Melaine pakte Aviendha’s kin beet en dwong het meisje haar aan te kijken. ‘Jij hebt de kracht,’ zei ze met kalme overtuiging. ‘Een sterke geest en een sterk hart zijn nu je wapens, maar je dient ze even slagvaardig bij de hand te hebben als je vroegere speren en wapens. Denk eraan, gebruik ze en ze zullen je door alles heen helpen.’ Egwene was verbaasd. Van het viertal zou ze amper hebben verwacht dat juist de vrouw met haar door de zon gebleekte haren medeleven kon tonen.
Aviendha knikte en wist zelfs een glimlach op te brengen, ik ga die mannen naar Rhuidean inhalen. Zij kunnen niet rennen.’ Elke Wijze gaf haar een lichte kus op de wang en mompelde: ‘Keer naar ons terug.’
Egwene greep Aviendha’s hand, drukte die en kreeg een kneepje terug. Toen rende de Aielvrouw met grote sprongen de berghelling af. Zo zou ze inderdaad Rhand en Mart inhalen. Egwene keek haar bezorgd na. Het leek of dit net zoiets was als haar verheffing tot Aanvaarde, maar zonder de lessen voor Novices vooraf, zonder iemand die je daarna even troostte. Hoe zou het zijn geweest als zij op haar eerste dag in de Toren tot Aanvaarde zou zijn verheven? Ze dacht dat ze gek zou zijn geworden. Nynaeve was het overkomen, omdat ze zo sterk was, maar ze dacht wel dat Nynaeves afkeer van Aes Sedai gedeeltelijk werd veroorzaakt door haar verheffing tot Aanvaarde. Keer naar ons terug, dacht ze. Wees standvastig.
Toen Aviendha uit het gezicht verdween, wendde Egwene zich met een zucht tot de Wijzen. Zij was hier voor zichzelf en uitstel zou niemand helpen. ‘Amys, u hebt me in Tel’aran’rhiod verteld dat ik naar u toe moest komen om het te leren. Hier ben ik.’
‘Haast,’ zei de witharige vrouw. ‘We hebben zoveel haast gemaakt, omdat Aviendha zo lang tegen haar toh heeft gestribbeld, omdat we vreesden dat de Shaido zich zouden sluieren, zich zelfs hier zouden sluieren als we Rhand Altor niet naar Rhuidean hadden gestuurd voor ze iets konden bedenken.’
‘Gelooft u dat ze hem willen doden?’ vroeg Egwene. ‘Maar hij is de man die uw mensen achter de Drakemuur moesten vinden: Hij die komt met de dageraad.’
Bair schikte haar sjaal goed. ‘Misschien is hij dat. We zullen zien. Indien hij leeft.’
‘Hij heeft zijn moeders ogen,’ zei Amys. ‘En ook zijn gezicht lijkt sterk op haar, maar hij heeft ook iets van zijn vader. Couladin keek alleen naar de kleren en het paard. De andere Shaido zouden dat ook hebben gedaan, misschien zelfs de Taardad. Uitlanders worden op deze grond niet toegelaten en nu staan er wel vijf. Nee vier, Rhand Altor is geen uitlander, waar hij ook opgroeide. Maar we hebben reeds toegestaan dat iemand die het verboden is, Rhuidean betreedt. De verandering komt als een lawine omlaag, of we het wensen of niet.’
‘Het moet komen,’ zei Bair, maar ze klonk niet blij. ‘Het Patroon plaatst ons waar het wenst.’
‘Hebt u Rhands ouders gekend?’ vroeg Egwene voorzichtig. Ondanks hun woorden dacht ze nog steeds bij Rhands ouders aan Tham en Kari Altor.
‘Dat verhaal behoort hem,’ zei Amys, ‘als hij het wenst te horen.’ Ze klemde haar lippen zo strak op elkaar dat ze er blijkbaar niets meer over wilden zeggen.
‘Kom mee,’ zei Bair. ‘We hoeven ons nu niet meer te haasten. Kom. We bieden jullie water en schaduw aan.’
Egwene zakte bijna door haar knieën toen het woord ‘schaduw’ werd genoemd. Haar hoofddoek, zojuist nog doorweekt, was bijna droog, haar kruin voelde aan of die gebakken werd en het overige voelde al niet minder heet. Moiraine wilde al even dankbaar de Wijzen naar een van die lage tenten zonder zijkanten volgen.
