Выбрать главу

Een knappe jonge dienaar sprong naar voren en hield haar een bleekgroen gewaad voor dat de schitterende veren van de vreugdevogel droeg. Ze strekte haar armen uit voor het gewaad en zag hem evenmin als het hoopje stof naast haar fluwelen muiltje. Om die verontschuldiging te vermijden moest ze opnieuw in bezit nemen wat duizend jaar geleden verloren was gegaan. En daarom diende ze af te rekenen met de man die volgens haar verspieders beweerde de Herrezen Draak te zijn. Als ik geen manier vind om met hem af te rekenen, zal het ongenoegen van de keizerin mijn minste zorg zijn. Ze draaide zich sierlijk om en liep de grote, aan het terras grenzende kamer in, waarvan de buitenwand geheel uit deuren en hoge vensters bestond om de bries binnen te laten. Het lichte hout binnen, dat glad en glanzend was als satijn, vond Suroth aangenaam, maar de meubels van de vroegere Atha’an Miere-bestuurder van Cantorij had ze laten verwijderen. In plaats daarvan waren enkele grote schermen geplaatst, de meeste beschilderd met bloemen of vogels. Twee ervan waren anders. Het ene toonde een grote gevlekte kat van de Sen T’jore, zo groot als een klein paardje. Het andere was een zwarte bergarend met rechtopstaande pluimen als een bleke kroon en vleugels met sneeuwwitte punten die een reikwijdte toonden van wel zeven voet. Zulke schermen werden als grof beschouwd, maar Suroth hield van dieren. Omdat ze haar dierentuin niet over de Arythische Oceaan mee had kunnen nemen, had ze deze schermen laten maken, met afbeeldingen van haar twee meest geliefde dieren. Zij liet zich nimmer door hindernissen dwarsbomen.

Drie vrouwen wachtten op haar zoals ze hen had achtergelaten; twee ervan geknield en één plat voorover liggend op de tapijtloze, gewreven vloer met zijn ingelegde patronen van licht en donker hout. De geknielde vrouwen droegen het donkerblauwe gewaad van een sul’dam, waarvan het lijfje en de zijkanten van de rok versierd waren met rode cirkels waarop zilveren bliksemschichten waren geborduurd. Een van hen, Alwhin, met blauwe ogen en scherpe gelaatstrekken, die altijd boos leek te kijken, had de linkerkant van haar hoofd geschoren. De rest van haar haren reikten in een lichtbruine vlecht tot aan haar schouder.

Even vertrok Suroths mond bij het zien van Alwhin. Nimmer was een sul’dam verheven tot de so’jhin, de erfelijke hoge dienaren van het Bloed, laat staan tot de Stem van het Bloed. Maar in Alwhins geval waren er redenen geweest. Alwhin wist te veel.

Suroths aandacht ging echter vooral uit naar de vrouw met de gewone donkergrijze kleren die plat op de vloer lag. Een brede halsband van zilverkleurig metaal omsloot haar nek; van de halsband liep een glimmende leiband naar een armband van hetzelfde materiaal rond de pols van de tweede sul’dam, Taisa. Door middel van de lijn en de halsband, de a’dam, kon Taisa de in het grijs geklede vrouw beteugelen. En ze moest beteugeld worden. Ze was een damane, een vrouw die kon geleiden, en dus te gevaarlijk om vrij rond te laten lopen. In Seanchan waren de herinneringen aan de Legers van de Nacht nog steeds sterk, duizend jaar na hun vernietiging.

Suroths ogen gleden onbehaaglijk over de twee sul’dam. Eigenlijk vertrouwde ze geen enkele sul’dam meer, maar ze had geen keus en moest wel. Niemand anders kon de damane beheersen, en zonder de damane... Het idee alleen al was ondenkbaar. De macht van Seanchan, de macht van de Kristallen Troon zelfs, was gegrondvest op beteugelde damane. Er waren te veel zaken waarin Suroth geen enkele keus had. Zoals Alwhin, die keek alsof ze haar hele leven al so’jhin was geweest. Nee, alsof ze van het Bloed zelfwas en alleen uit eigen verkiezing neerknielde.

‘Pura.’ De damane heette anders, toen ze een gehate Aes Sedai was, voordat ze in handen viel van de Seanchanen, maar Suroth kende die naam niet en gaf er niet om. De vrouw verstrakte, maar hief het hoofd niet op; ze had een harde les geleerd, ik vraag het nogmaals, Pura, hoe beheerst de Witte Toren deze man, die zichzelf de Herrezen Draak noemt?’

De damane verdraaide haar hoofd een klein beetje, genoeg om een angstige blik op Taisa te werpen. Als haar antwoord niet beviel, kon de sul’dam met de a’dam haar pijnigen zonder een vinger uit te steken. ‘De Toren zou een valse Draak niet willen leiden, hoogvrouwe,’ zei Pura ademloos. ‘Zij zouden hem vangen en stillen.’ Taisa keek verontwaardigd de hoogvrouwe aan. Het antwoord had Suroths vraag ontweken en er had misschien in door geklonken dat iemand van het Bloed onwaarheid had gesproken. Suroth schudde even het hoofd, niet meer dan een kleine beweging naar opzij – ze wilde niet wachten op het herstel van de damane – en Taisa boog berustend haar hoofd.

