Выбрать главу

24

Rhuidean

De gladde kiezel in Marts mond leverde geen druppeltje speeksel meer op – eigenlijk al heel lang niet meer. Hij spoog hem uit, hurkte naast Rhand neer en staarde naar de kolkende grijze muur die zo’n dertig pas voor hen lag. Mist. Hij hoopte dat het daar tenminste wat koeler zou zijn dan hier. En een slok water zou hij ook wel waarderen. Zijn lippen waren gebarsten. Hij trok de sjaal van zijn hoofd af en veegde zijn gezicht droog, maar de doek werd amper klam van het zweet. Hij had niet zoveel meer uit te zweten. Een plekje om te zitten. Zijn voeten in de laarzen voelden aan als gebakken worst; hij voelde zich feitelijk helemaal doorbakken. De mist strekte zich naar links en rechts ruim een span ver uit en wolkte als een oprijzende rotswand boven hem uit. Een rotswand van dikke mist midden in een geblakerd dal. Daarbinnen moest toch water zijn te vinden.

Waarom brandt de zon het niet weg? Daar dacht hij liever niet over na. Zijn spelletje met de Ene Kracht had hem hierheen gevoerd en nu leek het alsof hij een nieuw spel moest spelen. Licht, ik wil van de Kracht en Aes Sedai af. Bloedvuur, niets liever dan dat! Gebeurde er maar iets waardoor hij hier wat langer kon blijven en niet die mist in hoefde te stappen. ‘Het was écht die Aielvriendin van Egwene die ik zag rennen,’ kraste zijn stem. Rennen! In deze hitte. De gedachte alleen al maakte de pijn aan zijn voeten nog erger. ‘Die Aviendha. Of hoe ze ook mag heten.’

‘Ik geloof je,’ zei Rhand, die de mist bekeek. Het klonk net of hij een mond vol stof had. Zijn gezicht leek verbrand door de zon en hij zwaaide gehurkt heen en weer. ‘Maar wat zou zij hier te doen hebben? En nog wel naakt?’

Mart liet het er maar bij. Sinds ze de helling waren afgelopen, waren zijn ogen alleen maar op de mist gericht. Rhand had haar niet gezien en meende dat Mart haar ook niet had gezien. Ze had als een dwaas gerend en was ver van de twee jongemannen weggebleven. In de richting van die vreemde mist, meende hij te hebben gezien. Rhand leek evenmin erg gretig daarin te stappen, net als hij. Hij vroeg zich af of hij er even slecht uitzag als Rhand. Hij voelde aan zijn wang en kromp in elkaar. Hij dacht het wel.

‘Blijven we hier de hele nacht zitten? Dit dal is behoorlijk diep. Over enkele uren wordt het hier donker. Het zal dan wel koeler zijn, maar ik denk dat ik liever niets wil tegenkomen wat ’s nachts op deze plek rondzwerft. Leeuwen waarschijnlijk. Ik heb gehoord dat er leeuwen in de Aielwoestenij zijn.’

‘Weet je zeker dat je dit wilt, Mart? Je hebt gehoord wat die Wijze gezegd heeft. Je kunt er sterven of waanzinnig worden. Jij kunt gemakkelijk terug naar de tenten. Je hebt waterflessen en een waterzak aan Pips zadel laten zitten.’

Hij wou maar dat Rhand hem er niet aan herinnerd had. Je kon maar beter helemaal niet aan water denken. ‘Bloedvuur, nee! Ik wil het niet. Ik móet. Hoe staat het met jou? Is het niet genoeg dat je die vervloekte Herrezen Draak bent? Moet je ook nog zo’n bloedstamhoofd van de Aiel worden? Waarom ben jij hier?’

‘Ik moet, Mart. Ik moet.’ Ondanks de krakerig droge stem was de berusting hoorbaar, maar er was nog iets. Iets van gretigheid. Die knul was echt waanzinnig; hij wilde dit doen.

‘Rhand, misschien geven ze iedereen hetzelfde antwoord. Die slangenmensen, bedoel ik. Dat je naar Rhuidean moet gaan. Misschien hoeven we hier helemaal niet te zijn.’ Hij geloofde het zelf niet, maar met die mist even verderop...

Rhand keek zwijgend naar hem om. Uiteindelijk zei hij: ‘Tegen mij hebben ze het nooit over Rhuidean gehad, Mart.’

