het begin van wat wijs kan worden genoemd. Sommige vrouwen keren nooit uit de ringen terug; wellicht konden ze hun toekomst niet onder ogen zien. Sommigen die de ringen overleefden, overleven niet hun tweede tocht naar het hart van Rhuidean. Je geeft een hard en gevaarlijk leven niet op voor een milder leven, maar voor een nog harder en nog gevaarlijker leven.’ Een ter’angreaal. Amys had een ter’angreaal beschreven. Wat was dat voor een plek, dat Rhuidean? Egwene merkte dat ze er zelf graag heen wilde om dat te ontdekken. Dat was dwaas. Ze was niet hierheen gekomen om onnodig gevaar te lopen met een ter’angreaal waar ze niets van wist.