‘Nog één keer, Pura, wat weet je van Aes Sedai...’ – Suroths mond verwrong zich alsof ze iets onreins proefde en Alwhin gromde van afkeer – ‘... Aes Sedai en hulp aan die man? Ik waarschuw je. Onze krijgslieden hebben in Falme tegen vrouwen van de Toren gestreden, vrouwen die de Kracht geleidden, dus ontken het maar niet.’

‘Pura... Pura weet het niet, hoogvrouwe.’ De stem van de damane klonk zowel gehaast als onzeker; ze waagde een tweede angstige blik op Taisa. Ze wilde duidelijk wanhopig graag geloofd worden. ‘Misschien... Misschien de Amyrlin of de Zaal van de Toren... Nee, dat zouden zij niet doen. Pura weet het niet, hoogvrouwe.’

‘De man kan geleiden,’ zei Suroth kortaf. De vrouw op de vloer kreunde, hoewel ze het al eerder van Suroth had gehoord. Die woorden deden ook Suroths maag verkrampen, maar ze liet het niet merken. Verschillende gebeurtenissen op Falme konden niet worden toegeschreven aan geleidsters. Damane konden dat aanvoelen, en de sul’dam met de armband wist altijd wat haar damane voelde. Dat betekende dat ér een man in het spel was. Het betekende ook dat hij ongelooflijk machtig was. Zo machtig dat Suroth zichzelf een paar maal verontrust had afgevraagd of hij echt de Herrezen Draak was. Dat kan niet, vermaande ze zich bestraffend. Het maakte in ieder geval geen verschil voor haar plannen, ik kan onmogelijk aannemen dat de Witte Toren een dergelijke man vrij laat rondlopen. Hoe leiden zij hem?’ De damane lag stil met haar gezicht op de vloer. Ze huilde met schokkende schouders.

‘Geef de hoogvrouwe antwoord!’ zei Taisa scherp. Ze maakte geen beweging maar Pura hijgde en kromp ineen alsof ze een klap op haar rug had gekregen. Een slag die door de a’dam was toegediend. ‘P-Pura weet het n-niet.’ De damane strekte aarzelend haar hand uit, alsof ze Suroths voet wilde aanraken. ‘Alstublieft. Pura heeft geleerd te gehoorzamen. Pura spreekt slechts de waarheid. Straf Pura alstublieft niet.’

Suroth deed kalm een stapje achteruit zonder haar geprikkeldheid te tonen. Dat ze door een damane gedwongen werd om zich te bewegen! Dat ze bijna aangeraakt kon worden door iemand die kon geleiden! Ze voelde de behoefte aan een bad, alsof ze inderdaad was aangeraakt. Taisa’s donkere ogen puilden bijna uit van verontwaardiging over de onbeschaamdheid van haar damane. Haar wangen waren vuurrood van schaamte, dat dit gebeurde terwijl zij de armband droeg. Ze leek verscheurd te worden tussen het verlangen zichzelf naast de damane neer te werpen en om vergeving te smeken en de vrouw onmiddellijk te straffen. Alwhin keek minachtend en met dunne lippen toe. Iedere lijn van haar gezicht gaf aan dat zulke dingen niet gebeurden als zij de armband droeg.

Suroth verhief één vinger en maakte een kleine beweging die iedere so’jhin van jongs af aan kende: een eenvoudige heenzending. Alwhin aarzelde even voor ze de betekenis begreep, en in een poging haar fout ongedaan te maken verhaalde ze haar aarzeling ruw op Taisa. ‘Laat dit... wezen uit de ogen van hoogvrouwe Suroth verdwijnen. En als je haar gestraft hebt, ga dan naar Surela en vertel haar dat je jouw lastelinge beheerst als een nieuwelinge. Zeg haar dat je...’ Suroth sloot Alwhins stem buiten. Dat was niet haar bevel geweest, alleen het wegzenden, maar een ruzie tussen sul’dam was beneden haar. Ze vroeg zich af of Pura iets had kunnen verzwijgen. Haar verspieders berichtten dat de vrouwen van de Witte Toren beweerden dat ze niet konden liegen. Ze hadden Pura nooit kunnen dwingen een simpele leugen te uiten, zoals dat een witte sjaal zwart was, maar dat gaf niet de doorslag. Sommigen geloofden de tranen van een damane, of haar verweer dat ze zelfs onder de grootste dwang van hun sul’dam niet kon liegen, maar zulke mensen zouden nooit de Terugkeer kunnen leiden. Pura zou nog een restje wilskracht kunnen bezitten, zou slim genoeg kunnen zijn om gebruik te maken van het geloof dat ze niet kon liegen. Geen enkele beteugelde geleidster van het vasteland was volmaakt gehoorzaam of betrouwbaar, in tegenstelling tot de damane uit Seanchan. Geen van hen aanvaardde ooit geheel wat ze waren, zoals de Seanchaanse damane. Wie kon zeggen welke geheimen zo’n Aes Sedai verborgen hield?