‘O, bloedvuur,’ mompelde hij. Op de een of andere manier, welke dan ook, wilde hij opnieuw een mogelijkheid vinden die verwrongen doorgang in Tyr door te stappen. Verstrooid haalde hij een Tar Valonse goudmark uit zijn zak, wentelde die tussen zijn vingers rond en stak hem weer weg. Dat slangenvolk zou hem nog enkele antwoorden moeten geven, of ze dat nou wilden of niet. Op de een of andere manier. Zonder verder een woord te zeggen, ging Rhand staan en begaf zich strak vooruitkijkend met onzekere passen naar de mist. Mart haastte zich achter hem aan. Bloedvuur. Bloedvuur. Ik wil dit niet! Rhand stapte meteen recht de dichte mist in, maar Mart aarzelde even voor hij volgde. Het moest echt iets van de Kracht zijn die deze mist in stand hield, want de buitenkant kolkte rond, maar werd geen duim groter of kleiner. Die vervloekte Kracht en geen enkele vervloekte keus. De eerste stap was een gezegende opluchting, koel en vochtig. Hij deed zijn mond open zodat de mist zijn tong kon natmaken. Na drie stappen begon hij zich zorgen te maken. Het grauwe grijs hing op nog geen handbreedte voor zijn gezicht. Hij zag zelfs Rhands gestalte niet meer. ‘Rhand?’ Het geluid leek niet eens uit zijn mond te komen; de somberte leek het geluid op te slikken voor het zijn oren bereikte. Hij was zelfs elke richting kwijt en daar had hij eigenlijk nooit moeite mee. Er kon van alles vlak voor hem zijn. Of vlak voor zijn voeten. Hij kon zijn voeten niet eens zien; de mist verhulde bijna zijn hele onderlichaam. Niettemin stapte hij flink door en kwam opeens naast Rhand uit in een merkwaardig schaduwloos licht.

De mist vormde een enorme hoge koepel die de hemel onzichtbaar maakte, en de wervelende mistwolken glansden bleek en scherp blauwig. Rhuidean was lang zo groot niet als Tyr of Caemlin, maar de lege straten waren de breedste die hij ooit had gezien, met in het midden brede onbegroeide zandstroken, alsof er vroeger bomen hadden gestaan, en grote fonteinen met beelden. Aan weerszijden van de laan stonden enorme gebouwen; vreemd gevormde paleizen van marmer en kristal en geslepen glas, die honderden voeten oprezen met inspringende steile muren naar de platte daken. Hij zag geen enkel klein gebouw, niets wat op een gewone taveerne leek, op een herberg of een stal. Alleen immense paleizen met glazen zuilen die wel vijftig voet dik waren en minstens honderd pas hoog, in rood, wit en blauw, met indrukwekkende torens, ribbels en spiralen, sommige boorden zich zelfs de gloeiende wolken in.

Ondanks al die grootsheid was de stad nooit afgebouwd. Veel indrukwekkende bouwwerken eindigden als kartels van in de steek gelaten bouw. Gekleurd glas vormde in enkele enorme vensters afbeeldingen: strenge vorstelijke mannen en vrouwen van dertig voet hoog of meer, zonsopkomsten en nachtelijke sterrenhemels; andere vensters waren lege gaten. Niet afgemaakt en reeds lang verlaten. In geen enkele fontein spatte water. De stilte dekte de stad even volledig toe als de koepel van mist. De lucht was er koeler dan buiten, maar wel even droog. Onder hun voeten knarste het zand op gladde lichte plavuizen. Mart liep op een holletje naar een nabije fontein, voor het geval er toch iets in zat, en boog zich over de heup-hoge witte rand heen. Drie naakte vrouwen, tweemaal zo lang als hij, die een vreemdsoortige vis met een brede bek droegen, keken omlaag naar een brede stoffige bak die even droog was als zijn mond.

‘Natuurlijk,’ zei Rhand achter hem. ik had er eerder aan moeten denken.’

Mart keek om. ‘Waaraan moeten denken?’ Rhand staarde naar de fontein; zijn schouders schokten in een stille lachbui. ‘Beheers je een beetje, Rhand. Je bent niet net gek geworden. Waar had je aan moeten denken?’

Een hol gegorgel trok Marts ogen met een ruk terug naar de fontein. Opeens stroomde er water uit de vissenbek, een stroom zo dik als een been. Hij klauterde de bak in en rende naar het neerstortende water om er met open mond onder te gaan staan. Koud, zoet water, zo koud dat hij moest rillen, zoeter dan wijn. Het doordrenkte zijn haren, zijn jas en broek. Hij dronk zoveel dat hij dacht te verdrinken, en wankelde ten slotte opzij om hijgend steun te zoeken tegen een vrouwenbeen.

Rhand stond nog steeds zachtjes lachend naar de fontein te staren, met een rood gezicht en kloven in zijn lippen. ‘Geen water, Mart. Ze zeiden dat we geen water mee mochten nemen, maar ze hebben nooit iets gezegd over wat hier al was.’