Een lange man op sandalen en in een witte mantel met kap nam de teugels van hun paarden over. Zijn Aielgezicht met neergeslagen ogen leek vreemd in de diepe, zachte kap.
‘Geef de dieren water,’ zei Bair voor ze gebukt de lage tent instapte en de man maakte een buiging naar haar rug waarbij hij zijn voorhoofd aanraakte.
Egwene aarzelde voor ze Mist aan de man overliet. Hij leek zelfverzekerd maar wat wist een Aiel van paarden? Maar ze dacht niet dat hij slecht voor de paarden zou zijn en onder het tentdoek leek het heerlijk donker. Dat was het, en verrukkelijk koel vergeleken met buiten. Het dak van de tent liep in een punt omhoog, maar zelfs in het midden kon je nauwelijks staan. Alsof hier de grauwe Aielkleuren goedgemaakt moesten worden, lagen overal grote rode kussens met gouden kwasten in het rond op vele lagen fel gekleurde tapijten, zodat ze wat gemakkelijker op de harde grond konden zitten. Egwene en Moiraine bootsten de Wijzen na: ze lieten zich op de kleden zakken en steunden met hun elleboog op een kussen. Ze zaten allemaal in een kring, zo dicht bij elkaar dat ze elkaar konden aanraken. Bair sloeg op een kleine koperen gong en twee jonge vrouwen in grote, witte kapmantels kwamen binnen met zilveren schalen. Ze maakten met neergeslagen ogen een sierlijke buiging, net als de man die de paarden had weggeleid. In het midden neerknielend vulde de ene vrouw een kleine zilveren nap met wijn voor elke vrouw in de kring en de andere vulde grotere bekers met water. Zwijgend liepen ze buigend achterwaarts de tent uit en lieten de glanzende bladen en kannen, parelend van beslagen druppels achter.
‘Hier is water en schaduw,’ zei Bair, die haar beker water ophief, ‘vrijelijk gegeven. Laat er geen verplichtingen tussen ons bestaan. Allen hier zijn welkom, zoals eerstezusters welkom zijn.’
‘Laten er geen verplichtingen zijn,’ mompelden Amys en de twee anderen haar na. Na een teugje water stelden de Aielvrouwen zich vormelijk voor. Bair, van de Haidosibbe van de Shaarad Aiel. Amys, van de Negendalensibbe van de Taardad Aiel, Melaine van de Jhiradsibbe van de Goshien Aiel. Seana van de Zwartrotssibbe van de Nakai Aiel. Egwene en Moiraine volgden het ritueel, al verstrakte Moiraines mond toen Egwene zich voorstelde als een Aes Sedai van de Groene Ajah. Alsof vanaf het delen van het water en het voorstellen een muur was afgebroken, veranderde de stemming in de tent voelbaar. De Aielvrouwen glimlachten en ontspanden zich bijna onmerkbaar nadat het vormelijke welkom was afgehandeld.
Egwene was dankbaarder voor het water dan voor de wijn. Misschien was het in de tent koeler dan erbuiten, maar zelfs ademhalen droogde haar keel al uit. Toen Amys een gebaar maakte, schonk ze gretig een tweede beker in.
De mensen in het wit waren een verrassing geweest. Het was dom, maar ze had verwacht dat met uitzondering van de Wijzen iedereen op Rhuarc of Aviendha zou lijken, op krijgers. Natuurlijk hadden ze smeden, wevers en andere ambachtslieden. Dus waarom geen bedienden? Maar Aviendha was heel neerbuigend geweest over de bedienden in de Steen en liet hen niets doen als ze het maar enigszins kon vermijden. Deze nederige dienaren gedroegen zich helemaal niet als een Aiel. Ze herinnerde zich niet of ze iemand in het wit in de twee grotere kampen had gezien. ‘Hebben alleen Wijzen bedienden?’ vroeg ze.
Melaine verslikte zich in de wijn. ‘Bedienden?’ slikte ze. ‘Het zijn gai’shain, geen bedienden.’ De manier waarop ze dat zei, behoorde alles te verklaren.
Moiraine keek fronsend over haar nap met wijn heen. ‘Gai’shain? Hoe moet ik dat vertalen? Zij die in de strijd vrede gezworen zijn?’